Skip to main content

Praxis-of-Giyur-in-Israel-en-Europe

 

 

Opname in het Jodendom en Proselieten

 

Praktijk van Halachische Gyur in Israel, Europa en Verenigde Staten van Amerika

 

 

 

 

‘Waar u gaat, zal ik gaan; uw volk is mijn volk en uw G’d is mijn G’d.’

 

(Ruth 1:16)             

 

 

De praktijk van giyur in Israël, Europa en Amerika.

 

1.      De orthodoxe giyur in Israël.

 

        Via het hoofdrabbinaat.

Het hoofdrabbinaat van Israël heeft een speciale afdeling die ter beschikking staat voor geïnteresseerden voor giyur die naar Israël willen emigreren of voor Israëlische burgers die met een niet-Joodse vrouw gehuwd zijn en waarbij de vrouw zich wil bekeren tot het Jodendom. In praktijk kunnen deze mensen gedurende ¾ jaar ongeveer 6 uur per dag in een Ulpan leren. Bovendien bestaat de mogelijkheid waar jongens in speciale yeshivot zich voor giyur kunnen voorbereiden; voor vrouwen gebeurt dit in seminaries. Deze hogere yeshivot of seminaries worden begeleid door het hoofdrabbinaat van Israël waarbij de leerlingen hun giyurproces eindigen in het hoofdrabbinaat. Zo een voorbeeld is Machon Meir, naast Jeruzalem. Het voordeel van een giyur door het hoofdrabbinaat ligt voor de hand: het is het staatsrabbinaat en de succesvolle giyurkandidaat kan direct aanspraak maken op het Israëlische burgerschap en kan zich zo direct in het land vestigen. Als nadeel moet een grote achterstand in de afwerking van de dossiers vermeld worden, waarbij men ongelofelijke bureaucratische barrières moet doorlopen; alsook wordt deze giyur door vele haredisch-orthodoxen niet erkend omwille van het lage niveau en het lakse gedrag van de gerim die door het Hoofdrabbinaat uitkomen.

 

Recent zijn de voorwaarden wel verstrengd; waarbij het hoofdrabbinaat een veel selectievere giyurpolitiek handhaaft. Mensen die naar Israel willen emigreren kunnen ook hun opleiding volgen bij een erkende leraar, ook buiten Israel, die het vertrouwen van het hoofdrabbinaat geniet. Het hoofdrabbinaat werkt hand in hand met het ministerie van binnenlandse zaken; dit betekent dat voordat een kandidaat geaccepteerd wordt, zijn dossier ook moet liggen voor de security-commissie van Binnenlandse Zaken en dat de kandidaat zeker geen probleem zal stellen voor de staat Israel, zowel op het vlak van de economie als op het vlak van de veiligheid. Het is verder te vermelden dat het giyur Beit Din van het Hoofdrabbinaat direct onder het kabinet van de eerste minister staat, die zijn politieke zegen moet geven voor een dergelijke giyur.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken zal een giyur van het hoofdrabbinaat onmiddelijk erkennen en de aangestelde onderzoeker zal het Israëlische burgerschap overhandigen met de Israëlische identiteitskaart.

 

Tegenwoordige Ashkenasische Opperrabbijn van Israël, Rabbi David Lau (1966 -), (rechts), samen met zijn vader, voormalig Opperrabbijn Y.M. Lau, Shlita.  

                

Tegenwoordige Sefardische Opperrabbijn van Israel, Rabbi Yitzchak Yosef (1952-)(rechts), samen met zijn vader, voormalige Opperrabbijn Ovadia Yosef, s.z.l.

             

 

             
                                                                                                              

De heer Aryel Tsion is de beheerder van de website www.shalomgemeente.nl

Hij werkt als assistent en deskundige voor giyur-aangelegenheden bij het Hoofdrabbinaat van Israël. Deze studenten die Giyur willen maken bij het Hoofdrabbinaat van Israel en direct een ‘aliya’ naar Israel wensen, zijn hiermee ook geadviseerd contact op te nemen met de heer Aryel Tsion. Hij is ook een expert betreffende Aliya en zal je zeker alle mogelijke raad omtrent deze zaken meegeven. Hij spreekt en leest vlot Nederlands en Engels. Hijzelf was vroeger een predikant bij een streng protestantse gemeente naast Rotterdam, Nederland. Zijn christelijke gemeente bracht hij veel liefde voor Israël en het Jodendom bij. Talloze bezoeken aan Israel met groepen christenen die van Israel houden, heeft ertoe geleid dat hij Joods geworden is en zijn ambt als predikant neergelegd heeft, samen met zijn vrouw Shlomit en kinderen. Aliya maken naar Israël was voor hen een vanzelfsprekendheid, vandaag woont hij in Susya, niet ver van Beer Sheva. Ook zijn schoonouders zijn deze weg opgegaan en leven nu als volwaardige Joden in Susya, Israël.

 

Om objectief de praxis in Israël weer te geven moet vermeld worden dat het Hooggerecht (profaan) in Israël besloten heeft dat Giyorim van Reform-Liberale en conservatieve bewegingen door de Staat Israël erkend moeten worden. De consequentie hiervan is dat dergelijke personen wel naar Israël emigreren en het Israëlische burgerschap ontvangen, maar niet erkend worden door het hele religieuze establishment van de orthodoxie en het Hoofdrabbinaat.

 

Volgens het Israëlische binnenministerie wordt de praktijk met Reform-Liberale of conservatieve Giurim als volgt uitgevoerd: op hun identiteitskaart staat Israëlisch maar niet Joods vermeld; wat voor elke Rabbinale instantie duidelijk maakt dat het hier om een niet-halachische giyur gaat of over iemand die gehuwd is met een Jood(se) zonder zelf Joods te zijn. NB: dit is nu niet meer de praktijk.

 

 

Aryel Tsion en zijn vrouw Shlomit worden Joods religieus getrouwd door Rabbijn Hayim Drukmann, shlita, Rosh yeshiva Or Etzion en verantwoordelijk voor giyur bij de minister president en Hoofdrabbinaat Israël.

 

Shlomit en Aryel Tsion, samen met hun kinderen na de choeppa, hun religieuze huwelijk aan de Kotel in Jeruzalem.

 

        Via een haredisch Beit Din.

Tot mijn kennis bestaan twee zeer bekende orthodoxe-haredische ‘Batei Din’ / Rabbinale gerechtshoven die zich met giyur bezighouden.

A)     Beit Din Tzedek van Jeruzalem, beter bekend onder de naam ‘Badats Jeruzalem’, omdat ze onder dezelfde naam kashrutlabels voorzien.

Ik persoonlijk had het voorrecht en privilege om bij de voorzitter van het Beth Din Tzedek van Jeruzalem, Rabbi Yitzchak Tuvia Weiss, Shlita, lessen in Talmoed aan de ‘Yeshivat Harama’, Londen, in de jaren 1965 en 1966 deel te nemen.

 

‘Rabbi Yitzchak, Tuvia Weiss, Shlita, voorzitter van de Ortodoxe Beth Din Tzedek van Jeruzalem. Voormalige Dayen van het orthodoxe gemeente ‘Machisake Hadass’ te Antwerpen.’

 

B)     Het Haredische Beit Din van Bnei Brak, onder het voorzitterschap van Rabbi Nissim Karelitz, Shlitah; een neef van de legendarische Chazon Ish (1878-1953), Zatsal.

De giyurvoorwaarden van beide Batei Din zijn van een hoog formaat. Naast een grondige kennis van de halacha, in het bijzonder op gebied van Shabbat, de cyclus van het Joodse jaar en Kashrut en nog andere domeinen, is een diepe kennis van de Siddur vereist, alsook een vlotte leesvaardigheid van de Hebreeuwse gebeden. Het belangrijkste punt is de overtuiging en G’Dsvruchtigheid van de kandidaat. Veel tijd wordt besteed om de motivatie te kennen, en vooral dat de reden van giyur niet omwille van een man of een vrouw is, maar omwille van liefde voor G’D en het volk van Israel. De giyorim van deze twee ‘Batei Din’ zijn bij alle orthodoxe gemeentes binnen en buiten Israël gekend. Als men wenst dat het binnenministerie deze giyur erkent omwille van emigratie naar Israël, moet de succesvolle ger / giyoret (bekeerling) minstens twee jaar het lidmaatschap van een erkende orthodoxe gemeente kunnen voorleggen. Daarna kan het Israëlische burgerschap automatisch aangevraagd worden en is emigratie (Aliyah) mogelijk. Tot zover reikt mijn kennis van deze zaken. De reden dat deze twee Rabbinale gerechtshoven zich met giyur bezighouden, is dat ze niet overtuigd zijn van het niveau van het Hoofdrabbinaat en volgens hen zijn de uitgekomen kandidaten aan dit Hoofdrabbinaat niet voldoende gemotiveerd of niet altruïstisch (onbaatzuchtigheid) genoeg, en dus ook niet voldoende religieus.

 

HaRav HaGaon, Rabbi Nissim Karelitz, Shlita,

erevoorzitter van het Beit Din Tzedek, Bnei Brak.

 

Beide ‘Batei Din’ namelijk, het Hoofdrabinnaat van Israël en de orthodoxe Rabbinaten van Jeruzalem en Bnei Brak erkennen elkaar niet. De bekeerling moet een beslissing nemen welke weg hij zal opgaan, die niet door de mentor of Rabbijn genomen kan worden. In de praktijk erkent de Joodse gemeente ‘Shomre Hadas’ te Antwerpen zowel giyur uitgevoerd van een Hoofdrabbinaat van Israel alsook van het Beit Din van de orthodoxe ‘Batei Din’ van Bnei Brak of Jeruzalem, maar de orthodoxe gemeente ‘Machsike Hadas’ te Antwerpen erkent in principe niet de giyur van het Hoofdrabbinaat van Israel, maar wel onder bepaalde voorwaarden, de giur van de orthodoxe beit Din van Bnei Brak of Jeruzalem.

Voormeerinformatie: http://www.dintora.org/english/BeitDinPratim.asp?ChildID=539

 

Een van de algemene hoofdproblemen in samenhang met giyur is corruptie. Zowel in Israel als in Amerika, en deels in Europa zijn er sommige ‘Batei Din’ of Rabbijnen die omkoopbaar zijn en die er geen grote eer van de Naam van G’D stellen. Ze misbruiken hun ambt om hun geldzucht te bevredigen. Daarom moet de giyurkandidaat zich heel zorgvuldig informeren over het ‘Beit Din’ en ook begeleider/mentor waar hij zijn proces zal vervolledigen. Deze giyur moet nl. erkend zijn bij tenminste een van de bovenstaande ‘Batei Din’. Informatie is voldoende te vinden op het internet, maar de raad van een vertrouwde orthodoxe Rabbijn is ook vereist. Net zoals bij de aankoop van een huis of een auto, moet ook een mogelijke giyur onderzocht worden op bedriegers en oplichters. Spijtig is zo iets mogelijk wegens de naiviteit, en onkritische houding van de giyurzoekenden, die dan in een put vallen.

Hetzelfde geldt voor degene die de giyurkandidaat voorbereidt en begeleidt; hij dient een voortreffelijke reputatie te bezitten, dit op alle niveaus, wil hij de giyurkandidaat doen uitkomen bij een Halachisch erkend ‘Beit Din’. Bovendien moet hij goede contacten met verschillende orthodoxe ‘Batei Din’ hebben om de kandidaat te promoten.

 

Spijtig genoeg vallen mensen dikwijls door hun naïviteit op nep-Rabbijnen of oplichters en leggen ze een hele weg af die tot niets leidt. Niet altijd spreekt een lange baard of een hoge hoed van een uitstekende Rabbijn. We kennen dergelijke nep-figuren in Israël, maar ook in Europa en in Amerika. Verder moeten de kandidaten veelal bij dergelijke nep-giyurim een hoge som op tafel leggen om de giyur tot een snel en ‘goed’ einde te leiden. Dergelijke nep-diploma’s zijn niet de inkt waard die erop geschreven is. Veel meer dan het behangen van de muur kan men er niet mee aanvangen. Nergens worden deze gerim erkend en spijtig genoeg zijn deze mensen erg gekwetst en ontgoocheld in de vroomheid van dergelijke Rabbijnen. Zowel het Hoofdrabbinaat als het ‘Beit Din’ van Bnei Brak of Jeruzalem vragen een zeer nominale bijdrage van ongeveer €50 voor de nodige administratieve kosten. Deze ‘Batei Din’ zijn niet beïnvloedbaar door geld en niet omkoopbaar. De Dayanim krijgen van staatswege hun loon, of via neutrale sponsors; waardoor hun giyurcertificaat dan ook geloofwaardig overkomt.

 

Een andere corruptie die ik te horen kreeg van een Rabbijnse collega is het verhaal van de Torahrollen bij Reform-liberale synagogen. Met bijna 100% zekerheid heeft de liberale Reformbeweging geen ‘Sofrim’ die de know how hebben om deTorahrollen halachisch te schrijven. De vraag stelt zich dan natuurlijk hoe de Torahrollen in hun bezit komen. Het spreekt voor zich dat corrupte en sommige geldzuchtige ‘Sofrim’, deze ‘onder de toonbank’ verkopen aan de liberale bewegingen; wetend dat in deze bewegingen bijna niets van de Torah geobserveerd wordt.

 

De orthodoxe giyur in Europa

 

Europa kent een meer overzichtelijke procedure. Omdat er meestal geen sprake is van een grote gemeenschap, kent men de Rabbinale praktijken zeer goed. Algemeen gaat onze aandacht op de eerste plaats naar de Torah-getrouwe, halachisch erkende giyurprocedures. Op het einde van dit betoog wordt ook aangegeven waarom een liberale-reform of massorti-conservatieve-giyur doorgaans niet erkend wordt binnen de wereld van het Torahgetrouwe Jodendom, dit wereldwijd. Daar mijn ervaring meestal komt van mensen uit de Benelux, zal ik eerst België en Nederland behandelen.

 

België.

 

België is een land dat sinds haar onafhankelijkheid (1830) de vrijheid van godsdienst in haar  grondwet voor al haar burgers garandeert. België is één van de weinige landen in Europa waar men het recht heeft in de door de overheid ingerichte scholen godsdienstonderwijs te volgen in één van de erkende godsdiensten of levensbeschouwingen (of helemaal niets); en dit onderricht wordt integraal meegefinancierd uit publieke middelen.  Er zijn zeven erkende godsdiensten en levensbeschouwingen waaruit elke student of zijn ouders kunnen kiezen om hier twee uur per week van te genieten. Vooral in Antwerpen genieten we van een zeer diverse en rijke keuze aan Joodse scholen die volledig gesubsidieerd worden voor het algemene pakket en twee uren godsdienst. Bovendien betaalt de Belgische staat de bedienaars van de erediensten. In Belgie betekent dit in casu dat de Opperrabbijnen en de cantors van de officiële Joodse gemeentes  hun loon betaalt krijgen uit publieke middelen.

Toch kent België in het Giyurproces een zeer restrictief beleid hetgeen  in de praktijk ertoe leidt dat er officieel geen giyur in België uitgevoerd wordt. Als men met Rabbijnen of prominente leden  van de gemeente hierover praat, krijgt men het verhaal te horen dat bij de stichting van België een katholieke bisschop vroeg om geen Joodse bekeringen toe te laten in België. Men moet beseffen dat dit pure nonsens is. Zoals gezegd garandeert de Belgische grondwet uitdrukkelijk de vrijheid van godsdienst en er is ook nog het Europees verdrag voor de rechten van de mens dat eveneens dit grondrecht garandeert waarvan reeds in de rechtspraak duidelijk is gemaakt dat het ook het recht op bekering insluit.  Ik persoonlijk woonde  meerdere jaren in  Frankfurt Am Main, Duitsland, en was daar actief als Opperrabbijn. Ik zag daar  nooit een Joodse zaak die op zondag open was, hetgeen ook van  Nederland gezegd kan worden, waar op zondag een strikt handelsverbod geldt, zelfs voor Joodse handelszaken, die ook op hun religieuze rustdag de winkel sluiten.

Het is ook jammer dat hier in Antwerpen, waar de beste voorwaarden zijn om zich voor te bereiden voor een Halachische giyur, men weigert om dit  uit te voeren. In het verleden stuurde men de kandidaten hiervoor naar Israël; waarbij de kandidaten veelal na een korte tijd terugkwamen met een giyurcertificaat, waarschijnlijk behaald bij omkoopbare Rabbijnen. Spijtig genoeg zijn er zowel in Antwerpen als Brussel twee Rabbijnen die mensen voor aanzienlijke sommen geld (er circuleren geruchten die spreken over 20.000 Euro en meer) voorzien van een giyurcertificaat via Amerika of Marokko; praktijken die voor alle Rabbijnse instanties grond tot bezorgdheid horen te zijn. 

 

Eerlijkheidshalve moet wel toegegeven worden dat als een kandidaat komt met een giyur van een Halachisch erkend ‘Beit Din’, hij of zij ook erkend zal worden en als volwaardig lid in de gemeente opgenomen wordt. Dit is zeker niet de praktijk in Nederland, waar iemand met een Torah-getrouwe erkende giyur niet door het NIK erkend wordt, dit omdat het NIK een monopolierecht heeft over Giyur voor Nederlanders.

 

Algemeen zijn mensen die zich voorbereiden op een giyur en dit op serieuze wijze doen, welkom in elke synagoge te Antwerpen. Een uitzondering hierop vormt de Hollandse of Bouwmeestersynagoge. Persoonlijk stuurde ik er serieuze giyur-kandidaten heen , waarop het Hoofdrabbinaat van ‘Shomre Hadass’ mij liet weten dat het bestuur van de synagoge dit niet meer wenste. Gelukkig zijn de kandidaten voor giyur welkom in de andere synagoges, inclusief de Hassidische. Het is schandalig dat de Hollandse synagoge de praktijk die in Nederland heerst, nl.: de deur wijzen aan  potentiële gerim en niet-Joodse mensen, navolgt. De Hollandse synagoge is een synagoge van een publiek gefinancierde Joodse gemeente en moet daarom toegankelijk zijn voor eenieder, Joods of niet. Als beschermd monument wordt de synagoge bovendien deels gesubsidieerd door de stad Antwerpen en de Vlaamse gemeenschap. Verder moet opgemerkt worden dat verschillende leden van de Bouwmeestersynagoge zelf giyur gedaan hebben en weigeren dat anderen hun voorbeeld volgen.

Men mag ook niet vergeten dat niet-Joden zelfs in de Tempel vriendelijk ontvangen werden, zo vraagt koning Salomon bij de inwijding van de Tempel: (Kon. I hfdst 1, 41-43) ‘Ook wanneer een vreemdeling komt, die niet tot het volk Israël behoort en die uit een ver land is gekomen om U te vereren, aanhoor hem dan vanuit de hemel, UW woonplaats en doe wat hij van U vraagt.’

Verder leren we in de Tal. Bav., Gittin dat men offers van niet-Joden aangenomen heeft in de Tempel, en volgens de Talmoed is de verwoesting van de tweede Tempel terug te voeren tot het weigeren van een offer van de keizer van Rome. De profeet Jesaja verklaart dat de Tempel een gebedshuis zal zijn voor alle volkeren (Jes. 56,7). Zo ook moeten we zorgen dat elke synagoge open is voor ieder die G’D zoekt, zeker als dit om individuen gaat; maar ook voor groepen moet men bereid zijn tot compromis.

In Frankfurt organiseerde ik regelmatig rondgangen voor geïnteresseerde christenen en soms konden groepen een dienst bijwonen, dit uiteraard als ze zich aan de regels van de synagoge hielden. Toen leefde mijn vader, Rav Shmuel Josef Daum, s.z.l. in Frankfurt, en adviseerde me op verschillende gebieden. Zeer vaak voerden we diepe gesprekken, onder andere over de Shoah.  Ik vroeg  hem dan dikwijls of wij ergens een schuld droegen voor deze tragedie. Hij antwoordde: ‘ik denk dat voor de Shoah de meeste synagogen, Torah-getrouw of niet, gesloten bleven voor geïnteresseerde niet-Joodse mensen. Zij waren niet welkom op de liturgische dienst, wat voor wrevel zorgde. Vele niet-Joden verdachten Joden van allerlei zwarte magie en fantaseerden allerlei onzin over Joden, die zij tijdens deze dienst zouden uitvoeren. Historisch gezien was dit een fout om zich zo hermetisch af te sluiten. Vandaag moeten wij de geest van transparantie en ‘glasnost’ hanteren. Laat ons eindigen met de woorden van de profeet Malachi (2, 10): ‘Hebben we niet allen dezelfde vader en heeft niet één en dezelfde G’D ons geschapen?’

 

Nederland.

 

Nederland maakt  nostalgische gevoelens los bij een Joodse individu die zijn geschiedenis kent. Al bij de stichting van de Republiek der 7  Provinciën was Nederland een van de weinige havens van tolerantie en geloofsvrijheid. Zo konden de vervolgde Marrano’s uit Portugal zich hier vestigen, tot hun oorspronkelijke geloof terugkeren en hun eigen synagogen en leerinstellingen oprichten. Nederland was in de 16de / 17de eeuw het enige land in Europa waar een giyur kon uitgevoerd worden. De rest van Europa verbood de bekering tot het Jodendom toen nog onder de bedreiging van de doodstraf. 

 

Miriam, die door een katholieke priester Tadeus gegijzeld werd, werd bevrijd door de beroemde wonderrabbijn en grote geleerde Rabbi Liva van Praag, bekend als de Maharal van Praag, met hulp van de Golem Jossele (een door Rabbi Liva via de Kabbala kunstmatig geschapen mens die de Joden moest beschermen tegen de valse bloedbeschuldigingen en vervolgingen.) Rabbi Liva beval Miriam en haar familie het jonge gekaapte meisje naar Amsterdam te sturen, waar ze een man van adel huwde die giyur gedaan had.

