Skip to main content

‘Chanoeka’, feest van de inwijding

 

 

‘Chanoeka’, feest van de inwijding.
 


 

Stille lichtjes hebben diepe gronden

 

 

Van prof. Rabbijn Ahron Daum, B.A. M.S., Emeritus Opperrabbijn Frankfurt/M.

 

 

 

 

 

Enige gedachten van deze essay zijn ontleend uit het boek Filosofische achtergronden van de Joodse voorschriften (2007, Rabbijn drs. Rafael Evers, Shlita, Dayan aan de Europese Beit Din in Bazel. Ik ben hem dank verplicht voor de vele mooie inspiraties dat dit werk mij geschonken heeft.

 

 

Feest van het licht (‘Chag Oeriem’, Js, 24:15)

 

‘Chanoeka’ is een ‘relatief jonge Joods feest’. Het werd ‘slechts’ bijna 2200 jaar geleden ingesteld. In het Hebreeuws betekent ‘Chanoeka’ 'inwijding'(II. Tempel, altaar of menorah). Het feest staat ook wel bekend als het feest van de lichten (‘Chag Ha'Oeriem’).

Het ‘Chanoeka’-feest duurt acht dagen, en daarom is het ook de langst feest van het Jodendom; het is ter herinnering aan het 'Chanoeka’-wonder. De eerste dag van dit feest begint na zonsondergang van de 24e dag van de joodse maand ‘Kislev’, het is ook de periode van de zonnewende in de winter, de ‘donkere dagen’, wanneer de nachten het langst zijn en de dagen het kortst.

Het feest duurt van 25 ‘Kislev’ tot 2 of 3 ‘Tevet’. Overal, in de synagogen en in de huizen, wordt de achtarmige kandelaar ‘chanoekia’ klaargezet. Vanaf de eerste avond begint een vlammetje te stralen. Elke avond komt er een vlammetje bij tot op de achtste avond alle acht lichtjes zullen branden.

Sinds meer dan 20 eeuwen komen oud en jong samen rond de ‘chanoekia’ (achtarmige kandelaar) om een danklied te zingen voor G’d, die de overwinning geschonken geeft aan de moedige, kleine groep Makkabeeën. Die strijd van de Makkabeeën tegen de Hellenisten was beslissend voor de resolute karaktervorming van het Joodse volk. De strijd onder leiding van Jehoeda de Makkabeeër, hadden de godsdienstvrijheid van het Joodse volk tot gevolg, en een nationale onafhankelijkheid van het land Israël die zou duren tot de Romeinse bezetting van Judea (ongeveer 200 jaar).

 

‘Chanoeka’ draagt ook een Messiaans element in zich: de strijd tussen het licht en de duisternis, de strijd tussen de fysieke wereld (Hellenisme) en de spirituele wereld (Torah en Jodendom) en de overwinning van het licht –‘Torah’ op het fysieke – ‘Hellenisme’.

 

 

Jesaja Oumran-rollen, Israel Museum, Jeruzalem. De oudste voorhanden zijnde geschriften van de bijbel. In deze geschriften is sprake van de strijd van de kinderen van de licht tegen de kinderen van de duisternis.

 

 

 

Jodendom en Hellenisme

 

De Torah roemt in Genesis 9:27 de ‘schoonheid (cultuur) van Griekenland’, die in de tenten van ‘Sjem’ (Israël) wonen zal.

 

In de Rabbijnse literatuur wordt gerefereerd naar de Griekse taal, literatuur en filosofie als denksysteem waarmee de wereld uitgelegd wordt. Deze Griekse filosofie heeft inderdaad een gerespecteerde plaats in het denken van onze Rabbijnse wijzen omdat, vanuit een Joodse, theocentrische Weltanschauung, de logica ingezet wordt als instrument voor de exegese van de Torah.

In het Joodse denken draait uiteindelijk alles om de G’dsgedachte.

 

In het Jodendom schiep G’d de mens. De mens wordt gedefinieerd vanuit een theologisch standpunt. De mens is zoals hij door G’d gezien wordt. Hij staat in dialoog met het Opperwezen en leidt dus geen geïsoleerd bestaan.

 

Het Hellenisme daarentegen beschouwt de mens als een onafhankelijk en zelfstandig wezen, die niet aan G’d gebonden is.

De beroemde uitspraak van de Griekse filosofie: ‘ken uzelf’ en de uitspraak van de Franse denker René Descartes (1596-1650): ‘ik denk dus ik ben’ - worden in de Joodse theologie vervangen door:

‘Ik word gekend door mijn G’d, mijn gedachten worden door Hemgeschouwd en dat bepaalt mijn wezen’. (Psalmen)

 

Het mensbeeld in het Jodendom en in het Hellenisme is dus eigenlijk totaal anders.