Vooral indrukwekkend is het verhaal over een proseliet uit de tijd van de ‘Gaon van Vilna’ (1720-1797). Het betreft Abraham ben Abraham, eveneens gekend onder de naam van Graaf Valentino Potocki (Pototzki). Deze laatste kwam uit een zeer nobele aristocratische familie uit ‘t Litouws-Poolse Gemenebest. Als enig kind genoot hij een bohemische levensstijl. Hij reisde zo ook naar Parijs om verder van het goede leven te genieten. Door verschillende omstandigheden leerde hij de Joodse gemeente met de toenmalige Rabbijn kennen en besloot al gauw om zich tot het Jodendom te bekeren, wat toen nergens in Europa kon, behalve in Amsterdam, Nederland. Daar gold namelijk een toleranter klimaat, waaronder dus ook voor het Jodendom. Vanuit heel Europa reisden vele bekeerlingen naar Nederland waar ze niet hoefden te vrezen voor de kerkelijke macht. Graaf Pototzki reisde zo ook naar Nederland en kwam als een Torah getrouwe Jood uit. Bij zijn terugkeer naar Vilna leerde hij in het leerhuis van de ‘Gaon van Vilna’. Kerkelijke spionnen kwamen hem echter door verraad op het spoor en namen hem in gevangenschap. Er werd hem een openbaar schijnproces in inquisitiestijl voorgeschoteld waarbij het vonnis luidde dat hij openbaar verbrand moest worden. Het vonnis werd de tweede dag van Shavuot voltrokken. Zijn as werd door de leerlingen van de ‘Gaon van Vilna’ verzameld en op de begraafplaats in Vilna bewaard. De ‘Gaon van Vilna’ vroeg dat zijn stoffelijk overschot naast het graf van deze rechtvaardige Ger, Avraham ben Avraham, begraven kon worden, wat inderdaad tot vandaag de dag het geval is.

 

Nederland was in de 18de / 19de eeuw bekend voor haar gematigd Opperrabbinaat waar orthodoxe Rabbijnen het ambt bekleed hebben. Drie van deze bekende Rabbijnen zal ik hier verder bespreken.

 

1.      Rabbijn S. Ph. de Vries Mzn.

Rabbijn de Vries was 48 jaar lang Rabbijn van de gemeente Haarlem. Hij verwierf grote bekendheid met zijn werk ‘Joodse riten en symbolen’, dat in veel talen vertaald is (o.a. Engels en Duits) en tot vandaag als een goed voorbereidingsboek dient voor het Jodendom. Hij stierf in 1944 in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

 

2.      De Rabbijnen Samuel en Simon Dasberg die deels voor de Shoah

als Rabbijn en Opperrabbijn gediend hebben. Zij hebben de Siddur, de Chumashim en de Machzorim uit het Hebreeuws vertaald naar het Nederlands; deze boeken worden nog altijd als standaardgebedenboeken en Chumashim in de Nik-synagogen gebruikt. Ze behoorden tot de mainstream orthodoxie, wat we vandaag als gematigde orthodoxie kunnen beschouwen.

(Zie voor meer informatie over deze mensen ook mijn essay over Nederlandse Rabbijnse families in de 20ste eeuw, dit essay is beschikbaar op mijn website www.bestjewishstudies.com

3.      Rabbijn Bernard Ritter (1855-1935) was bijna 50 jaar de

Opperrabbijn van Rotterdam. Als liefhebber van de Rabbinale  geschiedenis in Nederland heb ik veel essays en responsa van hem gelezen, waaronder ook over zijn opinie dat vrouwen lid kunnen worden van de bestuursraad van een Joodse gemeente. De enige beperking die hij oplegt betreft beslissingen over religieuze aangelegenheden, zoals het benoemen van een Rabbijn. Hijzelf was een zeer vrome Torahgeleerde die zijn laatste jaren in Antwerpen doorbracht, waar hij ook een private mikve had. Hij rust op de begraafplaats van Machsike Hadass te Putte, waar hij in de ererij van Rabbijnen ligt.

 

Ook na de Shoah ambieerden vele gematigde Rabbijnen de functie van Opperrabijn te Nederland. Zij voerden een zeer tolerant giyurbeleid uit. Het gevolg van dit (misschien te gemakkelijke) giyurbeleid was dat er in vele gevallen vragen konden gesteld worden over de levensloop van vele mensen na hun giyur.

Met Opperrabbijn Meir Just (1908-2010) kwam er een nieuw beleid met betrekking tot giyur. Rabbijn Just nam het ‘Haredische’, bijna ultra-orthodoxe standpunt in van het moeilijke giyurproces, een lijn die tot op vandaag gehanteerd wordt door het Beit Din van Amsterdam, nu gekend als moeilijkste en strengste Beit Din wat betreft  giyur in Europa. Bovendien moet de kandidaat giyur de Nederlandse nationaliteit bezitten.

 

Opperrabbijn van Nederland,

Rabbijn Meir Just (1908-2010)

 

Vandaag is Joods Nederland niet wat het was voor de Shoah, het is een kleine gemeenschap die vooral rond Amsterdam geconcentreerd is, met een paar papiergemeenten in de provincie. In de meeste provinciale gemeenten is een minjan op Shabbat lang niet zeker, bovendien is het provinciale Rabbinaat bijna volledig in handen van de Lubavitch beweging. Ook de Opperrabbijn, Rav Benjamin Jacobs shlita, is een sterke aanhanger van Chabad. Zelfs in Amsterdam is een aanzienlijk aantal Rabbijnen lid van de Lubavitch beweging of sympathisant.

Chabad is een controversiële beweging, en zoals elke grote beweging heeft deze aanhangers, maar ook sterke tegenstanders. De wieg van Chabad ligt in Wit-Rusland, de enige dictatuur in Europa tot vandaag. Lubavitch heeft zeer dubieuze voorstellingen rond de laatste Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Shneerson (1902-1994) en ook rond de stichter van Lubavitch, Rabbi Shne’ur Zalman van Liadi (1784-1853), auteur van het beroemde werk Tanya.De slogan en het bekende lied van de Lubavitch beweging is: ‘je zal uitbreiden naar het westen, het oosten, het zuiden en het noorden’ (Bereshit 28,14). Dit geeft aan dat zij een haast imperialistische houding hebben tegenover de rest van de Joodse wereld, waarbij hun ideale einddoel is dat alle Joden aanhangers van Chabad-Lubavitch worden.

Volgens deze slogan heeft de laatste Rebbe overal Lubavitch ‘shluchim’ verstuurd (het zijn er vandaag wereldwijd al 4000),  die zijn dogma’s en doctrines moeten uitbreiden. Deze shluchim doen zonder twijfel  ook zeer goede zaken, maar hebben ook de neiging om bestaande gemeentes te ondermijnen en op te splitsen. Bovendien hebben deze shluchim een missionaris-ideologie gekoppeld aan wat bijna een personencultus mag heten. Zij kleden zich zoals de Rebbe en hangen overal grote foto’s en schilderijen van de Rebbe op. Sommige grote Torah-leiders, zoals Rabbi Menachem Mann  Shach (1899-2001), hebben deze cultus van de Rebbe en het hiermee gepaard gaande Messianisme (het geloof dat de Rebbe de Messias is) als afgoderij bestempeld.

 

Lubavich is heel actief in interJoodse missionering. Dit is enerzijds erg nobel aangezien ze trachten a-religieuze Joden terug te brengen tot het pad van Thora en Mitzvot, maar anderzijds toleren ze enkel de ideologische voorstellingen van de Lubavitch beweging. Vanzelfsprekend heeft Lubavitch daardoor een kwalijke reputatie verworven van Joodse missionering binnen het Jodendom. Om zich van deze oneerbare titel te distantiëren heeft Lubavitch zich in principe ver gehouden van elke vorm van giyur. Alleen als de kandidaat bereid is Lubavitch-aanhanger te worden, kan dit even door de vingers gezien worden. Lubavitch heeft zijn hoofdkwartier in New York gevestigd, en heeft daarmee ook het Amerikaanse materialisme geaccepteerd. Zo heeft de Lubavitch beweging meer als alle andere een pr-systeem ontwikkeld, waarbij vooral de pers, fotografen, camera’s en tv altijd aanwezig moeten zijn; zoals bijvoorbeeld bij het aansteken van de Chanukia. Ook andere bewegingen doen zeer veel voor het Jodendom, zoals Belz en Satmar, maar zonder op een grote Shofar te blazen. Lubavitch is ook niet zeer selectief wat zijn sponsors betreft. Zo zijn er videobeelden waar de Rebbe zeer a-religieuze mensen met veel egards begroet. Waarschijnlijk dient dit als model voor vele Lubavitch-gezanten. Anders kan men niet verklaren vanwaar de financiering voor al deze acties komt.

 

Dit alles maakt begrijpelijk waarom Nederland vandaag een zeer moeilijke plek geworden is om als Jood uit te komen. Aan de ene kant heb je de Rabbijnen die een bijna Haredische levenswijze vragen van de kandidaten; aan de andere kant is er Lubavich die een rem op giyur legt. We hebben geen cijfers over het aantal gerim die jaarlijks uitkomen in Amsterdam, maar dit zal het aantal van 5 zeker niet overschreiden; hetgeen wraakroepend is wetende dat er 100’en serieuze mensen zijn die wachten op een Halachische giyur.

 

Hetgeen vermeld werd aangaande de Bouwmeestersynagoge van Antwerpen, a fortiori het geval in Nederland. Dit geldt zowel voor de NIK-gemeenten als de liberale-reform gemeenten in Nederland. Het enige lichtpunt op dit gebied is de AMOS (de Amsterdamse Modern Orthodoxe Sjoel) -gemeente, onder Rav Menachem Sebbag, die een zeer hartelijk, vriendelijk en tegemoetkomend beleid voert. Volgens verschillende van mijn studenten zijn geïnteresseerde niet-Joden of kandidaten giyur bij hem welkom.

                                                                                                               

 

Rabbijn Menachem Sebbag

van de Amos-Gemeente, Amsterdam.

Rabbi Moshe Stiefel,

Docent voor Giyur-cursus in Amsterdam

 

 

Om hevige kritiek van de betrokken NIK-leden over het giyur-beleid in de NIK- en IPOR-gemeenten af te wenden, alsook om de donkere toekomst van het Joods-religieuze Nederland te verdoezelen, heeft men een soort giyur-cursus ingericht die toch veel te wensen overlaat. Deze cursus wordt gegeven door Rabbijn Moshe Stiefel van Almere, schoonzoon van Opperrabbijn, Rabbi Benjamin Jacobs van Ipor, onder wiens strikte richtlijnen hij werkt hetgeen ook aanleiding gegeven heeft tot beschuldigingen van nepotisme. Uit betrouwbare bron weet ik dat er tussen 10 en 20 deelnemers tweewekelijks één keer samenkomen. De enige lesactiviteit bestaat uit het klassikaal lezen van de Nederlandse vertaling van de Kitshur Shulchan Aruch.  De kostprijs is €1000 per jaar, wat redelijk veel is als je weet dat alle niveaus door elkaar zitten, en er tot nu toe slechts één student de giyur succesvol beëindigd heeft.

 

Zes dingen moeten in acht genomen worden:

1.      Er was altijd een probleem van verlies van Joodse identiteit  en assimilatie in het Jodendom. In de hedendaagse tijd waren er altijd geïnteresseerde, geëngageerde en oprechte niet-Joden die ervoor kozen om Joods te worden; waardoor men toch in een bepaalde mate het existentiële bestaan van het Jodendom verzekert.

 

2.      In een interview met het Belgische-Joodse maandblad “Joods Actueel” heeft Opperrabbijn Jacobs gezegd dat hij geen toekomst ziet voor het Nederlandse jodendom. Dit is op zich al een vrij wraakroepende uitspraak van iemand wiens gehele job en opgave erin zou moeten bestaan het Nederlandse Jodendom te ondersteunen. Maar de uitspraak is nog eens des te perverser aangezien hij juist één van die mensen is die door onder andere hun giyurbeleid er druk mee bezig zijn dit horrorscenario tot werkelijkheid te maken. Het liquidatiescenario dat hij beschrijft is eerder een “self-fulfilling prophecy” waar hij zelf de hoofdverantwoordelijkheid voor draagt. (‘Joods Actueel’, nr 43, augustus 2010, pag.26-27)

 

 

3.      Als regelmatige lezers van het N.I.W., wekelijkse nieuwsorgaan van de Joodse gemeenschap in Nederland, zijn we goed geïnformeerd over de belangen van de Joden in Nederland. Wij hebben al enige tijd geleden vernomen dat er ernstige problemen bestaan voor mensen die uitgekomen zijn, wat betreft het recht op een Joodse begrafenis. Sommige N.I.K.-begrafenisondernemingen (‘Chevre Kadisha’s’) doen moeilijk voor uitgekomen Joden (‘Gerim’), omdat zij niet gedurende hun hele leven de volle verzekeringspremie betaald hebben. Als dit waar is, is dit gewoonweg schandalig. Daarbij moet  erop gewezen worden dat in de Halacha tot mijn kennis nergens een discriminatie bestaat tussen Joden van geboorte en uitgekomen Joden. Zeker wat de dood betreft, zijn allen gelijkgesteld: rijken en armen, Joden en uitgekomen Joden, geleerden en eenvoudige mensen.

 

4.      Ten derde kan men dan nog zeggen dat er een kwalijke mentaliteit heerst binnen het Nederlandse rabbinaat. Velen onder hen lijken in een soort van “bubble” te leven waarbij ze van weinig beleefdheid en respect getuigen in de omgang met de mensen die zij juist, uit hoofde van hun ambt geacht worden te helpen en bij te staan. Er bereiken mij anekdotes over werkelijk stuitend onbeleefd en zelfs hufterig gedrag. Dit is bezwaarlijk de levenshouding die men kan verwachten van Bnei Thora die toch het Talmoedische dictum horen te kennen dat Derech Eretz (algemene beleefdheid) voor de Thora komt.

 

 

5.      Dit alles is op zich reeds zeer erg. Maar wat het geheel nog des te meer bitter maakt is het feit dat als zeer serieuze en oprechte kandidaten voor giyur met zulk een grote “Chillul Hashem” van orthodoxe zijde geconfronteerd worden, hen dit doorgaans mogelijk recht in de armen van het liberale Jodendom drijft.

 

6.      Tenslotte kan men besluiten met op te merken dat de vragen die gesteld worden aan de kandidaten zo moeilijk en complex zijn dat het haast komisch wordt. Zo stelt men mensen in alle ernst vragen als “waar was G-d in Auschwitz” met de veronderstelling dat er op deze vraag een “juist” antwoord is. Het mag enigszins verbazen dat een vraag waarover de grootste theologische geesten van de 20ste Eeuw nog dagelijks debatteren dat dit een voorvereiste kennis is voor Giyur-procedure. Het valt nog maar zeer te betwijfelen of, indien het Nederlandse opperrabbinaat verantwoordelijk was geweest voor het giyur beleid in de tijden van de Thora, ze mensen zoals Batya, Yitro of Ruth tot het Jodendom zou toegelaten hebben?

 

Opperrabbijn Aryeh Ralbag,

HoofdRabbijn Amsterdam en voorzitter

van Beth Din Tsedek van Amsterdam

met zijn Rebbetsin

Rabbijn Benjamin Jacobs, Opperrabbijn

van IPOR (Provincies Nederland),

hoofdzetel te Amersfoort; samen met

voormalig koningin Beatrix.

 

 

Europese Beit Din Bazel, Zwitserland.

 

De situatie in Europa inzake giyur was lange tijd chaotisch, vooral in de voormalige Sovjet-unie, zoals Rusland, Oekraïne, alsook Duitsland, waar een significant deel van mensen die zich Joods noemden uit de voormalige Sovjet-Unie, naar Duitsland emigreerden. Een groot deel reisde naar Israël, een ander deel naar Amerika. Het hoofdprobleem met deze ‘Joden’ uit de voormalige Sovjet-Unie, was dat ze allen van het religieuze Jodendom ontworteld waren. De meeste van de mannen waren niet besneden en hadden geen enkel vast bewijs voor hun Joodse afkomst. Ik persoonlijk kan getuigen hoe moeilijk de situatie was in de begin jaren 90 als een massa emigranten uit de voormalige Sovjet-Unie naar Frankfurt kwamen en allen pretendeerden dat ze Joods waren. Het is evident dat de meeste van hen alleen geïnteresseerd waren in een verblijfsvergunning, consequente steun van de Duitse overheid en van de Joodse gemeenschap in Duitsland. Het probleem was zwaar omdat bij de meeste onder hen op hun paspoort de naam Ivrie (Joods) bij religie opgemerkt kon worden, hoewel we allen wisten dat dit door omkoperij en bedrog gebeurd was. Zelfs vandaag is het niet moeilijk om in deze voormalige Sovjet-landen zo een opmerking op het paspoort te krijgen. De status van deze ‘Joodse’ emigranten werd dus zeer in vraag gesteld. De meeste onder hen spraken alleen Russisch, maar wisten heel goed wat de Rabbijn te vertellen om geloofwaardig over te komen. Bijvoorbeeld aten ze met Pesach matses, was hun grootmoeder Joods, enz. Toch ontbraken echte bewijzen.

 

Vandaag heeft de conferentie van orthodoxe Europese Rabbijnen dit moeilijke dossier in handen genomen, zowel in Rusland en Oekraïne als Duitsland zijn vandaag Torah-getrouwe (Russisch sprekende) Rabbijnen en Dayanim.

De conferentie van Europese orthodoxe Rabbijnen heeft een Beit Din gesticht om speciaal autoritatief met deze problemen om te gaan. Er zijn bekende en illustere Rabbijnen die deel uitmaken van dit Beit Din. De voorzitter, Rabbi Chanoch Ehrentreu, shlita, is tevens de voorzitter van het prestigieuze Londen-Beit Din en geldt als een autoriteit op alle domeinen waarmee een Beit Din zich bezighoudt, zoals kashrut, gittin (scheiding), eruv, Din Torah en in het bijzonder over de loop van de jaren in het domein van giyur. Naast hem zijn bekende Rabbijnen, onder wie de Opperrabbijn van Moskow, onder wie HaRav HaGaon Pinchas Goldschmidt, die tevens perfect Russisch spreekt. Ook bekend is Rabbijn drs. Rafael Evers die als Dayan aan het Europese Beit Din actief is.

                                               

v.l.n.r.: Dayan Ehrentreu - Av Beth Din – London, en voorzitter van het Europese Beit Din te Bazel; Opperrabbijn Pinchas Goldschmidt - Opperrabbijn of Moscow, en president van de conferentie van de European orthodox Rabbi’s

 

v.l.n.r.: Dayan Menachem Gelley - Senior Dayan - London Beit Din; en Rabbijn Rafael Evers, drs, Dayan aan het Europese Beit Din en voorzitter van het NIK Nederland.

 

Het Europese Beit Din heeft als taak en doel dit moeilijke en pijnvolle dossier halachisch te behandelen en een autoritatieve oplossing te bieden, rekening houdend met de moeilijke omstandigheden van de voormalige Sovjet-Unie.

Naast dit grote probleem is dit Rabbinaat ook bereid te handelen met Israëli’s die een niet-Joodse partner gehuwd hebben, als die oprecht giyur wensen en volgens de verwachtingen van de halacha gaan leven. Er zijn misschien wel duizenden Israëli’s in West-Europa die spijtig genoeg niet met een Joodse echtgenoot gehuwd zijn. Sommige onder hen willen echt terugkeren naar hun wortels en een Joodse familie opbouwen, volgens Torah en mitsvot. Natuurlijk zijn dit halachisch gezien niet de ideaalste  kandidaten voor giyur, en we moeten zeker in acht nemen dat de niet-Joodse partners hier duidelijk mee geconfronteerd worden, maar toch willen we een oplossing zoeken, dit voor de toekomst van de kinderen, die anders volledig van het Jodendom afvallen.

 

Het Europese Beit Din heeft veel verdiensten op dit gebied en heeft merkelijk de situatie verbeterd, zowel in Duitsland, als in de voormalige Sovjet-Unie en zelfs in de westelijke landen waar het probleem zich voordoet van Israëli’s die een niet-Joodse partner hebben. De hoge standaard van dit Beit Din wordt praktisch van alle gemeenten in Europa erkend, alsook van de staat Israël. Meer info over dit Beit Din kunt u vinden op http://europeanbethdin.com

Zowel het hoofdrabbinaat als het Ministerie van Binnenlandse Zaken erkennen het certificaat van het Europese Beit Din. Mensen die wensen Aliya te maken of het Israëlische burgerschap willen verwerven, kiezen best voor deze Giyur, die als een van de beste aangezien wordt.

Frankrijk

 

Er leven vandaag in Frankrijk bijna 600 000 Joden. Een groot deel van hen  is van Noord-Afrikaanse afkomst. Velen van hen kwamen in de jaren 60-70 uit de Maghreb-landen (Noord-Afrikaanse landen) en hebben zich goed ingeburgerd in Frankrijk. Het probleem is dat velen zich totaal geassimileerd hebben en buiten het Jodendom gehuwd zijn. Daarnaast bestaan er ook oprechte giyur-kandidaten die zich bij het  Jodendom willen aansluiten uit liefde voor Hashem en het volk Israël. Wie kan deze mensen daadkrachtige hulp bieden op het gebied van giyur?

 

 

Beit Din de Paris

Om de samenstelling van het Beit Din van Parijs een beetje te begrijpen, moet men rekening houden met het feit dat zowel het Opperrabbinaat van Frankrijk, als het Beit Din de Paris de laatste 100 jaar grote veranderingen ondergaan hebben. Voor de Shoah waren beide instituties helemaal Ashkenazisch, niet Haredisch, maar een zeer gematigde, eerder links gerichte orthodoxie. Zo waren de Rabbijnen bijvoorbeeld gekleed met een zwarte tuniek, een witte bijhorende kol en een passende zwarte kannunikshoed. In sommige synagogen werd door niet-Joden een orgel bespeeld op Shabbat en feestdagen. Het niveau van de ‘école Rabbinique’ was op een zeer laag niveau en de meeste Rabbijnen konden ook geen Hebreeuws spreken. De meeste van hen waren Franse patriotten, spraken alleen het gebed voor de Franse Republiek uit maar dan weer niet voor de Joodse gemeenschap in Eretz Jisraeel. Door de gebeurtenissen van de Shoah vond er een enorme verschuiving plaats. Vele van de Ashkenazische Joden zijn spijtig genoeg omgekomen in de vernietigingskampen van Oost-Europa; en degenen die zich konden redden, waren over het algemeen zeer geassimileerd. Natuurlijk zijn er nog eilanden van de Ashkenazische orthodoxie zoals bij de Saint-Paul, Rue de Rosier of ook wel in Strasbourg. Het Franse Jodendom en zijn instituties worden nu gedomineerd door Sefardische Noord-Afrikaanse Joden.

 

 

Zowel het Beit Din de Paris als het Opperrabbinaat kennen nu OpperRabbijnen van Sefardische afkomst. In principe kan men wel zeggen dat het Opperrabbinaat en het Beit Din de Paris vandaag gemeenschappelijk beheerd wordt door Ashkenazim en Sefardim waarbij de Sefardische gemeenschap domineert.

 

Momenteel is de Joodse gemeenschap van Frankrijk door een schandaal binnen het hoofdrabbinaat, in het bijzonder Opperrabbijn, dooreen geschud.  Spijtig genoeg was de laatste ontslagnemende Opperrabbijn de eerste Ashkenazi sinds lange tijd. Binnenkort zullen verkiezingen volgen voor dit zeer prestigieuze ambt van Opperrabbijn van Frankrijk en haar overzeese gebieden.

 

 

Het Beit Din de Paris wordt vandaag door twee Ashkenazische Rabbijnen beheerd. Een persoonlijke kennis en vriend van mij, Rabbijn Yirmiyahu Cohen, shlita, av Beit Din en voorzitter van het Beit Din de Paris; en Rabbi Michel Gugenheim, Opperrabbijn van Parijs, die een belangrijke rol in het Beit Din van Parijs vervult en ook een hoog genoteerde kandidaat is voor de functie van Opperrabbijn van Frankrijk.

 

 

Rabbijn Yirmiyahu Cohen, shlita, was jarenlang Dayan van de Shomre Hadas gemeente van Antwerpen en werkte zeer nauw samen met Rabbi Moshe David Lieberman, shlita.

Rabbijn Yirmiyahu Cohen is bekend als een groot expert op het gebied van kasjroet en echtscheiding (gittin). Daarnaast is hij ook bekend als een groot expert op gebied van Din Torah en oude Middeleeuwse Joodse manuscripten.

Hij heeft de grootste verzameling van handgeschreven brieven van beroemde Rabbijnen, Chassidisch en niet chassidisch, die ik persoonlijk kon bewonderen.

 

v.l.n.r.: Opperrabbijn Benjamin Jacobs van Nederland, De voorzitter van het Europees Parlement, Martin Schulz, Opperrabbijn M.D. Lieberman, shlita, van de gemeente Shomre Hadas te Antwerpen en Dayan Yacov David Schmahl, eveneens van de Shomre Hadas te Antwerpen.

 

Rabbijn Michel Gugenheim is nu de Opperrabbijn van Parijs, nadat hij jarenlang de Rabbijn was van de meest prestigieuze Ashkenazi gemeente van Parijs. Daarnaast is hij nog altijd zeer actief met het  schrijven van boeken over het Jodendom. Hij was ook decennialang de meest prominente leraar aan het Rabbinaal seminarie en de école Rabbinique.

 

Rabbi Yirmiyah Menachem Kohen

Head of Paris Beit Din (Jewish Court), France

Rabbi Michel Guggenheim

Grand Rabbin de Paris

Dayan at the Beth Din de Paris

 

 

De giyurafdeling wordt momenteel door Rabbijn Yves-Henri Marciano, shlita, geleid. Algemeen kunnen we vaststellen dat het niveau van het Beit Din de Paris relatief hoog is en het giyurcertificaat door het hoofdrabbinaat van de staat Israel erkend wordt. De kennis van de Franse taal is conditio sine qua non, een examen in Engels en zelfs in Ivriet is niet mogelijk. De procedure bestaat uit vier fasen:

-          De kandidaat stuurt een verzoek om giyur te doen. Dat houdt een grondige motivatie in,  begeleid van een aanbevelingsbrief van de mentor en begeleider, en indien mogelijk, ook van de gemeente-Rabbijn en religieuze personen uit de plaatselijke  Joodse gemeente.

-          De brief wordt grondig nagekeken door de voorzitter van het giyurdepartement, waarop een overleg en beoordeling volgt. Er wordt een datum vastgelegd waarop een kennismaking en kleine leestest en kennis van de Halacha volgt. Indien deze ontmoeting / voorstelling succesvol verlopen is, vindt er twee of drie maanden later een schriftelijk examen plaats

-          Dit 3 uur durende examen is zeer intensief, soms met meerkeuzevragen, over allerlei onderwerpen. Je moet succesvol 70% beantwoorden om naar de volgende ronde over te gaan.

-          Als je bent geslaagd, wordt je voor een ontmoeting uitgenodigd in het Beit Din de Paris, om er een mondeling examen af te leggen, dit voor drie Rabbijnen, waarbij dan meestal de mikve volgt. Twee of drie maanden later wordt het giyurcertificaat ontvangen in het Frans en het Ivriet, waarbij de kosten voor het Beit Din een €800 bedragen. De kandidaat moet zelf zorgen voor een mentor en begeleider die door het Rabbinaat geaccepteerd is en contacten heeft en de kosten van de lessen zelf betalen. Deze mentor staat ook garant tegenover het Beit Din dat de kandidaat echt gemotiveerd is en een Joods religieus leven zal gaan leiden.

 

Het Beit Din de Paris accepteert ook vrouwelijke kandidaten die samenleven met een Joodse partner, burgerlijk gehuwd zijn of een huwelijk plannen, waarbij het Beit Din er grote nadruk op legt dat de Joodse partner zich actief met Jodendom bezighoudt en echt een wil en engagement toont om het Jodendom te praktiseren of terug te keren naar de religieuze roots.

Kritisch moet men vaststellen dat dit examen meer of minder academisch opgebouwd is, en dus tot gevolg heeft dat vele kandidaten zich na de giyur niet religieus gedragen. Er wordt weinig aandacht op de religieuze overtuiging gelegd en ook de leesvaardigheid is op zeer laag niveau. Toch is dit een goede optie voor Frans sprekende kandidaat giyurim die onmiddelijk een halachisch erkende giyur wensen te hebben.

Een Haredisch orthodoxe Beit Din zal waarschijnlijk deze giyur niet erkennen. Ook in het zuiden van Frankrijk, Marseille, bestaat een consistoriaal Beit Din die een afdeling voor giyur heeft. De voorwaarden en het giyurproces lopen praktisch op dezelfde manier als in Parijs. Meer info kan men vinden op de website van de Franse Consistoire Israëlite.

 

Het orthodoxe Beit Din van de Haredische gemeenschap in Parijs, onder de leiding van HaRav HaGaon Mordechai Rottenberg, shlita.

De orthodoxe Ashkenazische gemeenschap van Parijs is georganiseerd voor de zogenoemde verenigde Torahgetrouwe gemeenten van Parijs onder de leiding van Opperrabbijn HaRav Mordechai Rottenberg, Shlita. Deze gemeente die in de jaren ’70 ontstaan is, heeft een complete infrastructuur; een eigen Beit Din die zich vooral met kasjroet en Din Torah bezighoudt. Verder is dit Beit Din ook selectief met giyur bezig. Er zijn aparte scholen voor jongens en meisjes, een kindergarden, een yeshivah en een mikve. Verder staan ook meerdere slagerijen, bakkerijen en een restaurant onder het toezicht van Rav Mordechai Rottenberg, shlita, en gelden als ‘lemahadrin’, super koosjer. Bovendien verleent Rav Rottenberg kasjroetcertificaten aan verschillende producten zoals bijvoorbeeld wijn en zuivel; er is een toezicht over de koosjere hotels in Frankrijk en het Europese continent.

 

Rav Mordechai Rottenberg komt van een zeer illustere Rabbijnse familie. Zijn grootvader was de Opperrabbijn van de orthodoxe gemeente Machsike Hadass in Antwerpen tijdens de Shoah-periode. De opa, ook Rabbi Moredechai Rottenberg, had de mogelijkheid zich te redden met een certificaat die zijn dochter hem en zijn familie bezorgde. Helaas, zoals een echte en ware leider en Rabbijn, weigerde hij deze mogelijkheid. Hij kwam om in 1944 in de vernietigingskampen van oost-Europa. Voor mij persoonlijk is zo’n figuur iemand die bewust met zijn gemeente de dood instapt, hen niet achterlaat, een waar voorbeeld. Spijtig genoeg heb ik in een ander essay geschreven dat er ook chassidische Rebbes waren die zich wel lieten redden met een certificaat, maar toch zijn veel van hun volgelingen omgekomen in de vernietigingskampen van Auschwitz.

 

 

Rav Rottenberg Mordechai

(opa) (1872-1944)

Rav Hayim Yaakov Rottenberg

(zoon) (genoemd ‘Le Rouv’)

Rav Mordechai Rottenberg Junior

(Grand-Rabbin Agoudas Hakehilos,

Rue Pavee 10 75005 Paris)

Dayan, Rabbi Messod Hamou

verantwoordelijk voor de afdeling giyur.

 

 

De zoon, Rabbi Chayim Yaakov, is wonderbaarlijk gered geworden en keerde na de Shoah naar Antwerpen terug, waar hij als Dayan van de gemeente fungeerde. Door een ruzie in de gemeente, betreffende zijn voorrecht om als Opperrabbijn van de Machsike Hadass gemeente van Antwerpen te fungeren, verliet hij Antwerpen en vestigde zich in Parijs. De gemeente heeft deze ruzie zwaar betaald.

 

Rabbi Yaakov Chayim Rottenberg vestigde zich in Parijs, in de bekende Joodse wijk St. Paul ‘pletsel’, waar hij aan de Rue Pavais een heel complex van gemeente-instituties vanuit de grond oprichtte. Hoewel hij zelf Ashkenazisch was, waren en zijn de meeste medeleden  Sefardisch die tonen hoe hoogwaardig en liefdevol deze familie bij de meerderheid van de Joodse bevolking van Parijs gewaardeerd is. Het is wel aan hem te danken dat vele Sefardische Joden die op de rand van assimilatie waren, door hem terugkeerden naar een authentiek religieus Jodendom. Na zijn overlijden nam zijn zoon (Rabbi Mordechai Rottenberg, shlita) de leiding van de gemeente. Zijn schoonzoon heeft de leiding van de scholen overgenomen zodat alles in de familie blijft.

 

 

Wat giyur betreft, is het giyurcertificaat van het Beit Din van Rav Rottenberg zeer prestigieus en een van de weinige giyurcertificaten dat de Machsike Hadass- gemeente van Antwerpen erkent. Anders dan het Beit Din van Parijs die een klemtoon legt over het weten en vooral bekend is door de schriftelijke examens, die ons herinneren aan de universitaire studies, is het Beit Din van Rav Rottenberg zeer selectief met de aanvaarding van kandidaten. Deze kandidaten moeten 100% een haredische visie op het leven hebben. Rav Messod Hamou, shlita is de rechterhand van het Beit Din op ‘t vlak van giyur. Als iemand wenst bij dit Beit Din opgenomen te worden, is het zeker en vast de overtuiging van Rav Messod Hamou, shlita, die de kandidaat aanvaardt of niet. Een ware proseliet doet geen giyur omwille van de liefde voor een man of een vrouw, maar alleen voor de liefde voor Hashem. Uit meerdere gesprekken moet de hashkafa (outlook/filosofie) van de kandidaat duidelijk worden en overtuigen dat er een waar Haredisch zicht is op Joods leven. Weinig vragen richten zich op de Halacha en de praktijk, omdat dit Beit Din dit als vanzelfsprekend vindt.

 

Dit Beit Din is bekend voor zijn hoge standaard en is voor de meeste giyur-kandidaten te moeilijk. In mijn persoonlijk praktijk heeft een vrouwelijke kandidate de giyur daar succesvol beëindigd, anderzijds heeft een kandidaat, wegens zijn visie die niet conform de Haredische visie was, het proces in het midden gestopt en besloten om de giyur verder te doen bij het Beit Din van Parijs, waar nog weinig Haredische eisen gesteld worden; en meer de nadruk gelegd wordt op het weten.

 

 

 

 

 

 

Het Beit Din van Lyon onder de leiding van HaRav Hagaon Touboul, shlita

 

Lyon is de tweede grootste stad van Frankrijk en beschikt over de tweede grootste Joodse gemeenschap. De meeste Joden die daar leven zijn van Sefardische afkomst, meestal van de Magreb – landen. Er is verder een kleine Ashekenazische gemeente in Frankrijk die wel functioneert, maar meer in de schaduw van de grote Sefardische gemeenschap. De Joodse gemeenschap van Lyon heeft een volledige infrastructuur. Naast een Rabbinaat, Joodse religieuze scholen, mikva’s en vele gemeente-activiteiten, heeft de Joodse gemeenschap een orthodox Beit Din onder de leiding van HaRav HaGaon Yahyia Teboul die van Tunesische afkomst is. Rav Teboul spreekt vloeiend Frans, Hebreews en Arabisch. Hij is in de Europese Rabbijnse wereld bekend op het gebied van Kasjrut, Gettin en op het vlak van Giyur. Zijn verwachtingen en standaarden zijn zeer hoog, en in principe is hij zeer selectief in het accepteren van Giyur-kandidaten. Hij accepteert alleen kandidaten uit altruïstische motieven en nadat de kandida(a)t(e) inwoont bij Joodse families en meedoet met hun religieus- orthodoxe praktijk, dit tenminste 6 maanden. Naast het beoefenen van de praktische halacha is motivatie en de Joodse authentieke visie op het leven een van de basisprincipes waar de kandida(a)t(e) moet over beschikken. Integratie in de Joodse gemeenschap moet reeds gebeurd zijn. Het vloeiend lezen van de Siddur en het kennen van de brachot uit het hoofd, alsook het wonen in een Joods religieuze gemeenschap gelden als één van de criteria waarop de opname wel of niet gebeurt.

 

 

Persoonlijk heb ik één kandidate naar hem doorverwezen die na een relatief lang proces van het inwonen bij families in Antwerpen als kandidate aangenomen werd. Het probleem stelde zich dat HaRav Teboul, shlitah, geen Engels spreekt. Zodoende moest een tolk voorhanden zijn, die het Frans naar het Engels vertaalde. Een pikant incident gebeurde bij deze ontmoeting: de kandidate bood men tijdens de ondervraging een glas water aan, die ze prompt uitdronk zonder voorafgaande bracha, dit hoogstwaarschijnlijk door haar nervositeit. Ik help alle giyurkandidaten dit te herinneren, dat dergelijke ‘faux-pas’ niet mag gebeuren. Het gevolg van deze ongepaste fout was dat de Rabbijn de kandidaat pas terug wilde ontmoeten na een extra voorbereiding van zes maanden. Zoiets kan men onmiddellijk oplossen door zich te excuseren, de bracha te zeggen en verder te drinken. Het giyurcertificaat is erkend bij de Joodse gemeente Shomre Hadass te Antwerpen. Het is wel een prestigieuze giyur, maar toch stelt Rav Teboul, shlita, hoge eisen die voor vele giyurkandidaten te moeilijk zijn.

 

Rabbi Yahyia Teboul

Rosh Beit Din van Lyon, France

 

Giyur bij het Hoofdrabbinaat van Italië.

 

Opperrabbinaat van Rome.

 

Italië heeft een middelgrote gemeenschap met twee grote gemeenten in de hoofdstad Rome en in de grote industrie -en handelsstad Milaan.

 

Emeritus Chief Rabbi of Rome, Rabbi Elio Toaff(1915-), greeting

Pope John Paul II outside of the synagogue of Rome

 

De overige gemeenten zijn over de rest van de hele ‘stiefl’ (laars) van Italië verspreid, meestal zijn dit zeer kleine gemeenten, met het allerminste om Joods te leven, of papiergemeenten, met historische synagogen of begraafplaatsen. Op de website van het Opperrabbinaat van Rome die in het Italiaans geschreven is, is duidelijk te lezen dat in Italië de mogelijkheid bestaat om via het Hoofdrabbinaat een giyur uit te voeren. In de inleiding die op google vertaald is, vallen drie punten op:

-          Het is uitdrukkelijk vermeld dat een giyur geen splitsing van  familie of ruzie tussen familieleden mag veroorzaken, we moeten elkaar respecteren en zeker een giyurkandidaat tegenover zijn ouders en andere leden van de familie.

-          Het wordt herhaaldelijk betoond dat het Jodendom zeer hoge eisen stelt en in principe een praktiserende Noachide ook als een rechtvaardige onder de volkeren aangezien wordt. Er wordt gesuggereerd dat men zich hierover goed moet informeren, om misschien toch de meer gemakkelijke weg van Noachide te kiezen.

-          Het wordt niet vermeld dat men Italiaans of resident van Italië moet zijn, waardoor de diensten van het Opperrabbinaat eventueel ook voor buitenlanders open staan.

 

Ik was het meest onder de indruk van de volgende opmerking: Elk giyur-proces is niet besloten totdat, met G’D’s hulp, de derde Tempel zal opgebouwd worden en de Ger- en of Giyoret een dankoffer brengt, ter gelegenheid van zijn opname in het Jodendom en onder de vleugels van de Shechinah. Dit optimisme en de hoop op de derde Tempel in samenhang met giyur, vind ik prachtig, en voor allen die zich met giyur bezighouden zeer inspirerend.

 

Chief Rabbi of Rome, Rabbi Riccardo di Segni(1949-)

 

Giyur in het Verenigd Koninkrijk.

 

Voorgeschiedenis:

Tijdens de hoge Middeleeuwen woonden er Joden in Engeland en dan vooral in Zuid-Engeland zoals bijvoorbeeld Londen en York. Het waren doorgaans kleine gemeenschappen, die zeer eng verbonden waren met de Joodse gemeenschap op het continent. Er waren in Londen ook rabbijnen actief die tot de Tosafisten gerekend worden. De Tosafisten waren  Rabbijnen van de school van Rashi die de gehele  Babylonische Talmoed van een kritische-analytische commentaar voorzien hebben. De school van de Tosafisten had haar zwaartepunt in Noord-Frankrijk in de  Champagne-streek en in West-Duitsland in de Reinvallei met als voornaamste centra Mainz, Worms en Speyer.

 

In een klimaat van economische crisis en in combinatie met kerkelijk-religieus anti-judaïsme werden de joden van York in 1190 brutaal omgebracht toen hoewel ze toevlucht hadden gezocht in de citadel van York. Ongeveer 50 jaar geleden heeft men de stoffelijke resten van de Joodse slachtoffers die in de pogrom waren omgekomen ontdekt en vervolgens in een zeer bewogen ceremonie op een Joodse begraafplaats een laatste rustplaats  gegeven. Een eeuw later zou koning Edward I zelfs bevelen dat alle Joden voor alle eeuwigheid Engeland moesten verlaten. Het is daarom ook vrij bizar dat bijvoorbeeld William Shakespeare (1564-1616) in zijn toneelstuk ‘The merchant of Venice’ de Joodse hoofdfiguur Shylock zo negatief kan voorstellen hoewel hij nooit in zijn gehele leven een Jood ontmoet heeft.

 

De grote ommekeer voor het Joodse leven in Engeland kwam er onder  het “Commonwealth” van Oliver Cromwell (1599-1658). Cromwell, een gepassioneerde republikein die de monarchie afgeschaft had was een puriteinse fundamentalist die als zovele Calvinisten een grote nadruk legde op de Tanach. Hij kende alle verhalen over de stamvaders en de koningen van Judea en Israël en was in principe Joden goed gezind. Het is vooral de verdienste van een zeer bekende Portugees-Hollandse Rabbijn met de naam Menashe Ben Israel (1604-1657) dat de Joden ten tijde van Cromwell terug mochten keren naar Engeland. Rabbi Menashe Ben Israel was een charismatisch rabbijn met een encyclopedische kennis en een polyglot(iemand met een hoge graad van taalbeheersing). Naast zijn moedertaal Portugees sprak hij vloeiend Spaans, Nederlands, Hebreeuws, Latijn en nog een aantal andere talen. Hij was een zoon van Maranos.

 

Menashi Ben Israel (1604-1657) De enige Rabbijn die door de wereldberoemde schilder Rembrandt geschilderd werd. Deze tekening bevindt zich in het Rijksmuseum van Amsterdam.

Samen met zijn familie keerde hij in Holland terug tot het Jodendom en vatte rabbinale studies aan en behaalde daardoor zijn rabbijnse wijding. Hij was zo’n getalenteerd rabbijn en begenadigd spreker dat  zijn gaven zelfs christelijke geestelijken en kerkgangers aantrokken onder andere om lessen in de retoriek te krijgen. Hij had ook een brede vriendenkring in de niet-Joodse wereld, zowel onder kerkelijken als vrijdenkers. Een van zijn beste vrienden was de wereldberoemde schilder Rembrandt welke hem vereeuwigde op bovenstaande tekening. Hij stichtte een gemeente met de naam Neve Shalom welke later met twee andere gemeenten fuseerde tot de  beroemde Joods-Portugese synagoge Esnoga (gesticht in 1675). Hij stichtte ook de eerste Joodse drukkerij in Nederland waar hij  talrijke Joodse boeken uitgaf gericht op de Joods-Portugese Gemeenschap in Amsterdam. Hij was ook auteur van vele werken waaronder ‘Nishmat Chayim’, een belangrijk werk over de menselijke ziel en haar wederwaardigheden na de dood. Een ander belangrijk werk was Esperanza Israel in welke hij de thesis stelt dat Messiaanse verlossing zal plaatsvinden als Israël over alle landen van de wereld verspreid zal zijn. Deze laatste gedachte was trouwens één van de doorslaggevende argumenten waarmee Rabbi Menashe Ben Israel Oliver Cromwell - die zoals gezegd een christelijke fundamentalist was – kon overtuigen de Joden terug te laten keren naar Engeland. Jammer genoeg zou het nog een tijd duren tot Cromwell en zijn opvolger officieel hun toestemming zouden geven, wat ervoor zorgde dat Rabbi Menashe – die op de jonge leeftijd van 53 jaar stierf – de terugkeer niet meer zou meemaken. Zijn graf bevindt zich in de Joodse Sefardische begraafplaats ‘Oude Aarde’ aan de Amstel, de eerste Joodse begraafplaats in Nederland. Als dank voor zijn verdienste voor het Brits Jodendom is er naast zijn begraafplaats een monument opgericht dat verwijst naar zijn inspanningen ter zake.  De eerste golf van  Joden die naar Engeland gingen waren Portugees-Sefardische Joden die zich meestal in London en Manchester vestigden. Ze bouwden hun synagogen in dezelfde stijl als de Esnoga in Amsterdam. Onder deze groep Joden was één beroemde Joodse filantroop en Tsion-liefhebber (een pionier in het aanmoedigen van Joods leven in Ereztz Israel) Moses Montefiore (1784-1885).