In het Jodendom is er geen bestaan mogelijk zonder G’ds kennen. Zonder kennis van G’d missen in het Jodendom morele en ethische overtuigingen ieder fundament en stabiliteit.

Hellenistische filosofen zoals Socrates (470-399 v.d.g.j.), Aristoteles (384-322 v.d.g.j.) en Plato (427-347 v.d.g.j.) stellen de mens centraal. De mens is dominant in de Griekse filosofie.

Het is algemeen te bemerken dat filosofie en theologie tegengestelde geestesbewegingen zijn. Filosofieis de poging de wereld te vatten van beneden naar boven. Geloof is het denken over de Openbaring, die van Boven naar beneden komt, en als het ware in de wereld inbreekt.

 

Vanuit dit standpunt bestempelen onze wijzen de Griekse filosofie en ook zijn mythologie als duisternis. De Griekse mythologie vermenselijkt de afgoden en draagt de menselijke zwakheden en tekortkomingen over op deze afgoden.

 

Dit is in algemeen minder acceptabel dan afgodendienst, die oprecht zoekt naar de Eerste Oorzaak.

Onze aartsvader Avraham had aan het begin van zijn religieuze zoektocht een intensief geloofsdispuut met de beroemde Babylonische koning, Nimrod die het vuur aanbad. In deze en in elke religieuze strijd wordt steeds naar de diepere oorzaken gezocht en uiteindelijk komt men vanuit Joods standpunt, bij de Eerste Oorzaak – het Opperwezen ‘Hasjem’ - terecht. Hellenisme legt een grote waarde op esthetiek en schoonheid, zoals kunst, bijvoorbeeld de tempels op de Akropolis in Athene,

En hjeeft minder belangstelling voor humane belangen, bijvoorbeeld de Spartaanse euthenasie tegen ouderen en zwakkeren. De totale morele decadentie van de Griekse maatschappij die op sexuele gebied alle normen vervaagd hebben, waaronder orgiën, homoseksualiteit, overspel etc(dit is wel een goed spiegelbeeld van de decadente morele toestand van enkele Westerse landen, zoals Nederland en Belgie die spijtig regressief zijn en de verdorven kanten van de Griekse-Romeinse cultuur ijverig imiteren). Dit permissieve gedrag is op de Griekse mythiologie te herleiden, namelijk dat de Griekse afgoden zich absoluut immoreel gedroegen.

Dus de consequentie van dit absurde gedrag is dat als de afgoden van de Griekse mythiologie zich zo gedragen, mogen de mensen hen imiteren en zich in een moreel dieptepunt laten vervallen. In scherpe tegenstelling gaat het Jodendom van G-d als Opperwezen uitx van moraal en ethiek. Wij worden gevraagd in de voetstappen van G-d te wandelen, barmhartig te zijn, de zwakkeren van ons gezelschap te helpen en elk leven te respecteren als de beeltenis van G-d(ziel=neshama) ongeacht hoeveel waarde of nut hij voor de maatschappij betekent. Het Jodendom heeft al zijn energie niet in mooie gebouwen, standbeelden ect gestopt, maar vooral in de mens zelf. De mens is het centrale Schepping van deze wereld en onze inspanningen zijn gericht om onszelf zo dicht als mogelijk bij Hashem te brengen.

 

Acropolis in Athene: symbool van Hellenistische kunst en esthetiek

 

 

 

Waarom vieren we ‘Chanoeka’?

 

Nationale redenen.

De Hellenistische Syriërs wilden alle Joden tot Hellenisten maken. Alexander de Grote (356-323 v.d.g.j.) is een uitstekend voorbeeld van een Hellenist. Hij heeft op jonge leeftijd de hele Oriënt veroverd, maar hij wilde de Griekse cultuur en denkwijze afdwingen in zijn immens veroverde Rijk!

 

Alexander de Grote (356-323 v.d.g.j.)

 

 

De Hellenisten hebben de Joden niet existentieel bedreigd in de zin van uitroeiing, de bedreiging was spiritueel.

 

 

 

Maar de spirituele bedreiging van de Hellenisten was heel erg voor het verderbestaan van het Joodse volk. De fundamentele ‘mitsvot’ – geboden van de Torah - zoals Besnijdenis (‘Briet’ of de bond van de Joden met G’d) en de ‘Sjabbat’ werd verboden.

 

Besnijdenis is voor het Joodse volk is een heel sterk basisgebod en symbool. Het niet praktiseren van dit gebod wordt als ‘ontrouw’ aan G’d gezien en als niet identificeerbaar met het Jodendom.