 

Moses Montefiore (afbeelding op een biljet van 10 Israëlische pond)

Vanaf de 18e eeuw kwamen meer en meer West-Europese Joden uit Duitsland (waaronder bijvoorbeeld de Rothschild-familie) en vele Oost-Europese Joden.

 

 

Eerste Chief Rabbi van het Verenigd Koninkrijk, Opperrabbijn

Nathan Adler (1741-1800)

 

De instelling van het Britse Opperrabbinaat gaat terug op de 18e eeuw met Opperrabbijn Nathan Adler (1741-1800). Hij kwam uit een zeer prominente Duitse Rabbijnse familie, Frankfurt Am Main om precies te zijn, en hij droeg dezelfde naam als een van zijn illustere voorvaderen. Hij was een zeer geleerde man en schreef een commentaar op de Aramese vertaling van de Chumash (de zogenaamde Targum Onkelos), Netina La’Ger.  Hij was daarmee een pionier in de studie van deze vertaling. Hij kleedde zich net zoals de Anglicaanse clerus en met hem begint het ambt van Opperrabbinaat in het Verenigd Koninkrijk. Deze instelling zou later ook de inspiratie vormen voor gelijkgeaarde organen in Frankrijk, Italië, Nederland en uiteraard het moderne Israël. Het is de taak van het Opperrabbinaat richtlijnen en adviezen te geven aan de individuele Rabbijnen die aan haar jurisdictie onderworpen zijn, nieuwe rabbijnen aan te stellen, hun inhuldigingen uit te voeren en essentiële diensten zoals een ‘Beit Din’ (court of the chief Rabbi) in te richten. Deze diensten staan ter beschikking van alle leden van iedere gemeente die zich aangesloten heeft bij het opperrabbinaat,  of zoals ze in het Verenigd Koninkrijk bekend staat, the United Synagogue.

 

Er heeft zich in het Britse opperrabbinaat overigens sinds de Tweede Wereldoorlog een opmerkelijke evolutie voorgedaan. Door de komst naar Engeland van een groot aantal Oost-Europese Joden, meestal Chassidisch of Yeshivisch, heeft zich ook een verandering voorgedaan in bezetting van de Rabbijnse posten van de United Synagogue.   Er zijn met name vandaag veel hogere verwachtingen van de Rabbijnen op gebied van hun Joodse opleiding. Zo wordt vandaag van bijvoorbeeld  de Opperrabbijn verwacht dat hij een opleiding van tientallen jaren in Yeshivot achter de rug heeft naast een mogelijke  academische opleiding.

 

Chief Rabbi Israel Brodie (1895-1979), de achtste Opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

 

Ik had het privilege de drie laatste Opperrabbijnen van het Verenigd Koninkrijk persoonlijk te leren kennen. Chief Rabbi Israel Brodie (1895-1979) was tijdens de Tweede Wereldoorlog hoofdaalmoezenier van het Britse leger in Europa. Later is hij benoemd tot Chief Rabbi van de United Synagogue en het Verenigd Koninkrijk. Hij was een man van de oude garde, legde veel nadruk op mooie voordrachten in perfect Brits Engels en werd zeer gewaardeerd om zijn vriendelijkheid.  Wat zijn Torahkennis aanbelangde werd hij niet zeer gewaardeerd door de ultra-orthodoxie. Hij was nog een typisch Engelse gentleman die het oude Brits-Joodse conventionele establisment en haar traditie vertegenwoordigde, hetgeen tot een zekere kloof leidde met de Charedische nieuwkomers uit Oost-Europa.

 

Chief Rabbi Immanuel Jacobovits (1921-1999), de negende Opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

 

Zijn opvolger was Chief Rabbi Immanuel Jacobovits (1921-1999). Hij werd geboren in Köningsberg in Oost-Pruissen. Zijn vader Rabbijn Julius Yacobovits was de Rabbijn van de orthodoxe gemeente in Köningsberg. Hij was zeer bevriend met mijn grootvader Rav Chaim Juda Daum (1889-1965) die in deze gemeente als Chazan en Schochet fungeerde. Beide hebben urenlang elke dag samen Talmoed en Tanach bestudeerd. Door de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog kwam Immanuel Jacobovits als kind met het beroemde kinderentransport naar Engeland. Gelukkig konden zijn ouders nog op het laatste moment  naar Engeland vluchtten. Rav Julius Joël Jacobovits was bij de United Synagogue aangesteld als Dayan. Zijn zoon Immanuel leerde in verschillende Yeshivot (Talmud academieën) en ontving van beroemde Rabbijnen de Rabbinale wijding (de toelating en mogelijkheid het ambt van Rabbijn uit te oefenen). Hij wou ook zeer graag zijn algemene opleiding op universitair niveau vervolledigen en beeïndigde zijn universitaire studies met een Doctorstitel die hij behaalde op een thesis over de Halacha en medische vraagstukken.  Er waren een aantal cynici die smaalden om het feit dat  Chief Rabbi Immanuel Jacobovits zoveel publiceerde  op het gebied van Halacha en geneeskunde, door hem voor te werpen dat hij eigenlijk een  gefustreerde Rabbijn was die zijn ware ambitie om geneesheer te worden niet kon waarmaken.

 

Chief Rabbi Immanuel Jacobovits begon zijn Rabbinale carrière als Chief Rabbi van Ierland. Hij volgde in de voetstappen van Chief Rabbi Isaac HaLevi Herzog (1888-1959) die eerst als Opperrabbijn van Ierland fungeerde en later als Ashkenasische Opperrabbijn van Israël. Chief Rabbi Immanuel Jacobovits werd later benoemd als Rabbijn van de meest prestigieuze gemeente in Manhattan, the 5th Avenue Synagogue. In 1966 werd hij dan verkozen tot Chief Rabbi of the United Synagogue and the Provinces and the Commonwealth.

 

Ofschoon dat hij van Joods-Duitse afkomst was sprak hij bijna feilloos en accentloos Engels. Hij was groot retoricus en betoverde zijn toehoorders met zijn prachtige speeches maar hij was ook een zeer populaire figuur in de niet-Joodse wereld. Hij was een favoriete vriend en raadgever van Premier Margaret Thatcher (1925-2013) en was ook een zeer intieme vriend van de koningin Elisabeth II die hem in de adelstand verhief. Hij onderhield ook zeer goede relations met de geschreven pers, radio en televisie. Hij omgaf zich ook met professionelen op alle gebieden en maakte het ‘Beit Din’ van Londen, onder Dayan Chanoch Ehrentreu, tot een zeer aangezien Beit Din.

 

Chief-Rabbi Jacobowiz trad op zijn 70ste verjaardag terug, wat trouwens de algemene regel is bij de Britse Hoofdrabbijnen. Er valt veel te zeggen voor deze praxis aangezien zo ruimte gecreerd wordt voor iets jongere krachten en zo ook voorkomen wordt dat het Hoofdrabbinaat voor vele jaren een fossiel kan worden onder een hoogbejaarde Hoofdrabbijn. Helaas heeft deze praktijk geen school gemaakt bij andere Orthodoxen en Ultra-Orthodoxe rabbinaten, waar de Rabbijnen doorgaans in het zadel sterven, hetgeen er vaak toe leidt dat vele gemeenten soms decennialang weliswaar in naam een rabbijn hebben die echter in de praktijk totaal niet meer in staat is zijn opgaven te vervullen.  Na zijn pensioen heeft Rav Jacobowiz zich vooral toegelegd op de maatschappelijke vertegenwoordiging van het Jodendom door onder andere vele lezingen en het publiceren van een aantal boeken (waaronder zijn memoires) en hij gebruikte ook zijn zetel in het Britse House of Lords als een forum voor het presenteren van een Joodse visie op een aantal maatschappelijke domeinen zoals onder andere religieuze vrijheid.

 

Chief Rabbi Jonathan Sacks (1948-), de tiende Opperrabijn van het Verenigd Koninkrijk.

 

Rav Jacobowizs opvolger was Chief Rabbi Jonathan Sacks, shlita (geb. 1948) die uit een zeer typische Brits-Joodse familie van de United Synagogue strekking stamt. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Cambridge en behaalde later ook zijn doctoraat in dit domein aan de Universiteit van Oxford.  Daarnaast studeerde hij aan Jew’s College, University of London, ook Rabbinistiek met als doel het behalen van zijn rabbinale wijding (Smicha). Ik had het privilege hem toen te leren kennen wanneer we gezamenlijk Talmoed studeerden bij de toenmalige rector, Rav Nachum Rabinovich (geb. 1928) die vandaag directeur is van de Yeshiva “Maalei Adumim” in Israel. Mijn indruk van hem was toen reeds dat hij een zeer grote  “Scholar” was, die de Talmoed op een zeer systematische en academische manier wist te benaderen. Hij behaalde uiteindelijk zijn ordinantie in 1977, een ordinantie die mede ondertekend was door Rav Jacobowitz en Rav Nachum Rabinovich. Later zou Rav Sacks zelf rector worden van Jew’s College en ook  fungeren als Rabbijn van een aantal synagogen, daaronder ook  het vlaggenschip van de Londense synagogen: The Marble Arch synagogue.

 

In 1991 werd hij dan verkozen als opvolger van Rav Jacobovitz. Zijn ambtsperiode werd gekenmerkt door een aantal grote tendensen. Ten eerste was hij een echte Media-Rabbijn die een zeer graag geziene verschijning was op zowel televisie, Radio als de geschreven pers. Dit was voornamelijk te danken aan het feit dat hij een zeer intelligent man is die de kunst van de communicatie tot in de puntjes beheerst. Ook was hij er vroeg bij om het internet in te zetten als een communicatiekanaal en bouwde hij de website van het Hoofdrabbinaat uit tot een belangrijk instrument van outreach voor Joden wereldwijd. Zo zijn zijn commentaren op de wekelijkse Thora-lezingen, onder de titel “Covenant and Conversation”, vandaag voor zeer velen een essentieel deel van de week. Vanwege zijn grote intelligentie, onderlegdheid in zowel Joodse als algemene cultuur en wetenschap en zijn gematigde houding is hij voor velen het symbool geworden van een moderne, intellectueel verantwoorde Orthodoxie die probeert de idealen van Rav Samson Raphael Hirsch (1808-1888) en Rav J.B. Soloveitchik (1903-1993) te vertalen naar de 21ste eeuw.

 

Een ander kenmerk van zijn ambstperiode was de grote hervorming van de instellingen van de United Synagogue. Zo heeft hij ten eerste de, bij zijn aantreden, zeer gedecentraliseerde structuur van de US grondig geherorganiseerd waarbij het beslissingzwaartepunt terug verschoof naar het centrum. Ook richtte hij zich sterk op een revitaliseren van de individuele synagogen die in de voorafgaande decennia enigszins waren ingedommeld. Zo vond er ten eerste een grote verschuiving plaats op het gebied van de rabbijnen in het veld. Waar tot dan toe bij rabbinale benoemingen het voornamelijk erop aankwam dat de Rabbijn een convenabele verschijning was, hanteerde Rav Sacks een politiek waarbij van nieuwe rabbijnen verlangd werd dat ze naast een goede algemene opleiding ook een grondige Joodse opleiding in Yeshivot doorlopen hadden en als Thorageleerden konden beschouwd worden. Dit leidde er ook toe dat het Rabbinaat van de US ook meer aanvaard werd door de charedische Orthodoxie. Op gebied van het Beit Din zette Rav Sacks de politiek van zijn voorganger verder en gaf hen zelfs nog meer autonome macht wat er ook toe geleid heeft dat het US Beit Din van London vandaag zeer hoog aanzien geniet, ook in charedische kringen die vandaag de kashrut en giur van dit Beit Din aanvaarden.  Het is zelfs vandaag het geval dat charedische rabbijnen hun giyur-kandidaten doorsturen naar dit Beit Din, hetgeen in het verleden niet altijd het geval was. Ook op het kasjroet-gebied heeft er zich een professionalisering voorgedaan die er toe geleid heeft dat ook in charedische kringen dit toezicht vertrouwd wordt.

 

Een andere manier waarop Rav Sacks zich onderscheidde van zijn voorgangers was het belang dat hij hechtte aan Outreach. In de decennia daarvoor was er steeds een groter desinteresse voor de religie binnen het Britse-Jodendom geweest, een probleem waarop het traditionele rabbinaat geen antwoord wist te formuleren. Sacks daarentegen zag de noodzaak in om deze uitdaging aan te nemen waarbij hij inspiratie haalde bij het voorbeeld van Rav Menachem Mendel Shneerson (1900-1994) en zijn Lubavitch-Chabad beweging. Het staat buiten kijf dat er enorme  ideologische en levensbeschouwelijk verschillen waren en zijn tussen Rav Sacks en de Lubavitch-filosofie, maar dat neemt niet weg dat hij hun nadruk op outreach zeer respecteerde en vele van hun technieken zelf geïmplementeerd heeft. Meer nog, zijn outreach hield geen halt aan de grenzen van de Joodse wereld. Aangezien hij  zulk een hoog opgeleid, intelligent en gematigde denker is werd hij ook een figuur in Groot-Brittannië die in het algemeen als een van de belangrijkste verdedigers van religie en haar maatschappelijke rol geworden is. Het mag opmerkelijk genoemd worden dat vele Christenen, Moslims, Sikhs en Hindoes vandaag graag verwijzen naar zijn boeken wanneer zij argumenteren voor de belangrijke rol van geloof in ons postmoderne tijdsgewricht. Ook legde Rav Sacks altijd grote nadruk op interreligieuze dialoog met de verschillende religieuze gemeenschappen die het Verenigd Koninkrijk rijk is. Zo is hij onder andere een persoonlijke vriend van de voormalige aartsbisschop van Canterbury the Reverend Rowan Williams. De erkenning die Rav Sacks geniet binnen de Britse samenleving als geheel wordt ook weerspiegeld door het feit dat hij een aantal jaren geleden in de adelstand verheven is door de Britse Koningin. Hij heeft trouwens daarna zijn zetel in het Britse Hogerhuis, die automatisch vasthangt aan een nieuwe adellijke titel, ook gebruikt als een forum voor zijn ideeën over religie in de hedendaagse samenleving. Zijn maatschappelijke rol strekte zich zelfs uit voorbij de grenzen van de UK. Zo is hij niet alleen een belangrijke figuur voor de Amerikaanse Modern-Orthodoxie, maar hij was een een prominente spreker voor de Nederlandse Senaat toen die hun debat voerden over de rituele slacht. Daarnaast probeerde hij ook min of meer een modus vivendi te bereiken met de liberale stromingen binnen het Jodendom. Hoewel het uiteraard nooit tot een “verzoening” gekomen is  slaagde hij erin, een paar kleinere incidenten daargelaten, een open broederstrijd te vermijden. Door zijn algemene gematigdheid vormde het ook geen onoverkomelijk probleem voor deze mensen dat hij vaak optrad als een algemene vertegenwoordiger van het Jodendom binnen de Britse samenleving.

 

Samenvattend kan gesteld worden dat er binnen zijn ambtstermijn vele positieve impulsen zijn gegeven aan het Britse Jodendom. De door hem ingevoerde vernieuwingen hebben de United Synagogue aanzienlijk sterker gemaakt  dan ze ooit geweest is. Hij heeft een begin gemaakt met het aanpakken van enkele acute problemen van het Britse Jodendom en het lijdt geen twijfel dat hij sterk gemist zal worden nu hij eind Augustus 2013 zijn amt na 22 jaar heeft neergelegd. Dit zal echter ongetwijfeld geen eindpunt zijn van zijn openbare leven. Algemeen wordt verwacht dat hij zich nu meer zal gaan toeleggen op zijn publicaties en public speaking tours.

 

V.l.n.r. Chief Rabbi Ephraim Mervis (1956-), de elfde Opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk; Emeritus Chief Rabbi Jonathan Sacks en prins Charles, Prince of Wales.

 

De kersverse opvolger van Rav Sacks als Brits Opperrabbijn  is Rav Ephraim Mervis (geb. 1956). Hij is oorspronkelijk geboren in Zuid-Afrika en is daarna naar Israel getrokken waar hij studeerde aan de twee belangrijkste yeshivot van de Nationaal-Religieuze strekking met name “Kerem B’Yavne” en “Har Etzion” onder de toenmalige leiding van  Rav Amital, Satzal. Hij zou dan uiteindelijk zijn rabbinale wijding behalen aan het beroemde rabbijnse seminarie “Machon Ariel”, een seminarie dat onder de bescherming staat van zowel de Ashkenazische als de Sefardische Hoofdrabbijnen van Israel. Ook behaalde hij een Bachelor graad in  Pedagogie en Klassiek Hebreeuws aan de “University of South Africa”.

 

Zijn eerste grote Rabbijnse post was als als Hoodrabbijn van Ierland, gestationeerd in Dublin. Later zou hij dan de Ierse zee oversteken om in Londen de reeds hierboven vernoemde Marble Arch synagoge te gaan leiden. Zijn grootste wapenfazet als “Pulpit-rabbijn was echter zijn latere werk in de US Finchley Synagoge. Deze gemeente was terechtgekomen in een neerwaartse spiraal met een grote uitstroom. Rav Mervis wist echter deze tendens om te keren en bleek in staat dit tanende gebedshuis te transformeren tot één van de meest actieve synagogen van groot Londen. Het zijn voornamelijk dit organisatietalent en mobilisatievermogen geweest die voor hem hebben gepleit in de recente race om het Opperrabbinaat. Velen waren blijkbaar van mening dat de eerste prioriteit van de United Synagogue nu hoort te liggen bij het versterken en uitbouwen van haar appeal voor alle Britse Joden hetgeen een zeker talent vereist voor “communitybuilding”. Rav Mervis werd duidelijk gezien als iemand die hierin reeds zijn sporen had verdiend. Dit neemt niet weg dat er daardoor wel een grote stijlbreuk binnen het opperrabbinaat. Waar Rav Jakobowitz en Rav Saks alle twee eerder een academische  stijl hanteerden en zich zeer bewust waren van hun publieke rol, treedt er met Rav Mervis iemand aan die een meer volkse stijl lijkt te prefereren en zich voornamelijk wil gaan toeleggen op praktische aangelegenheden.

 

Alle verschuivingen in het opperrabbinaat ten spijt, zal op een aantal cruciale domeinen de politiek van de United Synagogue op de middellange termijn stabiel blijven. Zoals immers hierboven reeds gezegd is, beschikt de US over een in hoge mate autonoom Beit Din dat in cruciale vragen zoals kasjroet, gioer en Din Thorah los van de Opperrabbijn de marsrichting aangeeft. De wortels van het huidige Beit Din van de United Synagogue liggen reeds in de 18de Eeuw toen de eerste Britse Opperrabijn, Nathan Adler, een “Court of the Chief Rabbi” instelde. Dit rabbinale gerechtshof zou tot aan de vroege 20ste eeuw binnen de wereld van de rabbinale rechtspraak een eerder perifere positie innemen. Dit zou drastisch gaan veranderen tijdens en na de eerste Wereldoorlog. De chaos in Centraal en Oost-Europa tijdens en in de nasleep van de Wereldoorlog bracht een grote influx op gang van Oost-Europese Joden. Als deel van deze vluchtelingenstroom kwamen er ook een groot aantal mensen uit de traditionele Yeshiva wereld – tot dan toe het centrum van de rabbinale wereld  - naar Engeland. Onder hen ook enkele van de meest prominente rabbinale figuren uit deze kringen. De twee meest bekende namen in dit verband zijn Rav Avraham Yitzchak Hakohen Kook (1865-1935) – die later de eerste Ashkanzische Opperrabijn van Eretz Israel zou worden[1] - en Rabbijn Yehezkel Abramsky (1886-1976).

 

Opa Rav Chaim Juda Daum (1889-1965)

Rabbi Yehezkel Abramsky (1886-1976), Rosh Beth Din (1934-1951). He stayed many times in our hotel ‚Hotel Daum‘in Bne Brak and had a close contact with my grandfather Reb Chaim Juda Daum s.z.l.

             

Rav Abramsky was een exponent van de Litouwse Yeshiva wereld en was daar een prominente coryfee onder de Halachische experts. Zijn naam binnen de Rabbijnse wereld wordt in de eerte plaats verbonden met het werk  “Chozon Yekezkyel” , een commentaar en bronnenonderzoek op de Tosefta. (Verklarend excurs: de Tosefta zijn tannaitische halachische uitspraken of opinies die circa 200 niet gecodificeerd zijn binnen de Mishna maar daarbuiten nog wel geciteerd werden door Amora’im als brayta.) Dit werk was eigenlijk de eerste serieuze studie gewijd aan de Tosefta en zou dan ook later een pioniersfunctie gaan vervullen. Zo zou Rabbi Professor Dr. Shaul Lieberman (1898-1983) die als  eerste een wetenschappelijke editie van de Tosefta zou publiceren (onder de naam Tosefta K’Hilchata) zwaar steunen op dit werk. Rav Abramsky werd in 1934 opgenomen in het Gerechtshof van de Chief Rabbi en werd daar meteen ook Rosh Beit Din. Deze machtswissel zou een fundamentele cesuur betekenen voor het Beit Din van het opperrabbinaat. De meest duidelijke weerspiegeling daarvan krijgt men reeds in de naam. De benaming “Court of the Chief Rabbi” verdwijnt en men gaat spreken over het “London Beit Din”. Maar de veranderingen gingen verder dan het enkel cosmetische. De belangrijkste verschuiving was dat onder de leiding van Dayan Abramsky het Beit Din van Londen ook een factor van betekenis wordt voor de charedische wereld. Waar de charedische wereld daarvòòr weinig achting had voor de halachische expertise van het Londense  Beit Din worden er onder Rav Abramsky een groot aantal nieuwe dayanim aangesteld die ook voor de charedische wereld aanvaardbaar zijn. Het ging dan vooral om mensen die vertrouwd waren met de cultuur van het Oost-Europese Jodendom, die zoals gezegd een nieuw belangrijk demografisch element van het Brits Jodendom waren geworden. De brede erkenning van dit hervormde Beit Din strekte zich zelfs uit voorbij het Kanaal tot in Eretz Israel waar haast iedereen de beslissingen van Rav Abramsky aanvaardde. We weten zeker dat onder zijn ambtstermijn het Beit Din zich met giyoerim bezig heeft gehouden en dat er ook een groot aantal zijn uitgevoerd. Het is echter moeilijk te reconstrueren wat zijn eisen waren.

 

 

Rav Abramsky zou het Beit Din ongeveer twee decennia leiden tot aan zijn pensioenleeftijd. Hij trok daarop naar Israel waar hij de voorzitter zou worden van de “Vaad HaYeshivot” (Raad van de Thora-Academies) en ook opgenomen zou worden als lid van de “Raad van

Thorageleerden”, het hoogste gremium van de Ultra-Orthodoxe Agudat Israel-partij. Hij zou sterven op de gevorderde leeftijd van 90 jaar in 1976 en heeft zijn laatste rustplaats gevonden in Jeruzalem. Zijn zoon zou trouwens een academische carrière uitbouwen als Historicus aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem.

 

 

 

Dayan Rav Chanoch Ehrentreu, Shlita (1932-),

Rosh London Beth Din (1984-2006) en nu

Rosh Beth Din van het European Beth Din

in Bazel, Zwitserland.

 

 

 

De tweede Rosh Beit Din die het Londense Beit Din fundamenteel zou hervormen was Rav Chanoch Ehrentreu. Hij trad aan in 1984 nadat hij was aangenomen door de toenmalige Chief Rabbi Emmanuel Lord Jacobowitz. Rav Ehrentreu stamde net zoals Rav Abramsky niet uit een traditioneel Brits-Joodse familie, maar was als één-jarig kind met zijn ouders vanuit Frankfurt am Main, Duitsland, naar Engeland gekomen na de machtovername van de Nazis. Hij stamde uit een prominent Duits Rabbijnen geslacht. Zo was bijvoorbeeld zijn grootvader langs vaders kant, wiens naam hij droeg, nog de Hoofd-Rabbijn van Munchen geweest. Rav Ehrentreu zou zijn rabbinale opleiding in Gateshead volgen en zou na zijn studies een Kollel stichten in Sunderland die hij ook zou leiden van 1960 to 1979. Daarna zou hij tot aan zijn benoeming als Av Beit Din in Londen een gelijkaardige functie uitoefenen in Manchester. De belangrijkste tendens van zijn ambtstijd als Dayan en een voorzitter bij het Londense Beit Din was de personele professionalisering die hij er doorvoerde. Zo benoemde hij ten eerte een aantal zeer competente Dayanim zoals bijvoorbeeld Dayan Menachem Gelley, Dayan Bienstock en Dayan Yitzchak Berger. Ook zou hij altijd mensen benoemen die buiten een halachische achtergrond ook beschikten over expertise in het veld waarover zij werden geacht te paskenen. Dit stelde het Beit Din ook in staat om zich bezig te houden met wetenschappelijk moeilijke kwesties zoals medische ethiek (bijvoorbeeld stamcelonderzoek of levensbeëindiging) en Kasjroet (een veld dat door de ontwikkeling van de voedingindustrie ook een stuk complexer is geworden).

 

Ook in het bekeringsdossier zou er onder zijn ambtstermijn een grote verschuiving plaats vinden. Het gehele giyur- proces  werd geformaliseerd en vastgelegd. Een eerste krachtlijn van deze formalisatiepolitiek was dat er een zeer strikt leerprogramma, met als onderdeel daarvan een extensieve leeslijst, werd opgesteld dat de giyur-kandidaat dient te doorlopen. Ook wordt er aan elke kandidaat een door het Rabbinaat bepaalde tutor toegewezen die echter door de kandidaat zelf betaald wordt. Tenslotte moet de kandidaat daarnaast ook kunnen voorleggen dat hij minstens een half jaar heeft ingewoond bij een Joods-religieuze familie. Het proces stond, en staat, trouwens alleen open voor diegenen die in het Verenigd Koninkrijk resideren. Deze door hem doorgevoerde hervorming heeft er ook toe geleid dat hij als een autoriteit op dit gebeid gezien wordt en hij is dan ook bijvoorbeeld de grote religieuze autoriteit in Europa van “Beit Tiferet Israel” een organisatie die tot doel heeft de standaards van halachische bekeringen te bewaken.

 

 

In 2008 kwam zijn termijn in Londen ten einde. Bij de aankondiging van zijn terugtreden zei de toenmalige Chief-Rabbi Lords Sacks over hem dat hij “beschikt over de zeldzame combinatie van autoriteit, wijsheid, mededogen en inzicht in onze gemeenschap.”[2] Hij zou daarop de voorzitter worden van de “Conference of Orthodox European Rabbis”, een organisatie die een spreekbuis wil zijn voor het Orthodoxe Jodendom  bij de verschillende Europese overheden en dan voornamelijk wanneer het aankomt op de politieke en juridische verdediging van bepaalde religieuze vrijheden zoals  besnijding (Brit) en rituele slacht (schita). Daarnaast zou hij ook voorzitter worden van het “European Beit Din”. Deze functioneert als een Beit Din voor die regio’s in Europa waar geen orthodox Beit Din als alternatief aanwezig is of waar deze Batei Din bepaalde taken (bv; giyur) niet waarnemen. Hun taak concentreert zich voornamelijk op de halachische problemen die er rijzen met Joden uit de voormalige Sovjet-Unie, maar ook vele Israëli’s die met niet-Joodse partners gehuwd zijn wenden zich tot hen. Dit wil echter niet zeggen dat dit Beit Din “quicky conversions” doet. Rav Ehrentreu heeft zijn strenge standaards uit Londen meegenomen en er wordt dan ook een zeer hoog niveau geëist zowel op gebied van parate halachische kennis als hebreeuwse leesvaardigheid voor bijvoorbeeld de siddoer. Ook is het vereist voor mannelijke kandidaten dat zij hun Brit laten uitvoeren in aanwezigheid van een Beit Din. Zijn engagement voor het Centraal- en Oost-Europese Jodendom strekt zich trouwens ook uit voorbij dit Europese Beit Din. Zo is hij verbonden aan het Hildesheilmer-seminarie in Berlijn waar orthodoxe rabbijnen opgeleid worden en hij is ook actief in Yeshivot in Duitsland en Rusland.

 

 

 

 

 

Manchester Beit Din

 

 

                           

 

Rabbi Yitzchok Yaakov Weiss (1902-1989)

Head of the Manchester Beth Din and later

Head of the Beth Din Tzedek of Jerusalem.

 

 

                           

Rav Osher Yaakov Westheim,

Av Beis Din of Kashrut, Manchester

 

Rav Osher Yaakov Westheim,Av Beis Din of Kashrut, Manchester

 

        Rav Osher Yaakov Westheim was born in Gateshead, England. Studied in Gateshead Yeshiva and in Be’er Yaakov, Eretz Yisroel.

        Went to Manchester Kollel Pessach 1968 (headed by Rav Yitzchok Yaakov Weiss of Eida HaChareidis, heard Shiurim from him).

        Semicho (Rabbinic Ordination) from Rav Rav Yitzchok Yaakov Weiss Av Beth Din Eida HaChareidis in Winter 1971. Shimush(Training) with Rav Weisz and Rav Padwa, Rav of Kedassia, London, England.

        Joined Manchester Beis Din October ’76 as head of Kashrus. Appointed Dayan on Manchester Beth Din.

        Established Yeshivas Ezras Torah in Manchester in September 1995.

 

Present Beth Din of Manchester

 

 

 

              Rabbi Gavriel Krausz,Shlita (links), Av Beth Din Manchester

 

               

              Rabbi Yitzchok Berger, Shlita Head of Manchester Beth Din

 

 

Geen foto gevonden van Dayan David Feldman,s.z.l.; Leipzig/Manchester

 

 

Manchester is in bevolkingsaantal de tweede stad van het Verenigd Koninkrijk en het beschikt over de tweede grootste Joodse gemeenschap. Het grootste gedeelte van de Joodse gemeenschap daar stamt af van mensen die op het einde van de 19de eeuw uit het Russische Rijk gevlucht zijn voor de pogroms. Een tweede golf zou uit Duitsland komen in de jaren 30  na de machtovername van de Nazi’s en tenslotte was er een derde grote golf uit geheel Oost-Europa na 1945. Deze permanente link met het Oost-Europese Jodendom zorgde ervoor dat er in Manchester al vrij vroeg een respectabel aantal Thorageleerden woonden, als ook belangrijke figuren uit de vroege zionistische beweging zoals Dr. Chaim Weizmann (1874-1952), die daar als Chemicus aan de Universiteit verbonden was en die later de eerste president van de Staat Israel zou worden.

 

 

Economisch was er een sterke deelname van Joodse bevolking aan de voor zeer lange tijd boomende industriële activiteit die Manchester zo kenmerkte. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat er zeer velen actief waren in de textielindustrie aangezien Manchester toen nog het textielcentrum van de wereld was. Maar ook in andere economische branches was er een sterke joodse aanwezigheid zoals zilver of immobilia. Ook zou de Universiteit van Manchester vele Joodse wetenschappers aantrekken.

 

De Joodse gemeenschap van groot Manchester staat organisatorisch zeer sterk, zowel in het stadcentrum als in de suburbs. Zo is er een zeer groot aantal synagogen, twee grote Yeshivot, een aantal kollels en eveneens een respectabel aantal Joodse dagscholen. Meest tekenend is echter dat Manchester over een zelfstandig Beit Din beschikt dat volledig autonoom opereert los van het Londense Beit Din. Dit is een vrij uniek gegeven binnen het Verenigd Koninkrijk. Ook valt de sterke Charedische invloed niet te onderschatten die wordt uitgeoefend door de Yeshiva van Gateshead een stad die niet al te ver van Manchester ligt. Wat echter het rabbinaat betreft is er geen enkele centralisatie. Elke rabbijn en gemeente is er autonoom zonder de dwingende kracht van een overkoepelend orgaan zoals dat wel het geval is in Londen met de United Synagogue. Allen erkennen echter wel de autoriteit van het Beit Din wat hen tot een serieuze machtsfactor maakt. Het Manchester Beit Din staat bekend om haar activiteiten op het gebied van Kasjroet, Din Torah en Gioer.

 

Een prominent figuur van dit Beit Din was Rabbi David Feldman die in Engeland aankwam 1936 als vluchteling uit Leipzig. Leipzig was tijdens de jaren 20 al een groot centrum van de zogenaamde Ost-Juden (in tegenstelling tot de origineel Duitse Joden de zogenaamde Yekkes)£. Dit betekende dat Rav Feldman een zekere affiniteit bezat voor het Oost-Europese Jodendom hetgeen hem zeer goed van pas zou komen in de door vluchtelingen uit het Oosten gedomineerde joodse gemeenschap van Manchester. Hij heeft twee belangrijke boekwerken nagelaten. Ten eerste een geïllustreerde uitgave van de Kitzur Shoelchan Aruch. Zo wordt bijvoorbeeld geïllustreerd hoe men in de praktijk tefillin moet leggen, hoe de koosjere slacht hoort te verlopen of hoe een eruv er moet uitzien, enz. Zijn belangrijkste werk is echter “Shimusha shel Torah” , waarin hij zeer praktische kwesties behandeld waarover een Rabbijn vaak bevraagd wordt. Dit boek was echte pionierswerk dat probeerde complexe halachische themata duidelijk en helder uit te leggen (onder andere met illustraties) en toepasbaar te maken. Het zou daarom nog een lange tijd grote invloed uitoefenen op de dagelijkse halachische praktijk van zeer velen en het werk zou ook een grote invloed uitoefenen op alle latere boeken die trachten de halacha te populariseren. Zo behandelt hij bijvoorbeeld de vraag van het kasjroetstatuut van kaviaar van de steur en hij geeft ook een praktische illustratie van een Get- document.

 

Een  tweede prominent lid van dit Beit Din was Dayan en Av Beit Din Rabbi Yitzchok Yaakov Weiss(1902-1989). Hij stamde uit een zeer Charedische familie en studeerde aan Yeshivot van de Hongaarse “Unterland” strekking. Hij leerde onder andere met de Munkascer Rebbe in zijn Yeshiva en werd sterk gevormd door diens sterke anti-Zionistische instelling. Zijn eerste grote post was als Av Beit Din in Grosswardein (Roemenie) waar er voor WOII een grote Joodse gemeenschap met een groot aantal Chassidische rebbes zoals de Belzer Rebbe en de Munkacser Rebbe was. Na de Shoa zou hij emigreren naar Engeland waar hij zich vestigde in Manchester. Hij zou daar tot Av Beit Din benoemd worden en zou dat blijven tot 1970. Hij was een groot halachisch expert wat ook duidelijk wordt vanuit zijn grote responsa-werk “Minchas Yitzchak” in 8 delen, een tot op de dag van vandaag druk geconsulteerd werk in de Yeshiva wereld. Het moet ook opgemerkt worden dat ondanks zijn sterk Charedische achtergrond hij als Av Beit Din steeds probeerde een gematigde compromis koers te varen. Hij heeft zich in die zin ook bezig gehouden met giyurvragen waarbij hij echter wel de eisen op dit gebied verstrengd heeft. In 1970 nam hij dan een nieuwe positie aan in Jeruzalem als Av Beit Din van “Eda Hacharedit”, een Beit Din van Ultra-Orthodoxe strekking dat dicht aanleunt bij de Satmar Chasidut en Netura Karta en bijgevolg een vijandige houding heeft tegenover de Staat Israel en al haar in stellingen.  Zijn ideologische richting zou ook tijdens deze jaren verschuiven, wat zich bijvoorbeeld toonde in het beginnen dragen van een streiml en kaftan. Een parallelle evolutie heeft men ook kunnen vaststellen met een Antwerpse Dayan, met name Rav Yitzchak Toviah Weiss,shlita.  Hij was mijn rabbijn en leraar in een Londense Ultra-Orthodoxe Yeshiva, Yeshivat HaRama, in 1966. Hij was toen nog een aanhanger van de “Oberland” traditie. Deze stroming gaat terug op de Chatam Sofer en wordt  vaak gezien als een gematigde stroming binnen de ultra-orthodoxie. Kenmerkend voor deze strekking is dat haar aanhangers doorgaans geen kaftans, streimls of girtels droegen maar eerder opteerden voor de in hun tijd normale middellange zwarte jas en een zwarte hoed. Toen hij echter benoemd werd bij het het Beit Din van de Edat Hacharedit veranderde hij ook zijn volledige uniform en nam de stijl van de Chassidim over, volgens het motto van Gottfried Keller “Kleider machen Leute” of het Nederlandse gezegde “De kleren maken de man”.

 

Sinds het vertrek van Rav Yitzchak Yaakov Weiss wordt het Beit Din in Manchester geleid door Rav Gavriel Krausz. Hij is voornamelijk bekend voor zijn werk op het gebied van berachot  waarover hij ook uitvoerig gepubliceerd heeft. Onder zijn leiding bestond het Beit Din uit hemzelf, Dayan Westheim en Dayan Yitzchak Berger. Dayan Krausz staat bekend om zijn gematigde halachische houding. Zo staat hij toe te koken voor niet-Joden op Yom Tov wanneer zij zich serieus voorbereiden op een gioer. In zijn redenering maken zulke mensen op weg naar hun giyur al deel uit van de “lachem” (voor jullie) waarvan in de Thorah sprake is. Het is op basis van dit oordeel dat ik zelf op alle feestdagen giyur-kandidaten uitnodig.

Ook is mij deze vraag gesteld geworden door mensen hier in Antwerpen, waaronder ook Rav Gurari van de plaatselijke Chabad. Ik heb hen dan ook altijd geantwoord onder verwijzing naar de beslissing van Rav Krausz en mijn eigen Rebbe Rav Moshe Botschko, szal, die tot dezelfde conclusie kwam. Zij hebben dit oordeel aangenomen en passen het als zodanig ook toe op bijvoorbeeld hun gemeenschappelijke sedermaaltijden. In het algemeen kan men stellen dat het beleid van het Manchester Beit Din dicht aanleunt bij dat van het Londense Beit Din, ook in gioerzaken. Van een giyur-kandidaat wordt Thora-observantie gevraagd van reeds  minstens een jaar, als ook een periode van inwonen bij een religieuze familie en het volgen van lessen bij een door de kandidaat zelf betaalde tutor. Het moet daarbij ook opgemerkt worden dat dit Beit Din ook  giyurzaken behandelt waarbij de voornaamste motiverende factor een huwelijk is. Officieel vereisen zij echter wel dat in de periode voor de gioer en het huwelijk de partners niet samenleven. Dit is trouwens een eis van elk Beit Din dat halachisch geldige giyurim uitvoert. Iedereen weet dat dit uiteraard moeilijk of helemaal niet te controleren valt, maar dit is niettemin de officiële voorwaarde. Ik had het genoegen Rav Krausz persoonlijk te leren kennen in 1991 toen ik Manchester bezocht als kandidaat-Rabbijn bij een van de grootste Synagogen daar, “Holy Law”. Ik was zeer onder de indruk van zijn openheid van geest, ook tegenover mensen die niet noodzakelijkerwijze dicht bij de orthodoxie staan.  Tenslotte is het nog opmerkenswaardig dat medio jaren 90 Dayan Osher Yaakov Westheim het Manchester Beit Din verlaten heeft om zijn eigen Beit Din te formeren. Dit nieuwe Beit Din houdt zich exclusief met Kashrut bezig en dit over de gehele wereld. Deze Kashroetcertificaten worden ook aangenomen binnen de Ultra-Orthodoxie  en aangezien ze ook aan grote merken verleend worden, vormen ze een substantiële bron van inkomen.

 

Er volgt nog een essay over:

Opname in het Jodendom en Proselieten

Praktijk van Halachische Gyur in Verenigde Staten van Amerika

en daarnaast aspecten van non-Halachische en fictieve Gyurim

 

zondag 1 juni 2014 / 3 Sivan 5774

 

Tijd: van 14.30u - 17.00u.

 

Locatie: Lamoriniërestraat 165, 2018 Antwerpen

 Voor mensen die met de trein komen is de weg van de trein tot locatieongeveer 15 minuten te voet. Als je uitstapt uit de trein en je begeeft je naar de Pelikaanstraat en vervolgens rechtdoor de Simonstraat en Mercatorstraat,  kom je aan de hoek van de Lamoriniërestraat. (vierde stoplichten) Daar sla je rechtsaf, je bent al in de Lamorinièrestraat.

Telefoonnummer, als iemand problemen heeft om het te vinden: tel: 0032 3 218 65 56 of gsm: 0032 486 520 330

 

We nodigen je hierbij uit om ook aanwezig te zijn.

 

Interesse (maar nog niet aangemeld)? Laat het ons even weten per mail en aan Rabbijn Daum: ahron.daum@pandora.be .

 

Een vrijwillige bijdrage van EUR, 5,- per persoon t.b.v. de gemaakte kosten (organisatie contactdagen, kosten van de spreker)

Voor koffie en thee etc. wordt gezorgd)

 

 

 

 

Colofon:

 

Eerste bewerking:

Prof. Rabbijn Ahron Daum, B.A., B.S., Emeritus Opperrabbijn Frankfurt am Main

Jbathia Chava Vanhamme,

juni 2008

 

Beeldmateriaal:

Mattityahu Akiva Strijker

Chanukah 5774/december 2013

 

Correcties:

Heleen en Hendrik van Silfhout, Nederland

 

Website designer:

Yitzchak Berger, Melbourne, Australië

 


[1] Zie mijn essay over Chief Rabbi Harav Avraham Yitzchak  Hakohen Kook.  Rubriek “essays and articles” op www.bestjewishstudies.com

 

[2] http://en.wikipedia.org/wiki/Chanoch_Ehrentreu

 

Verenigde Staten van Amerika

 

Links: Statue of Liberty aan de Hudson rivier voor de sky-line van New York, symbool van vrijheid voor alle mensen inclusief religieuze vrijheid. Dit beeld heeft mijoenen Joodse mensen begroet die vanuit Oost-Europa wegens religieuze vervolgingen (progroms) naar Amerika zijn gevlucht met het uitzicht dat daar eindelijk vrijheid van religie te genieten valt.

Rechts: Een ‘Shana Tova’-kaartje uit einde negentiende eeuw. Waar men ziet hoe Amerikaanse Joden hun geloofsbroeders- en zusters die nu in Amerika hun zekere ‘heimat’ zoeken, hartelijk welkom heten.

 

De verdrijving van Joden uit Spanje en Portugal gebeurde op Tisha b’Av 1492, die dat jaar viel op 31 juli. Voor het sefardische Jodendom was dit in alle opzichten de oercatastrofe die dan ook in de Joodse literatuur van die tijd wordt benoemd als de “verwoesting van de derde tempel”. Meer dan 300.000 Joden moesten al de gebieden onder de spaanse kroon verlaten met achterlating van have en goed. Onder deze vluchtelingen bevond zich ook Don Yitzchak Abarbanel (1437–1508),, één van de meest prominente Joden van zijn tijd. Oorspronkelijk een onderdaan van de portugese kroon, die zelfs voor een bepaalde tijd als schatbewaarder van Koning Jao II had gewerkt, was hij naar Spanje gevlucht waar hij dus ook viel onder het verdrijvingdecreet. Hijzelf heeft zijn toevlucht gezocht in het Kinokrijk Napels dat weliswaar onder de Spaanse Kroon viel maar niet deel uitmaakte van het verdrijvingsdecreet. Daar zou hij een commentaar schrijven op de gehele Tanach die nog altijd vanwege verschillende redeene opmerkelijk is. Ten eerste is hij de enige tradionele joodse exegeet die veel aandacht besteed aan geschiedenis. Ook voremlijk zijn zijn commentaren uniek.  Zo zal hij ten eerste steeds voor elke kwestie of probleem de menig geven van de  belangrijkste voorgaande exegeten op dit gebied. Ten tweed begint hij elke discussie van een bepaalde passage met het helder aangeven van de vragen die dienen beantwoord te worden. Naast zijn bijbelcommentaren heeft hij ool een aantal boeken gepubliceerd die voornamelijk als doel doel hadden de getraumatiseerde sefardische gemeenschap die nu over de halfe wereld verspreid was te bemoedigen en te sterken in het geloof dat de messiaanse verlossing nabij was.

 

Don Isaac Abarbanel (1437–1508)

 

Een groot deel van het trauma veroorzaakt door de verdrijving bestond in de totale ontwrichting van de bestaande gemeenschapsinstellingen. Eewenoude gemeenschappen zoals die van Toledo, Gerone, Barcelone en Grenada werden in een klap vernietigd en haar leden van elkaar gescheiden. Ze kwamen vaak in zeer ver van elkaar gelegen hoeken van de wereld terecht. Zo trol een zeer groot gedeelte van hen naar het Ottomaanse rijk waar ze zich vestigden in bijvoorbeeld steden rond de Egeishe zee zoals Salonika, Izmir en Bursa maar natuurlijk ook in grote getalen in Istanbul dat in 1495 de nieuwe hoodstad van het rijk werd. Ook vestigden velen zich in de recent door de Turken veroverde gebieden in de Balkan met als belangrijkste centrum Sarajevo. Het feit dat zovele Joden een veilige thuishaven vonden in het Ottomaanse rijk is ook de inspiratie geweest voor een legende waarvan de historische authenticietei nog altijd reden tot discussie is. Het wordt verteld dat Sultan Beyazid zijn vloot onder Admiraal Piri Reis naar Spanje heeft gestuurd om daar de vedreven Joden te gaan ophalen. Er wordt ook verteld dat hij zou gezegd hebben dat de spaanse Koningspaar idioten waren om mensen die een zulke cruciale rol speelden in de spaanse regering, economie en cultuur te verdrijven. Hij was van mening dat dit voor hem een godsgeschenk was aangeien het hem een reservoir van getalenteerde mensen gaf die hij hard nodig had voor zijn expentnieel snel groiende rijk. Voorbeelden van Sefardische Joden die een een zeer belangrijke rol zouden gaan spelen aan het Ottomaanse hod waren de zogenaamde Dona Gracia Nasi Mendes (1510–1569) en haar broer Josep Nasi.

 

Dona Gracia Nasi Mendes (1510–1569)

 

Een groot deel van de andere vluchtelingen zocht zijn heil in andere gebiden onder Islamitisch bestuur met als zwaartepunten de Magreb,n Egypte en uiteraard Eretz Israel waar biiboorbeeld in Safed opnieuw een belangrijk religieus centrum zou ontstaan in de 16de eeuw.

 

Sultan Bayezid II (1447-1512)

 

In de christelijke wereld was voornamelijk Italie een geliefd toevluchtsoord. De verschillende staatjes op het schiereiland hadden nameijk een relatief tolerante religieuze politiek en waren er steeds op gericht hun financiele slagkracht te vergroten. De meest geliefde staatjes binnen Italie voor de vluchtelingen waren Venetie, het Koninkrijk Napels, de Florentijnse republiek - die voornamelijk Joden aanmoedigde om zich te vestigen in Livorno en Ancona – en de Pauselijke Staten.

 

Er waren echter ook mensen die in plaats van te vluchten er  voor kozen om , tenmisnte naar de buitenwereld toe, zich tot het christendom te bekeren. Dit fenomeen van “nieuwe Christenen” of “Conversos” was trouwens een fenomeen dat op het Iberische schiereiland al een geschiedenis had die een eeuw ouder was dan het verdijvingsdecreet. Al vrij snel echter na hhet decreet van Alhambra verscherpte zich ook de politek vis-à-vis deze bekeerlingen.  Er was een zeer groot wantrouwen tegenover hen en het gevoel leefde dat hun bekring pure schijn was en dat ze in het geheim nog de joodse riten onderhielden. Een uiting hiervan is het feit dat al gauw deze beekeerlingen in het spaans werden aangeduid als “Maranos3 hetgeen zoveel betekent als zwijnen.  Dit wantrouwen was trouwens èèn van de voornaamste redenen vorr het oprichten van de beruchte Spaanse Inquistie die als voornaamste taak had de nieuwe Christenen in het oog te houden en na te gaan of ze geen ketterij bedreven door terug te keren naar hun oude geloof. Deze onderzoekenb naar ketterij vervielen als snel in massa-hysterie die wild in het rond sloeg en wie eenmaal in het vizier ervan kwam betaalde doorgaans met zijn leven. Bijzonder infaam in dit verband zijn de zogenaamde Auto da Fe’s. Dit waren massa-bijeenkomsten waarbij bekeerlingen van Joodse of islamitische afkomst openbaar in grote getalen werden verbrand.

 

Gravure van een Auto-da-Fe in Lissabon.

 

Het feit dat zelfs het aannemen van het Christendom niet meer genoeg was en dat enkel het feit van Joodse afstamming reeds de dood kon betekenen, bracht vele van de zogenaamde “Conversos” ertoe om toch Spanje en Portugal te verlaten. Het grote verschil echter met de vorige vluchtelingengolf was dat er nu reeds in Noord-Europa een aantal gebieden waren die door de reformatie zich los hadden gemaakt van de katholieke kerk en expliciet de vijanden waren van Spanje. De tweede golf van vluchtelingen zag in deze landen een natuurlijke bondgenoot en het grootste gedeelte van de conversos zal dan ook naar Noord-Europa trekken met als belangrijskte betemmingen de opstandige Republiek der 7 Provincieen, Engeland, Hamburg, Bremen en Altona. Eenmaal daar aangekomen zullen de meeste van de conversos zich terug voor het Jodendom verklaren o.a. door zich te laten besnijden en in de mikveh te gaan. Ze zullen zich vervolgens in nieuwe Joodse gemeenten organiseren waarvan die van Amstersam zonder meer een van de belangrijkste in heel Europa zal zijn. Uit de rijen van deze Conversos zijn trouwens sommige van de meest bekende Joden voortgekomen zoals Rabbi Menashe Ben Israel, Uriel Da Costa, Baruch Spinoza en Rabbijn Sasporta.

 

Gravure met rechts de zogenaamde “Esnoga” (heiligdom) of “Portugese Synagoge” in Amsterdam.

 

Het verdrijvingsdecreet voor alle spaanse Joden (het zogenaamde Alhambra-decreet) stipuleerde dat elke Jood alle gebieden onder de kronen van Castillie en Aragon diende te verlaten uiterlijk op 31 Juli 1492. De Joodse traditie heeft altijd opgemerkt dat deze dag dat jaar samenviel met  de Joodse rouwdag Tisha B’Av en de Spaanse Joden zouden dan ook hun verdrijvinfg als tragedie gaan vergelijken met de vernietiging van de beide tempels. Het zou in de sefardische wereld zelfs courant worden om over de verdrijving te spreken als de vernietiging van de derde tempel. Maar de interpretatie van de verdrijving in zulke theologische termen creeerde ook ruimte voor nieuwe hoop. Zo stelt de Joodse traditie ook dat Tish B’Av dan misschien wel de dag van de grooste tragedie en rouw is, maar ook dat op uitgerekend deze dag de Messias zal geboren worden. In de diepste treurnis en verdrukking ligt het zaad van de verlossing, een idee dat ook uitgedrukt wordt in Kohelet/Prediker 1:5 : “De zon gaat onder en de zon komt op”.

 

Ook hier in het dieptepunt van het Spaane Jodendom manifesteerde zich een zulke hoop. Drie dagen later op 3 Augustus zou Christofol Columbus met drie schepen beginnen aan zijn eerste expeditie die moest proberen een westelijke zeeroute te vinden naar India. Zoals genoegzaam bekend is zou hij echter op weg daar naartoe ontdekken dat er niet enkel zee lag tussen Europa en Azie maar een geheel nieuw continent. Het moet ook opgemerkt worden dat deze eerste expeditie een Joods randje had zo is het zeker dat de tolk die Columbus meenam, Luis de Torres, een Jood was geboren onder de naam Joseph Ben Halevi Haivri; Ook over de afstamming van Columbius zijn er vaak vragen gesteld en er zijn elementen die kunnen wijzen in de richting van het feit dat hij van Joodse afstamming was.

 

De ontdekking van het nieuwe Amerikaanse continent is zonder enige twijfel het belangrijkste element geweest voor Joods overleven in het moderne tijdperk. Zo is er een eerste golf van Joodse/Maranos vluchtelingen naar Amerika vertrokken in eerste instantie naar gebieden in Midden – en Zuid Amerika die weliswaar onder de Spaanse kroon vilen maar waaar niettemin de greep van de Inquisitie minder sterk was. Later wanneer ook het Calvinsitsche Nederland gebieden begon te verwerven op het Amerikaans econtinetn werd deze populaire toevluchtoorden voor Joden. Zo zou de nederlande kolonie in Suriname in de 17de eeuw één van de grootste Joodse gemeenschappen in de wereld herbergen. Een andere nederlandse kolonie die belangrijk zou worden voor Joden, en die daarmee de grondslag zou leggen voor de Joodse aanwezigheid in Noord-Amerika en wat vandaag de verenigde staten zijn, is Nieuw Amsterdam (vandaag New York). Het begin van de Joodse gemeenschap daar gaat terug tot 1654 wanneer een groep van 23 Joodse  vluchtelingen aankwam uit Recife in wat vandaag Brazilie is. Recife was lange tijd een Nederlandse kolonie geweest maar was kort daarvoor door de Portugezen veroverd die snel daarna de plaatselijke Joden voor de keuze van bekering of verdrijving stelden. Deze groep heeft er dan voor gekozen naar Nieuw Amsterdam te gaan. De opname inde kolonie daar verliep op zich vrelatief vlot met niettemin een iewat donkere episode onder het gouverneurschap van Peter Stuyvesant die de de othodox-calvinistische strekking vertegenwoordigde tegen de meer liberaal gezinden in die religieuze tolerantie voorstonden. Zijn repressieve religieuze politiek zou echter vrij snel overruled vanuit Amsterdam waar de liberaal gezinden op dat moment de macht

uitmaakten.

 

  

Twee afbeeldingen van Peter Stuyvesant (1611-1672)

Nieuw Amsterdam zou echter paradigmatisch worden voor zovele Europese kolonieen in Noord-Amerika. Waar tussen de 16de en 18de eeuw nog verschillenbde landen daar kolonies hadden komt er vanaf de 17de eeuw een proces op gang waarbij Engeland langzaam maar zeker doorheen een aantal oorlogen als enige macht in Noord-Amerika overblijft. Zo zal Nieuw Amsterdam in 1664 veroverd worden door de Hertog van York die de stad naar hemzelf zou ombenoemen. De engelse dominantie van Noord-Amerika zou echter voor het Sefardische Jodendom een aantrekkelijke constellatie vormen. Hun beleid was namelijk relatief tolerant en er zullen zich dan ook langsheen de gehele Noord-Atlatische kust sefarische Joodse gemeenschappen vormen waarvan de belangstijke die van New York (met de stichting van de Synagoge Shearith Israel in 1654), Touro (synagoge gebouw in 1763) , Philadelphia (gemeente Mikveh Israel gesticht in 1740) en Charleston (de gemeente Kahal Kadosh  opgericht in 1740) waren.

De Touro-Synagogue in Rhode Isand. The synagogue that was visited by George Washington who also exchanged a great number of letter with its Rabbi, Rabbi Seixas.

 

Deze gemeenschappen waren doorgaans zeer sterk geintegreerd in de bredere samenleving waardoor hun wederwaardigheden dan ook de algemene tendensen van de Noord-Amerikaanse samenleving zouden weerspiegelen. Zo zal de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, net zoals de de bredere samenleving, ook verdeeldheid brengen in de Joodse gemeenschaappen. Een groot deel zal zich bekennen voor de zogenaamde “Patriotische” zijde die geleid werd door generaal George Washington (1732-1799). Zo zou de Shearith Israel synagoge in New York haar deuren sluiten wanneer de engelsen New York innnamen op de revolutionairen omdatt haar meeste leden dan al gevlucht waren. Maar er waren ook eeen niet onaanazienlijk aaantal Joden die synphatiseerden met de “Loyalisten” die trouw aan de Britse Kroon bleven.

 

De zogenaamde “Liberty Bell” in Philadelphia, met op de achtegrond Independence Hall, waar het Continentale Congress in 1776 de onafhankelijkheidsverklaring ondertekend heeft.

 

Hoe het ook zij, wanneer uiteindelijk de nieuwe jonge onafhankelijk Amerikaanse republiek zich kan etableren wordt ze door de grote meeerderheid van de Amerikaanse Joden omhelst. En dit is in zekere zin ook wederzijds. De Amerikaanse founding fathers waren immers grotendeels mannen die ten diepste gevormd waren door de engelse verlichting en die daarom ook een grote afkeer hadden van elke religieuze dwang of discriminatie. Zij waren zelf doorgaans zeer vage deisten en vonden dan ook dat de religie buiten de politiek en het publieke beleid moest gehouden worden. Dit was uiteraard goed nieuws voor de Joden die hierdoor voor het eert de kans kregen op gelijkberechtiging en toegeang tot het publieke domein, iets wat in Europa op dat moemnt nog tot de orde van het ondenkbare behoorde. Deze liberale houding zou ook een afdwingbare juridische vorm krijgen in het Eerste Amendement van de Ameikaanse gondwet die expliceit elke verband tussen de staat en een bepaalsdde religie of confessie verbied en daarmee ook elke religieuze discriminatie. De intiele  juridische draagwijdte van dit amendement  moet ook echter ook genuanceerd worden. Tot aan de ratificatie van het 14de amendement in 1868 waren deze amndementen enkel van toepassing op de federale regering en niet op de de individuel staten. Zo zouden bepaald eonder hen nog voor bepaalde tijd een officie “established Church” hebben en enkele zouden zelfs nog voor een paar decennia openbare ambten voorbehouden aan christenen. 

 


George Washington (1731-1799), Generaal van de Amerikaanse Revolutionaire legers en eerste President van de Verenigde Staten van Amerika

 

Hoe het ook zij, hier moet aan toegevoegd worden dat voor een aantal van de Founding Fathers de religieuze tolerantie meer was dan enkel een logisch gevolg van hun verlichtingsideeen. Zo zou bijvoorbeeld George Washington zeer warme relaties onderhouden met de keline Joodse gemeenschap van het land dat hou zou leiden. Zo zou de president van de nieuwe natie in 1790 de Touro synagoge in Newport bezoeken en ook een briefwisseling onderhouden met haar Rabbijn. Een van de birevn van Washington handelde over de situatie van Joden in de nieuwe Jonge republiek en  heeft voor het Amerikaanse Jodenodm tot op vandaag nog mythische proporties. In deze brief benadrukt Washington dat in de niewe republiek ider, ongeacht zijn religie, gelijk is en dat ook Joden gelijkwaardige burgers zijn onder d egrondwet. Zo schrijft hij bijvoorbeeld: “For happily the Government of the United States gives to bigotry no sanction, to persecution no assistance, requires only that they who live under its protection should demean themselves as good citizens, in giving it on all occasions their effectual support.”

 

Het hoeft weinig verbazing te wekken dat dit alles een zeer grote aantrekkingskracht uitoefend eop de Joden van Europa voor wie dit alles hun stoutste dromen overtrof. Zo zal er na de de Napeolonistische oorlogen een bescheiden golf van Joodse migranten op gang komen en dan voornamelijk uit de duitstalige wereld en de aangrenzende gebieden zoals Bohemen, Shlesien en Westelijk Polen. Voornaamse factor in deze beweging was de natuurlijk de aantrekkingskracht van de Verenigde Staten op zowel sociaal, politiek en econims gebied. Maar er waren ook in Europa een aantal push-factoren. De joden van de duitsstalige wereld hadden namelijk sterg geprofiteerd vand eNapoleontische dominatie van de Duitstalige wereld. De franse revolutie had namelijk gelijkberechtiging gebracht en ook nieuwe economische mogelijkheden. Daoor dit alles werden Joden sterk geassoiceerd met het Franse bewinf hetgeen tot een zware backlash zou leiden na 1815. Dit was immer de tijd van de restauratie waarin men hopte Europa te doen terugkren naar de maatschappelijke en politieke constelaaties van het Ancien Regime. Voor Joden betekende dit dorrgans een terugkeer naar een in het beste geval “getoleerd statuut” en een beperkt aantal van minderwaardig geachte beroepen. Het Dutstalige Jodendom werd dan ook getroffen door een diep economische recessie die vorral jonge mannen ertoe dreef hun gelik te beproeven aan de ander kant van de oceaan. Eeen tweede golf uit deze regionen zou op gang komen direct na 1848-1849. In dez jaren maakte zich namelijk een liberale revolutiegolf meester van Centraal-Europa. In Duitsland poogde een burgerlijke revolutie een verenigd democratisch Dutisland tot stand te brengen, de Hongaren trachtten hun onafhankelijkheid te verwerven en ook in Polen rommelde het. Joden stonden daarbij vaak aan de revolutionaoire kant omdat deze liberale revoluties vaak ook de belofte van emancipatie inhielden. Het revolutiejaar 1848 zou echter in een bloedige tragedie eindigen. De Pruisische en Habsburgmonarchie zouden namelijk in Duitsland snel weer de autocratische orde herstellen en Hongarije en Polen zouden met Russische hulp ook gepacificeerd worden. Voor vele Joden dwong zich dan ookk de emigratie op.

 

Deze nieuwe Centraal-Europese Joden zouden al snel hun plaats vinden binnen de de reeds bestaand  Amerikaanse Joodse en de Amerikaanse samenleving in het algemeen. Velen van hen zouden nog binnen dezelfde generatie van leurder opklimmen naar succesvolle zakenlieden hetgeen ook het Joods-Amerikaanse aangezicht sterk transformeerde. Een voorbeeld van zo een succesverhaal is de Gratz familie in Philadelphia. De patriarch van de Familie was reeds in 1752 naar Amerika gekomen en was daar als keline houthnadelaar begonnen om snel een zakenimperium op te bouwen. Zijn dochter Rebacca Gratz zou reeds een algemene beroemdheid worden bekend om haar grote Philantopische activiteinten en ook bekend om haar schoonheid. Tidgenoten omschreven als de mooiste vrouw van Ameirka en ze zou ook de inspiratie zijn geweest voor de heldin in Sir Walter Scott’s bekende historische roman “Ivanhoe”.

 

Rebecca Gratz (1781-1869)

De sterke sociale integratie van deze centraal-europese migranten zou ook betekenen dat zij zich in hoge mate identificeerden met de hun omringde omgeving en daar dan ook het lot van deelden. Dit werd duidelijk in twee fenomenen: ten eerste de Joodse rol in de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) en ten tweede de opkomst van de Reform-beweging.

 

Wanneer de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak betekende niet enkel een geografisceh en politiek splitising van het land als geheel maar ook vaak in splitsing binnen families. Hetzelfde gebeurde ook in de grote Joodse-Amerikaanse familie. Naargelang aan welke kant van de nieuwe grens dat ze lagen ondersteunden Joden enthousiast de oorlogsinspanning van respectievelijk de Unie of de Confederatie. Zeer veel jonge Joodse mannen namen enthousiast dienst als oorlgsvrijwilliger en Jodse vrouwenorganisaties organiseerden zich om de oorlogsinspanning te ondersteunen. Twee opmerkelijke episoden van het Joodse verhaal in de Burgeroorlog zijn ten eerste de figuur van Judah P. Benjamin en ten tweede het zogenaamde “General Order Nr. 11” van Generaal Grant.

 

Judah P. Benjamin (1811-1884) was een van de belangrijkste politici in het Zuidelijke kamp. Zo zou hij in het Geconfedereerde kabinet geduredne de oorlog een aantal cruciale posten bekrleden. Zo begon hij als Minister van Buitenlandse Zaken die als verantwoordelijkheid had erkenning te krijgen van de CSA bij de Europese machten, later zou hij de uiteraard cruciale portefeuille van Oorlog krijgen en hij zou de oorlog eindigen als hoogster rechterlijke magistraat en minister van Justitie.

 

Een tweede zeer paradoxale episode van de burgeroorlog was het zogenaamde “General Orde Nr. 11” van Generaal Grant, op dat moment de quasi hoogste militair van het Unionistische Leger (1822-1885). Een algemene stategie van het Noorden gedurende de gehele oorlog was de zo sterk mogelijk economische blokade van de zuidelijke staten. Het probleem stelde zich echter dat het frontgebied vaak zeer breed was en dat de plaatselijke inwoners er ook een mooie cent aan konden verdien om doorheen deze blokkade goederen te smokkelen. Het stoppen van deze smokkel was dan ook een hoge prioriteit voor het Unionistische opperbevel. Voor de burgerloorlog hadden reeds veel Joden van de Duitse en vroege Centraal-Europese een economische niche uitgebouwd in de lange afstands detailhandel in landelijke gebieden en sommigen van hen waren dan ook ideaal geplaats om deel te nemen aan de lucratieve smokkel over de fontlijnen heen. Deze gegevenheid werd echter nogal snel gegenariseerd en leidde ertoe dat in de naam van Grant in Augustus 1863 een order werd uitgeaardigd dat alle Joden het als frontgebied omschreven territorium dienden te verlaten. Het is uiteraard makkelijk voorstelbaar wat voor een enotme psychologische schok dit teweegbracht. Amerika was in de ogen van haar Joodse burgers immers steeds een baken van vrijheid geweest, in tegenstelling tot het Europa dat ze achtergelaten hadden. Dit order dat nog het meest herrineringen opriep aan het Alhambra decreet leek dit alles weg te vagen. Maar paradoxaal genoeg zou fdt incident juist de innige band tussen de Vernigde Staten en haar Joodse burgers versterken. Wanneer immers de Joodse gemeenschappen geschokeerd dit generall bevel ter kennis van President Lincoln (1806-1965) brachten, bleek dez laatse eben geschokeerd te zijn en annuleerde onmiddellijk dit generaal bevel en bevestide daarbij dat een zulke religieuze/ethnische discriminatie op geen enkele wijze verenigbaar was met de grondwaarden van de amerikaans erepubliek. Het is trouwens ook interresant dat Grant later altijd zou ontkennen dat dit jroder va n zijn hand was, maar dat veeleer een overijverige adjudant in zijn staf dit had opgesteld en het hem zonder verdere uitleg ter ondertekening had voorgelegd.

 

Men kan ter afsluting van deze uitweiding over de Amerikaanse burgeroorlog stellen dat voor de Amerikaanse Joden deze episode ironisch genoeg in hoge mate zeer positief is geweest. Het feit dat de seccesieoorlog in hoge mate een van de eerste echte moderne oorlogen was waarin aan beide kanten de gehele samenleving zowel moreel als materieel gemobiliseerd werd bevorderfde in hoge mate de Joodse integratie. Sociale kringen die voor Joden tot dan vaak gesloten waren gebleven werden door de gemeenschappellijke militaire ervaring, of op het thuisfront, doorheen ondersteinden werk geopend. Ook de versterking van het democratische vrijheidideaal wat de banier was waaronder het Noorden had gevochten zou later ook een krachtig idologisch argument vormen voor de verder integratie van Joden in de samenleving.

 

 

Deze verdere integratie zou immers een paar decennia later immers geen vanzelfsprekendeid meer zijn. De eerste twee immigratigolven waren immers nog numerike gesproken relatief klein en kwamen ook uit gebieden en kultuurkringen die een aansluiting buij de dominante angelsaksische cultuur van de veringdse staten relatie eenvoudig maakten. Vanaf 1882 echter komt er echter een derde Joodese immigratiegolf op gang vanuit Oost-Europa die in aantal immigranten van de beide vorigen in een zeer lange en brede schaduw zal stellen. Om het iets concreter te maken: in de ongeveer veertig jaar dat deze golf geduurd heeft – tot ongeveer 1920 toen de immigratiebeperkingen veel strenger werden) – zouden ongeveer 2 miljoen Oost-Europese Joden aankomen in de Verenigde Staten. De directe reden voor het op gang komen van deze golf in 1882 was de moordaanslag op Tsaar Alexander II. Deze Tsaar was naar russische normen in het algemeen zeer liberaal geweest; Zo wordt hij in Rusland weleens de grote bevrijder genoemd omdat hij eindelijk besliste om het lijfeigenschap af te schaffen en hij zou ook als eerste en laatse serieuze pogingen ondernemen om in Rusland te komen tot een bepaalde vorm van Joodse emancipatie. Zo zou hij de openstelling van een groot aantal beroepen voor Joden bevorderen en ook eindelijk een einde maken aan het Middeleeuwse systeem van kantonisten (zie voor meer informatie over het Kantonisten ysteem mijn essay “Kantonisten en Sabbatisiten in het Tsaristische Rusland). Zijn geweldadige dood veroorzaakte een zulke politieke instabiliteit dat de Rusische regering probeerde de volkswoede te kanalisren in richtingen die haar geen schade toebrachten kon en daarbij waren de Joden een gedroomde zondenbok. De overheid moedigde dan ook grote pogroms aan die voornamelijk in Oekraine lelijk zouden huishouden. Dit vormde uiteraard een sterke push-factor voor de Oost-Europese joden, waarvan de grote meerderheid onder Russich gezeg leefde die dan ook een toevluchtoord zochten. Daarbij waren de Vereniingde Staten niet de enige mogelijkheid. Zo zouden een flink aantal onder hen hun toevlucht zoeken in de directe bururlanden zoals  het Duitse Keizerrijk of de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Dit vaak trouwens tot grote ergernis van hun daar reeds levende geloofsgenoten die het maar weinig konden aprrecieren dat deze “Ost-Juden” het Jodenom in de Duitstalige wereld kwamen “barbariseren”. Maar ook West-Europa was een geliefd doel met bijvoorbeeld Frankrijk (dit is trouwens de oorsprong van de bekende Rue des Rosiers die door deze eerste Oost-Europese Joden de “Pletzl” genoemd werd), Engeland, maar bijvoorbeeld ook Antwerpen waarvan de voor-oorlogse Joodse gemeenschap vorrnamelijk hiernaar terug te traceren is.

 

Maar zoals gezegd waren de Verenigde Staten het meest geliefde emigratiedoel. Het feit dat de Verenigde Staten zowiezo al een emigratieland waren en daardoor een reel perspectief boden op vrijheid en economische verbetering was daar zeker niet vreemd aan.

 

Deze hoge verwachtingen echter stoten bij de aankomst in Amerika echter op de muur van de harde realiteit. Amerika bleek niet altijd in alle opzichten de “goldene mediene” te zijn die men zich in de shtetl in Ukraine had voorgesteld.

 

Ten eerste bleek het vaak nogal mee te vallen met de befaamde tolerantie en geastvrijheid van het nieuwe continent. De meestal straatarme immigranten konden niet altijd rekenen op een zeer warm welkom van de migratiefunctionirssen op Ellis Island. En ook wanneer men erin slaagde in te reizen waren de verhoudingen met de plaatselijke bevolking niet altijd optimaal. Ten eerte waren er de “autochtonen” van Angelsaksische afkomst die überhaupt niet erg enthousiast waren over de komst van grote groepen migranten. Hun discours was doorgaans extreem rassistisch en baseerd zich op de idee dat de Veringde Staten een land waren gesticht door en voor blanke angelsaksische protestanten. Ze hadden ook een grote afkeeer voor migranten die niet in dat schema pasten zoals Oost-Europese Joden, Italianene, Ieren enz.. Maar ook tussen de mverschillende migrantengroepen waren er vaak grote spanningen. Deze mensen kwamen immers doorgaans samen terecht in de armste delen van de stad dicht op elkaar gepakt in wijken zoals de Lower East Side waar er naturlijk ook een moordende concurrentie bestond voor zelfds de kleinste jobs of bronnen van inkomen. In die omstandigheden hoeft het weinig verbazing te wekken dat ethinsche en religieuze spanningen weleens de kop opstaken.

 

En als er al een baan gevonden werd dan was dit vaak slechts een veredelde vorm van slavenarbeid. Befaamd en berucht zijn vooral de zogenaamde kleding Sweatschops waar voornamelijk veel jonge Joodse vrouwen vaak onmogelijk lang moesten werken in erbarmelijke omstadigheden om toch maar een kelien beetje het familieinkomen boven de verhongeringsgraad te houden. Dez sweatshops zijn trouwens ook syptomatisch voor een ander probleem waarmee de Oost-Europese Joden geconfronteerd werden: de desintegratie van Joodse solidariteit. De Joodse emigranten hadden nameiljk altijd een grote onderlinge solidariteit aan de dagh gelegd. Ze kwamen tenslotte allemaal rechtstreeks uit de Oost-Europese Shtelt an deelden daardoor ook een ervaring, een taal en voelden zich als leden van één volk en religie. Dit was a fotioti het geval voor Joden die een bepaalde zelfde streek afmostig waren en er zouden organisaties ontstaan van Joden uit dezelde streek in Oost-Europa – de zogenaamde “Landmanschaften – die hulp boden aan de nieuwe emigraten en de onderlinge solidariteit bevordereden. Deze solidariteit kon echter nit lang stand houden tegenover het ethos van het moderne kaptilisme dat zekr in de Vernigde staten toen heerste. Al snel waren er bepaalde immigraten die op éen of ander manier wat rijker werden en er vervolgens geen graten in zagen om de mensen met wie ze nog samen op de boot hadden gezetezn genadeloos uit te buiten. De houding van vele Joden tegenover deze nouveaux riches word mooir uitgedrukt in de phrase van een Jiddisch stijdlied uit die dagen: “Gestern hot er gefirt a vegele mist, haint is er gevorn a kapitalist” (Gisteren was hij nof een mestkarman, vandaag is hij een kapitalist geworden) Zo is het een droefig feit dat de eigenaars van de sweatshops die genadeloos de armoede en wanhoop van zovelen uitbuiten Joods waren.

 

Maar er was nog een tweede groot probleem waarmee de derde golf van emigranten geconfronteerd werd. Deze golf bestond namelijk grotendeels uit mensen die uit een leefwereld kwamen waarin de Joodse religie het gehele levensritme bepaalde. In de Oost-Europese shtetls had er zich sinds de 16de eeuw een cultuur ontwikkeld waarin Joden in een soort van parallele semi-autonome samenleving leefden met hun eigen taal, levenswijze en instellingen opgebouwd rond de Joodse religie. Dit alles werd uiteraard door elkaar geschud door de vaak massale ontwoteling en herinplanting van grote groepn in de Verenigde Staten en ook zou al snel blijken dat een leven volgens het ritme van de observante religieuze Joden niet altijd evident was in de zich snel indturialisrende maatschappij die de Verenigde Staten was. Een markant en schrijnend voorbeeld daarvan was het probleem met Shabbat en de Joodse feestdagen. Voor de shtetl Joden was het onderhouden van de Joodse rustdagen een evidentie geeweest. Hun gehele omgeving kwam stil te liggen van vrijdagavond tot zaterdagnacht. Dit was echter niet het geval in het hectische levensritme van de modenre amerikaanse economie. Haast iedereen, en dan zeker de mensen in de slecht betaalde jobs, moesten ook werken op zaterdag. Dit weigeren stond gelijk met ontslag. Dit leidde vaak tot de absurde situatie waar veel mensen altijd maar tot zaterdag op een beepaalde plaats werketen en op zondag naar een nieuwe baan zochten die ze de zaterdag daarop ook weer kwijt waren.  In de meeste gevallen echter gingen -  mensen er die een paar jaar daarvoor nog niet over gepeinsd hadden schabbat te overtreden - dit wel doen uit pure noodzaak , wat uiteraard bij velen snel leidde tot een volldege ontbinding van het eigen Jodendom.

 

Een ander scherp en plotseling contrast tussen de nieuwe  amerikaanse belevingswereld van de Oost-Europese Joden en hun herkomstland was de Chinuch (Joodse opvoeding). In Oost-Europa waren er in elke Shtetl sterk uitgebouwde Joodse onderwijsinstellingen zoals Cheders (lagere scholen), Yeshivot (voor Jong volwassenen) en studiehuizen. Het was gebruieklijk dat de grote meerderheid van de Joodse kinderen – ook na en zeker na de Bar Mitzvah leeftijd - deze scholen doorliep en . Als resultaat was elk kind, mannelijk of vrouwelijk, in staat Hebreeuws te lezen wat hen in staat stelde de Siddur te lezen, gebedsdiensten te volgen en toch tenminste een basiskennis van de Halacha en de rabbijnse literatuur te hebben. Ook hier was de toestand in de Verenigde Staten uiteraard totaal verschillend. Door de desorientatie en, de precaire levensomstandigheden van de miugraten en ook als deel van een bewuste assimalietpolitiek slaagde men er niet in om gelijkaardige instituties op te zetten aan de Amerikaanse kant van de oceaan. Geen enkel kind genoot dan ook Joods dagonderwijs, maar ging in het allerbeste geval op zondag 2 uur naar een zogenaamde “Sunday3 school. Daar werd dan ook nog eens les gegeven door mensen die op geen enkele wij ze gekwalificeerd waren. Sterker nog het ging vaak om mensen die deze baantjes kregen omdat ze de zielepoten vvan de gemeenschap waren en voor wie dit een soort van sociale steun was. En als dan deze Sunday schools nog enig effect resorteerden dan was het enkel tot aan de Bar Mitzvah leeftijd waarna de kinderen doorgaans volledig ophielden met hun Joodse opleiding. Er waren niettemin tijdens dezelfde periode wel een aantal impulsen die de basis zouden vormen voor een eigen zelfstandige netwerk van Joods onderwijs in de VS. Zo worden er al vrij vroeg bescheiden pogingen ondernomen om inbstellignen gelijkaardig aan de Oost-Europese Yeshivot uit te bouwen. Zo werd reeds 1896 de Yeshivat Rabbi Elchanan in New York opgericht, die de grondslag vormt voor wat vandaag Yeshiva University is en nog altijd het rabbijnse seminarie van deze universiteit. Een ander alement waren de regelmatige Amerikaansde reizen van bepaalde vooraanstaande Oost-Europese rabbijnen. Deze bezoeken hadden als eerste doel om bij de gefortuneerde Amerikaanse neven geld op te halen voor de Yeshivo tin Europa. Maar tijdens hun lvaak lange aanwezigheid daar zouden ze een stimulerende en kristalisserend ewerking hebben op de staat van de Joodse kennis, observantie en opvoeding aldaar. Voorbeelden van zulke mensen zijn Rabbi Shimon Skop (1860-1939), Jeruchem Lebovitz (1873-1936), Meir Shpapiro (1887-1933). Het is trouwens van Jeruchem Lebovitz dat de gevleugelde en profetische woorden afkomstig zijn dat “op een dag New York het Vilna van Amerika zal zijn.”

 

Der chaos was misschien nog het groots op het gebied van de Kasjroet. In de Shetl wereld waren de zaken zeer overzichtelijk geweest iederen kende de Kosjere slachter, de bakker, de melkman... en men wist wie te vertrouwen was en wie niet. Bovendien was er altijd nog een plaatselijk door iederen gerespecteerd rabbijn die dit ook nog eens kon bevestigen. In de echter veel meer grootschalige wereld van de Amerikaanse grootstad viel di taales uiteraard weg. De afstand tussen de voedselproductie en de consument werd zeer groot en er waren – zeker intieel – geen algemeen gerespecteerde rabbijnen die toezicht lkonden houden. Voornamelijk op het gebied van koosjer vlees leidde toiut tot een soort van wilde westen toestand waarbij iedereen zomaar kon claimen dat hij koosjer slachytte of dat hij daar tozicht op hield. Dit leidde uiteraard tot grootschalige fraude waarbij de koosje consument gewoonweg werd bedrogen en treif voedsel verkocht werd zogezeg onder rabbinaal toezicht.

 

De diepste grondslag van dit probleem was uiteraard dat het rabbinaat zelf een onontwarbaar kluwen vormde dat door niemad nog gerspecteerd kon worden. Aangezien er zoals gezegd geen uitgebreid Joods onderwijssysteem bestond konden er in Amerika ook aanvankelijk geen rabbijnen gevorm worden. Deze mensen moesten dus geimporteerd worden vanuit Duitsland en Oost-Europa. Maar dit waren dan meestal ook mensen die in Europa niet aan de bak konden komen oftewel gewoonweg bedriegers waren die helemaal geen rabbinal opleiding hadden genoten of toch tenminste niet succezsvol. Dit leidde ook op andere cruciale gebieden tot problemen. Zo zouden er zeer twijfelachtige huwelijken en scheidingen voltrokken worden, werd het begrafeniswezen een pure geldoperatie en rabbijnen werden volledig afhankleijk van bepaalde rijke gemeenteleden die hun wil konden opleggen. Er werden weliwaar pogingen ondernomen om deze toestand te vebreteren. Het bekendste voorbeeld daarvan was de poging om een hoofdrabbijn voor New York aan te duiden, iemand die als een soort opperste autoriteit het rabbinaat zou kunnen omvormen tot een iets beter opgeleid en functionerend apparaat. Voor deze post zocht men Rabbij Jacob Joseph (1840-1902) aan. Hij was een zeer gerespecteerde autoriteit die gestudeerd had onder bijvoobreeld Rabbi Israel Salanter en de Netziv en die na een reeks belangrijke  rabbinale posten opgeklommen was tot de Maggid van de Joodse gemeente van Vilna. Wanneer deze laatste in 1888 de post van Hoofdrabbijn van New York aanvaarde was dit in de orthodoxe kringen aldaar reden tot hoop. Hoop die echter al snel ongefundeerd zou blijken. Niemand was namelijk bereid ook maar een centimeter van zijn autonomie op te geven tegenover het nieuwe opperrabbinaat en bepaalde interssegroepen zoals de kosjere slagers dulden geen enkel toezicht op hun praktijken. Een reeks van succesieve crises zou ertoe leidden dat Rabbi Jacob Joseph uiteindelijk ontslagen zou worden en naar verluid als gevolg van de stress van deze affaire vroegtijdig zou overlijden, een weduwe en kleine kinderen achterlatend. De New Yorkse Joden besloten toen blijkbnaar hem na de dood wel de eer te bewijzen die men hem bij leven niet wou geven en zijn begrafenisstoet zou de grootste tot dan toe worden en als klap op de vuurpijl zouden de plaatsen rond zijn graf op de begraapkaats de meest gevraagde worden waar mensen met plezier flink geld betaalden. In het Hebreeuws heeft men voor dat soort omkeringen de uitdrukking “acharei mot kedoshim” wat zoveel betekent als “na de dood zijn ze heilig”.

 

Een eerste omslag op al deze gebieden begint zich voor te doen tijdens het interbellum (de periode tusen 1918-1939). Deze periode was er een van grote instabileit voor de Joodse gemeenschappen van Centraal en Oost Europa, het uiteenvallen van de grote centraal Europese Keizerrijken, de Russise revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog, het opkomende fascisme en de economiusche instabiliteit zorgden ervoor dat opnieuw grote groepen Joden in de richting van de Veringde staten bewogen, alleen was de toestand nu zo erg dat er zich onder deze migranten voor de erste keer ook grote raabijnse autoriteiten bevonden die beschikten over een grote halachische perspective en die eens aangekomen in de VS yeshivot oprichtten. Zo was er bijvoorbeeld Rav Moshe Feinstein (1895-1986) die de Yeshiva Tiferet Yerushalayim oprichtte in de Lower East side, Rav J.B. Soloveitchik (1903-1993) die de drijevend ekracht zou worden achter het Rav Yitzchal Elchanan seminarie, Rav Yitzchok Hutner (1906-1980) die de Chaim Berlin Yeshiva stichtte en tenslotte Rabbi Shraga Feivel Mendlowitz (1886-1948) en zijn Yeshiva Torah Vodaas. Deze evolutie zorgde ervoor dat er een eerste genratie van orthodoxr rabbijne opgeleid werd op amerikaanse bodem wat uiteraard ook een groot effect had op de Thora observantie van de Joodse gemeenschap als geheel.

 

Maaar de grote werkelijke cesuur kwam vlak na de tweede wereldoorlog. Tijdens de oorlog zelf en in het decennium er diret op voorafgaand was de joodse migratie naar Amerika relatief miniem. Hoodreden daarvoor was een nieuwe restrictieve migratiepolitiek die er vooral op gericht was de deur ferm op slot te doen voor diegenen die probeerden het dreigende of reeds actuele Nazi-gevaar te ontvluchten. Een pijnlijke episode uit deze periode was de St-Louisaffaire. The ST loies was een duits cruiseship dat de toestemming had gekregen van de Nazi Autoriteiten om een aantal Duitse Joden naar Kuba te brengen. Wanneer het schip echter in Havanna aankwam bleek dat het geheel eigenlijk in scene was gezet door denazis zelf daar de cubaanse autoriteit nooit was verzocht om visa ter geven. Het schip zou vervolgens nog langs de Amerikaanse kust varen in de hoop dat er een uitzondering gemaakt zou worden voor deze vluchtelingen wiens enige alternatief een terugkeer naar Duitsland was wat voor een flink aantal van reeds opd at moment wist dat het hun dood zouu betekenen. De Amerikaanse regering hiled echter de boot af en het was slecht in extremis dat er asiel werd gevonden voor deze mensen in het Verenig Koninkrijk, Belgie, Nederland en Frankrijk.

 

Niettemin lukte het toch enkele mensen om via grote omwegen Amerika binnen te geraken, daaronder ook een aantal prominente rabbijnen. De meest bekende zijn Rav Ahron Kotler (1891-1962) die de grote yeshiva van Lakewood zou stichten, Rav Avraham Kalmanowitz (1891-1964) die de Mir Yeshiva oprichtte en Rabbi Menachem Mendel Shneerson – beter bekend als de laatse Lubavitcher rebbe -  die de man zou zijn achter de Chabad beweging.

 

 

Het is echter na de WOII dat de er een nieuwe Joodse  massaimmigratie van naar de Verenigde Staten op gang komt. Het gaat dan uiteraard meestal om mensen die de Shoah overleefd hebben enh voor wie er in Europa weinig overgebleven was om naar terug te keren. Interresant dat vodit de eerste Joodse migratiegolf naar Amerika was waarin het Charedische deel een substantieel tot dominant van uitmaakte, zowel betreft de Chassidische als de Litouwse strekking. Om begrjijpelijke infrastructuuredenen zouden deze mensen zich voornamelijk in New York en omliggende gebieden vestigen hetgeen plotseling aan de Joodse wereld in New York een heel ander uitzicht gaf. Later in de late Jaren 50 en 60 zou er dan een tweede interne migratie op gang komen richting andere grote steden in andere ldelen van het land zoals Chicago, Boston, Miami, Los Angeles of naar grote Canadese steden zoals Toronto of Montreal.

 

Om tegemoet te komen aan hi-un religieuze vereisten richten deze nieuwkoimers grtoe religiueuze instellingen op die een einde zouden maken aan de enigzins chaotische and frre-for-all situatie die er daarvoor heerste. De eerste prioriteit was daarbij vaak de kashrut en er werden ook een flink aantal vaadei kashrut (kashrut commités). De tot op de dag van vanddag meest gekende amerikaanse kashrut labels gaan hierop terug zoals een flink aantal Chassisish-Charedische labels maar ook dat van de meer gematig-religieuze wereld Orthodox Union (OU). Dit label is trouwens het grootste kashrut label ter wereld en men kan in elke Amerikaanse supermarkt, hoe afgelegen ook, producten vinden geproduceerd onder hun label en aan een prijs die haast niet te onderscheiden van een niet gesuperviseerd product. Hierbij speelt natuurlijk dat de Joodse markt in Amerika numeriek zo groot en geografisch  verspreid is, dat het voor grote fabrikanten die op nationale schaal hun producten willen verkopen kashrut een rendabele investering vormt. Dit wordt nog het best geillustreerd door het omzetcijfer van de kashrut-inustrie in de VS dat om en bij de 6 miljard dollar bedraagt.

 

Een tweede priotiteit van deze vrome migratiegolf was het Joodse schoolsysteem. Zowels Chassidim en Gematigden begonnen met het uitbouwen van een systeem van Joodse dagscholen, in plaats van hun kinderen naar de algemene scholen te sturen. De uitbouw van dit systeem werd uiteraard beperkt door het feit dat, in tegenstelling tot een aantall  Europese landen, is er in de VS geen enkele subsidie voor private scholen wat leidt tot vaak astronomische hoge schoolgelden die voor velen niet haalbaar zijn. Dit heeft er ook voor gezorgd dat zeker aan het gematigd religieuze spectrum velen hun kinderen nog naar algemene scholen stuurden. Het spreekt oo vanzelf dat er grote verschillen waren tussen de verschillende Joodse schoolnetwerken. De Charedische scholen hnateren als onderwijstaal zelden het Engels maar eerder het Jiddish en onderwijzen slecht in extreem beperkte mate profane vakken zoals een basisbeheersing van het Engels en elementair rekenen. Modern-Orthodoxe scholen zijn er vaak in geslaag een heel evenwichtig systeem op te bouwen waarbij er ruime aandacht is voor de Joodse vakken maar waarij ook de algemen vakken op hoog nivau gedoceerd worden. Hetgeen ook aangetoond wordt door het feit dat de jongenren die uit dit laatste systeem komen, zeker in vergelijking met de rest vande bevolking, groot succes hebben later in het hoger onderwijs. Dezelfde dichtotomie ziet men gespiegeld in het Yeshiva systeem. Een flink aantal Yeshivot zoals Yeshiva Universitey, Chovevei Thora, Rabbi Chayim Berlin en Chofetz Chayim benadrukken het belang van hoger onderwijs in combinatie met hoger Thora-Studies, waarbij Yeshivot uit de Charedische wereld die hun studenten verbieden om seculier hoger onderwijs te volgen. Et bestaan van deze eerste groep heeft ervoor gezorgd dat Angelsaksische wereld ook beschikt over academischs geschoolde religieuze Joden een fenomeen dat vandaag in Europa eerder zelden is.

 

Ook het Batei Din-systeem onderging een enorme transformatie. Ten eerste zou elke Chassidische groepering, zoals Satmar, Bobov of Kubavitch haar eigen Beit Din oprichten. Dez houden zich voornamelijk bezig met kashrut, Din Thora, en Gittin. Het Satmar Beit Din heeft ook activiteiten op het gebied van Giyur ontplooit maar dit enkel en alleen voor mensen die bereid zijn zich volledig en zonder enige reserve in de Satmar ideologie in te schrijven zoals de totale afwijzing van de Staat Israel of elke seculiere opleiding. Wie echter zich hieren kan vinden hoeft dan echter niet meer zich al te veel in te spannen, aangezien de kennis eisen aan de potentiel gerim uiterst miniem zijn. Uit persoonlijke ervaring weet ik bijvoorbeeld dat de gevraagde kennis van vrouwen zich beperkt tot het van buiten kennen van een beperkt aantal berachot en de meest direct praktische aspecten van Kashrut en Shabbat.

 

Ook in niet Chassidische kringen werden Batei Din opgericht die zich ook vandaag beizg houden met giyur. Ik zal daarvan enkele hier bespreken maar moet dit overzicht ook laten voorafgaan door een waarschuwing. Naast de Batei Din die ik hier zal bepsreken zijn er in de VS ook een flink aantal – vaak geleid door zeer gerespeteerde en gernommeerde rabbijnen- die als het ware de giyur als kkopwaar beschouwen en het spreekt dan ook vanzelf dat deze giyurim een kwalijke reputatie hebben en door velen – waaronder het Hoofdrabbinaat van Israel – niet erkend worden. Naast het corruptieprobleem is er ook het feit dat vele Modern-Orthodoxe rabbijnen in de VS zich ophouden aan de marge van het Orthodoxe spectrum waar de grens met de conservatieve beweging zeer dun wordt. De situatie is daardoor nu zo dat het Israeische Hoofdrabbinaat in principe enkel nog de Giyurim erkent van een bepaald aantal Batei Din die staan op een exhaustieve lijst die sporadisch wordt aangepast. Daardoor blijven   ervan de duizenden en duizende actieve Orthodoxe rabbijnen in de VS nog een klein aantal over die Giyurim kunnen uitvoeren.

 

De grootste rabbijnse orthodoxe organisatie in de VS die zich vandaag met giyurim bezighoudt is de RCA. Deze is van moderne strekking en is vertakt over het gehele land. Het Hoofd-beit Din is gevestigd in New York. Ik ken een groot aantal van de mensen die daar vandaag werkzaam zijn vanuit mijn tijd aan Yeshiva University. Giyurim van dit Beit Din en nog een klein aantal regionale Batei Din van de RCA zijn erkend door het Hoofdrabbinaat van Israel.

Helaas zijn er ook echter zoals hierboven aangegeven  in de modern-Orthodxe wereld mensen actief die op dit gebeid omkoopbaar zijn. Een eerste voorbeeld is mij bekend uit mijn tijd als hoodrabbijn in Frankfurt. Er was in de stad toen een geval van een jongen die wenste te huwen met een niet-joods meisje. Men heeft deze jonge vrouw toen naar  Miami gestuurd, waar toen één van de grootste Halachische autoriteiten van zijn tijd resideerde. En na enkel een maand keerde zij terug met een Giyurcertificaat ontertekend door deze Rabbijn geschreven in een prachtig Hebreeuws. Het is mij echter ook later verteld dat dit certifica              at duur betaald is. Ik was hiervan zo geschokeerd dat ik uit afkeer voor deze man al zijn werken die ik bezat weggeschonken heb. Maar ook hier in Antwerpen ontsnappen we er noit aan . Er is in deze stad namelijk ook jammer genoeg een prominente rabbijn die als tussenpersoon fungeert met een zulk corrupt Beit Din in Los Angeles. Men kan naar hem toegaan en als men bereid is € 25000 op tafel te leggen dan stuurt hij de desbetreffende persoon naar Los Angeles om na een maand terug te keren met een certificaat zondere enige waarde. Daarna delen de Antwerpse en Californische rabbijn de buit. Een laatste geval dat mij bekend is, was dat van een Vlaamse studente van mij. Deze vrouw had een amerikaanse tandarts leren kennen en zij wilden huwen. Zij volgde bij mij een keer per week les en dit voor een half jaar en het spreekt vanzelf dat op dat moment haar kennis nog totaal ontoereikend was. Want hoewel ze een grote interesse had voor Kabbalistische zaken (voornamelijk van de Madonna strekking) was haar hebreeuwse leesvaardigheid en halachische kennsi van een uiterst miniem niveau. Echter na dit half jaar slaagde haar toekomstige echtgenot erin een ontmoeting te regelen met een omkoopbare rabbijn uit New York die, ongetwijfeld na de uitwissleing van de nodige pecunia, bereid was het zaakje te regelen. Direct daarna is deze vrouw gestopt met haar Joodse studies en getrouwd door de man achter het Kabbalah Center, Michael Berg. Die trouwens zelf ook vele mensen een waardeloze Giyur heeft aangesmeerd.

 

De conclusie moet hier zijn dat in zaken Giyur een grote voorzichtigheid aangeraden is. Er zijn uiteraard een respectabel aantal Batei Din die te vertouwen zijn en die tevens erkend zijn door het Hoofdrabbinaat in Israel. De lijst die vandaag door het Hoofdrabbinaat erkend wordt kan men vinden op de website van de organisatie ITIM, een lijst die trouwens ook Europese Batei Din oplijst. www.itim.org.il Het dient formeel afgeraden te worden met andere Batei Din te werken die niet op deze lijst voorkomen aangezien men daarna altijd geconfronteerd zal worden met erkenningsproblemen.

 

Ook kan het interessant zijn het werk van Rabbij Marc Angel te consulteren, iemand die uitgebreid gepubliceerd over de verschillende aspecten van halacha-getrouwe Giyur. (bijvoorbeeld http://www.jewishideas.org/min-hamuvhar/conversion-judaism-halakha-hashk...)

 

Voor mensen die geïnteresserd zijn in een Halachische Giyur is het volgende boek een echte aanrader:

 

Choosing to be Jewish: The Orthodox Road to Conversion

Auteur: Rabbi Marc D. Angel
ISBN: 0-88125-890-3

 

 

 

 

 

Epiloog: Non-Halachische en Valse Giyurim

 

 

Met de oprtichting in 1948 van de Staat Israel kreeg de gehele vraag van “Mi Yehudi” (oftewel wie is Jood ?),die daarvoor al vrij heikel was geweest, een nieuwe dimensie. Een van de meest fundamentele wetten van het nieuwe land was namelijk dat iedere Jood het recht had zich in Israel te vestigen en de nationaliteit te verwerven. Deze wet definieerde chter niet zel het begrip Jood en het toepassingsveld van dit recht bleef dus vanuit de wetgever ambivalent en werd in de handen van administratie en rechtspraak gelegd.  Dit betekende voor de eerste keer het Joodse statuut het puur religieuze oversteeg maar ook een kwestie werd van seculier Israelisch recht. Bijna elke Israelische  regering kreeg daardoor deze vraag altijd opnieuw op haar bord geserveerd en dit blijft het geval.

 

De kern van het probleem is dat sinds de modernieit er een diversiteit in de Joodse wereld zich heeft gemanifesteerd op religieus gebied die zook tot uiting komt in concurrerende voorstelling van wie binnen dan wel buiten de categorie van Jood valt. De tradionele Halachische benadering, naar waar het Het Thora-getrouwe Jodendom haar benadering richt, is dat hij of zij Joods die uit een Joodse moeder is geboren of zich bekeerd heeft tot het Jodenom volgens de vereisten van de Halacha (dat betekent ten eerste een goedkeuirn door een rabbinale rechtbank samengesteld uit drie Rabbijne die Thora-getrouw zin, de volledige en reserveloze aanname van het geheel van de mitzvot die moet gebaseerd zijn op een grondige kennis van deze mitzvot en andere zaken zaken zoals de mogelijkheid de siddur te lezen in het Ivri, een onderdompeling in een kosher mikva en voor de mannen komt dan daar nog de besnijdenis bij).

 

Deze definitie van de Joodse status is echter niet noodzakelijk meer die van andere moderne  stromingen in het Jodendom zoals de mAsorti beweging, de Reform of Reconstructionisten. Zo is er ten eerste  een tendens – zeker in de Reform – om ook kinderen die enkel een Joodse vader hebben als Joods te beschouwen. Maar het is voor namelijk op het gebied van de bekeerlingen dat de verschillen het meest prapant orden. Zo is er ten eerste de kwestied dat d egrote meerderheid van de zogenaamde rabbijnen uit deze beweging niet als Shomrei Mizvot (de wetten onderhoudend kunnen gezien worden). Zo zullen zij in navolging van hun beweging beppalde Halachot totaal opgeven of bepaalde activiteiten ontplooien op religieus gebied die onverneigbaar zijn met de Halacha zoals interconfessionele huwelijken en crematies. Dit alles maakt  hen vanuit Halachisch standpunt onbekwaam maakt om een Giur te superviseren.  De grootste kwestie is echter de aanname van de mitzvot door de bekeerling zelf. Alle  bewegingen buiten de orthodoxie hebben op meer of minder radicale wijze de Halacha opgegeven en gesteld dat bepaalde delen ervan niet meer van toepassing zouden zijn. Dit wordt ook geleerd en de mensen die in deze beweging giur willen doen met als resultaat dat als deze mensen wanneer ze zeggen dat ze de mitzvot op zich nemen, hiermee niet bedoelen dat ze  werkelijk alle mitzvot op zich nemen maar enkel de gemodificeerd en gemassacreede vorm ervan die in hun beweging gandbaar is. In de reform beweging zal dit bijvoorbeeld inhouden dat zij van mening zijn dat ze niet langer gebonden zijn aan Kashrut, Shabbat of Tharat Hamispacha. Het mag duidleijk zijn dat hierdoor  vanuit Halcahcisch oogpunt dan ook geen sprake kan zijn van een volledig aanname van de mitvot.

 

Het gevolg hiervan is dat er een steeds groeined groep van mensen is die in hun eigen ogen en die van hun eigen gemeenschap wel Joods zijn maar die dit niet zijn vanuit het oogpunt van het Thorgetrouwe Jodendom. Aangeien deze mensen ook kinderen zullen krijgen zal er zich binnen de volgende genraties het probleem voordoen dat zelfs wanneer iemand uit de niet-orthodoxe bewegingen Shomer mitzvot wordt er altijd een vraag over de afstammming zal blijven rondhangen. Dit stelt uiteraard een groot probleem op huwelijksgebied en zal leiden tot de noodzaak aan safety-giurim om zeker te zijn dat de persoon in kwestie Joods is.

 

Het zijn al deze kwesties die telkens weer het probleem vormen voor de interpretatie van de aliyawet in Israel. In het omgaan met deze problemen heeft er zich ook gedurende de laaste 65 een grote evolutie voorgedaan. Zo kan men stellen dat hoewel er in de basiswet geen vermelding is van de Halacha in de praktijk het ministerie van binnelandse zaken en de gerechthoven de Halachische dfinietie van een Jood als richtsnoer hanteerden. In bepaalode gevallen waren ze zelfs strenger dan het rabbinaat. Een bekend voorbeeld is hier het Broeder Daniel precedentwaarover het hoge gerecht in de Jaren 50 uitspraak heeft gedaan. Het ging hier om een man die zonder enige twijfel Halachisch Joods was maar die zich had bekeerd tot het Christendom en uiteindelijk zlefs monnik was geworden. Hij wilde gebruik maken van zijn recht op aliya wat hem door de adminsratie geweigerd werd en wat het hoge gerecht bevestigde. Als men hierbij de puur Halachische riteria had gehanteerd had men hem moeten binnenlaten aangeizen apostasie in de Hamcha niet het Joodse statuut opheft. Niettemin koos men in het seculiere recht om restricitever te zijn dan de Halacha en men voegde als interpratie toe dat het recht op Aliya maar gegarandeerd is zolang men niet tot een andere religie is overgegaan. 

 

Oswald Rufeisen (Brother Daniel)

 

 

Dit principiele paralleisleme tussen de halmachische en seculiere rechtsopvatting van Joodse identiteit kwam echt al vrij snel onder druk te staan. Aangezien de meerderheid van het Amerikaanse Jodendom tot liberale stromingen behoort kwam er natuurlijk druk uit die richting om ook de niet-orthodoxe invulling van joodse status zoals vader-Joden of niet halachise gerim binnen de aliya wet te erkennn. Een grote breuk op dit gebied was de uitspraak van he Hoge gerecht begin jaren 80 in de Miller zaak. Het ging in casu om een vrouw die in de reform beweging giur had gedaan en daardoor een recht op aliya claimde. Het hoge gerecht heeft dit toegastaan , maar het moet wel gezegd worden dat het gerecht in haar uitspraak geen volledige duidelijkheid heeft geschapen op welk deel van de aliya wet zij dit recht garandeerden. Sinds sdeze uitspraak is er dan ook een discrepantei tussen wat de Staat Israel beschouw dals iemand met een recht op aliya en wat het Hoofdrabbinaat beschouwt als Jood. In de praktijk kunnen dus mensen met een niet-orthodoxe giyur Aliya maken naar Israel, maar zij zullen daa op de muur vanhet Hoofdrabbinaat stoten die verder het recht behoud om te beslissen over hun Joods statuut. Pittig detail in deze is wel dat door een vreemde Juridisch-technische redereing mensen die een oethodxe giyur gedaan hebben buiten Israel bij een Beit Din dat niet expliciet wordt erkend door het Hoofdrabbinaat in een slechtere situatie zijn dan diegen met een niet-halachische Giyur aangezien zij ook geen recht op aliya hebben. Het enige wat dan vaak een omweg kan zijn is een minstens twee-jarig lidmaatschap van een erkende orthodoxe gemeente buiten Israel te bewijzen zonder dat men daarbij vermeld dat men een Ger is.

 

Valse of bedriegelijke Giurim – Internet Giurim

 

Hoewel men vanuit het standpunt van het Thoragetrouwe Jodendom uiteraard een op zijn zachtst gezegd uiterst kritische houding aanneemt tegenover Giurim gedaan binnen niet-orthodoxe bewegingen moeten deze laatsten niettemin toch nog onderscheiden worden van oon nog vell kwallijker categorie. Waar wij weliswaar bijvoorbeeld Reform giuyrim om de hierboven vermelde redenen niet kunnen erkennen moet hen wel ten goede vermeld worden dat ze tenminste uit zuivere motieven handelen. Daartegenover staan een aantal kwalijke lieden die op geen enlele mogelijke wijze als gekwalificeerd kunnen worden gezien - in de ogen van geen enkele beweging – en die doorgaans via het internet naieve mensen eenoudigweg oplichten om er zelf grof geld aan te verdienen. Doorgaans gaat het dan om mensen die niets tot weinig over het Jodendom weten en daardoor het makelijke prooi worden van oplichters die hen vanalles kunnen wijsmaken. Zulke mensen opereren meestal vanuit de Vs maar meer en meer ook vanuit Israel.  In het beste geval wordt er een soort van correspondiecursus aangeboden die tussen een jaar en een anderhalfjaar duurt. Het spreekt vanzelf dat deze cursussen van zeer bedenkelijk niveau zijn en dat men op het einde daarvan in het beste geval een zeer vage en onvolledige kennis van de Halacha zal hebben en al helemaal geen Hebreeuws kan lezen. Vaak is er echter zelfs geen sprake van een zulke correspondiecursus, maar wordt er een pro forma show opgevoerd met schijnexamen.  Op het einde van de rit krijgt men dan een waardeloos stuk papier in handen dat door werkelijk niemand, maar dan ook niemand, erkend wordt. De prijs van zo een grap ligt doorgaans rond de 3000 Euro wat al bij al toch een hoge prijs is voor een stuk behangpapier.

 

Het is misschien informatief om dit te illustreren aan de hand van twee concrete gevallen waar ik mee bekend ben. In één geval ging het om een nederlandse dame die de vaste wens had om Joods te worden maar helaas niet echt op de hoogte wasvan hoe een giyur verloopt. Zo kwam ze terecht bij een oplichter die vanuit Miami opereerde. Op het einde van de rit toen ze “in de mikveh moest gaan” werd ze naar Berlijn gesommeerd waar ze zich moest onderdompelen in de Wannsee, zonder zelfs een ficitef Beit Din maar enkel onder het toezicht van de man achter deze operatie. De onderdompling geschiedde in badkleding - wat uiteraard volledig ongeldig is - en met mannen en vrouwen tesamen. Na deze opvoering kreeg elke deelnemer zijn certificaat en een mezuzah met daarin een gedrukt stukje pappier met mazal tov opgeschreven. De drie handtekeningen op dit papier zijn bij niemand bekend. De locatie van d e Wanssee is uiteraard terug te voeren op het feit dat net op deze plek waar de venietinging van de Europese Joden besloten is nieuwe “Joden” aan te maken. De betreffende vrouw heeft dan later bij mij zich voorbereid op een Giyur en is dan uiteindelijk uitgekomen bij een Charedish Beit Din in Bnei Barak en woont momenteel in Israel.

 

Het andere geval betreft een jonge man uit Nederland die helaas uit naiviteit door dezelde man opgelicht is. Het enige verschil was hier dat de zogezegde onderdompleing inde mikveh plaats vond – ook deze keer in badkleding – in de Rijn zonder toezicht zonder Rabbijnen. De rRijn is waarschijnlijk gekozen vanwege de etymologische verzantschap met het woord rein als in proper, maar zoals de meesten weten is de Rijn op de meeste niet meteen het meest zuiver water.

 

Deze praktijken moeten echt wel vermeld worden om te voorkomen dat goedmenende mensen uit onwetendheid het slachtoffer worden van zulke laakbare praktijken die niet enkel een zware financiel etol vergen maar ook op emotioneel gebied zwaar huis kunnen houden.

 

 

 

Conclusie

 

We zijn hiermee aan het einde gekomen van dit langere essay over Giyur en haar praktische invulling vandaag. De oplettende lezer zou nu zich – zeker in het licht van het laaste hoofstuk – kunnen afvragen of er in dit veld werkelijk zoveel bedrog in het spel is.

 

Het antwoord op deze vraag is relatief simpel: Het is helaas zo dat wannneer er ergens geld verdiend kan worden er ook altijd wel gewentenloze individuen zullen zijn die misbruik zullen maken van het vertrouwen en de oprechte gevoelens van anderen. Zeker in de Amerikaanse context moet men hier zeer voorzichtig zijn.

 

Laat echter de conclusie van dit essay niet donker van aard zijn. We hebben immers hier ook aangetoond dat er doorheen de hele wereld betrouwbare en onkreukbare Rabbijnen en Batei Din zijn – van verschillende smaken en richtingen – die enkel uit zuiver motieven handelen en reeds vele mensen onder de vleugels van de Shina gebracht hebben. Ik hoop dan ook dat dit overzicht tot hulp mag zijn van velen die een bekering tot het Jodendom overwegen.

Of zoals men in het Hebreeuw zo krachtig pleegt te zeggen: “Als zelfs één mens bewaard wordt van een fatale misstap, is dat mijn loon. “

 

 

 

Colofon

 

5 Sivan 5774/3 Juni 2014

 

Professor Rabbijn Ahron Daum, B.A., M.S., Emeritus-Opperrabijn Frankfurt am Main

 

Nederlandse bewerking: Drs. Dennis Baert, M.J.

 

Webmaster: Yitzchak Berger, Melbourne/Antwerpen
Schoonzoon van Rav Ahron Daum, Shlita

 

 

Share this

Counter