Ook de ‘Sjabbat’ is een peiler binnen het Jodendom. Zonder ‘Sjabbat’, met zijn revitaliserende rust en zijn extra spirituele ziel, zijn heilzame zegeningen en inspiratie heeft de rest van de week voor de religieuze Joodse mens geen zin meer. Volgens de beroemde Israëlische dichter Nachman Bialik (1873-1934) beschermt de ‘Sjabbat’ de Joden en geeft de ‘Sjabbat’ aan de Joden levensinhoud.

 

Besnijdenisceremonie                                           Shabbat sfeer

Bernard Picart (1727)                                          Bernard Picart (1727)

 

Religieuze redenen.

Op ‘Chanoeka’ wijden wij ons in tot G’d. ‘Chanoeka’ is het enige winterfeest in het Jodendom, de dagen zijn kort, de nachten lang. We voelen ons verbonden met de ketting van generaties gedurende 2200 jaar. Inwijding is heel belangrijk. Een ‘ger’ (proselyt die zoekt opgenomen te worden in het Jodendom) en ook jonge kinderen kennen gedurende hun opvoeding (‘chinoeg’ – Joodse religieuze opleiding) een lang proces van inwijding.

 

Chanukah onderweg in winter- Commuters Journal, USA

 

Militaire redenen

De Makkabeeën hebben de Hellenisten overwonnen als David tegen Goliath.

De Rabbijnse interpretatie van ‘Chanoeka’: ‘chanoe’ = rusten, ‘ka’ = 25. Op 25 Kislev overwonnen de Makkabeeën de Hellenisten en rustten van de oorlog.

 

‘Chanoeka’ is een Rabbinaal feest. De Makkabeeën hebben besloten, na de inwijding van de Tempel en de militaire overwinning tegen de Griekse overmacht, om dit feest in elke generatie te vieren, ze hadden daarvoor de toestemming van de Grote Rabbinale Vergadering tijdens de periode van de Tweede Tempel.

 

‘Chanoeka’ wordt vooral op spiritueel niveau gevierd, dit omdat de bedreiging van de Hellenisten ook spiritueel was.

Het volledige lofgebed ‘Hallel’ (Psalmen 114 tot 118) wordt volledig gezegd op elke dag van ‘Chanoeka’, dit om onze dankbaarheid aan G’d te betonen.

Evenals wordt het dankgebed ‘Al Ha’Nissiem’ (over de wonderdaden) tijdens elk hoofdgebed (Smonéé Esree of het 18-gebed en het tafelgebed) gereciteerd.

 

‘Over de wonderen, de bevrijding, de heldendaden, de hulp die U voor onze voorouders tot stand bracht in die dagen op datum’

Overwinning van David op Goliath.              Het gevecht van David tegen Goliath              Gustave Dore                                                        Bob Deffinbaugh

Boodschap en symboliek van het ‘Chanoeka’-feest.

 

Ofschoon de gebeurtenissen en het wonder van ‘Chanoeka’ in het land Israël plaatsvonden, heeft ‘Chanoeka’ toch een karakter van een ‘galoet’-feest (een diasporafeest zoals ‘Poeriem’) omdat de vele bepalingen van ‘Chanoeka’ ons leren hoe het Jodendom ook in een zware nevel van ‘galoet’-duisternis uitgedragen kan worden.

Wij steken de ‘chanoekia’ tegenwoordig aan naar analogie van de Tempel-menora.

Er zijn toch ook grote verschillen:

    De Tempelmenora wordt binnen aangestoken, overdag en altijd zeven lichten.

    De ‘Chanoekia’ wordt bij voorkeur naar buiten aangestoken (voor het vensterraam), ‘s avonds en elke dag komt er een lichtje bij.

 

Deze verschillen zijn het gevolg van de verschillende omstandigheden tussen toen en nu. Gedurende het bestaan van de Tempel heerste er zowel op materieel als op spiritueel niveau doorgaans een vooruitgang. Vanaf de tijd van de Griekse overheersing tot op heden is er vrijwel altijd sprake van een anti-Joodse sfeer. In tijden van geestelijke duisternis zullen wij de donkere invloeden tegengaan door juist met ons ‘Torah’-licht naar buiten te treden. Daarom steekt men de ‘chanoekia’ juist naar buiten aan en niet eerder dan na zonsondergang. Wij steken ook elke dag een lichtje meer aan om te tonen dat we nooit tevreden mogen zijn met een spirituele achteruitgang.

 

‘Chanoeka’ zal ons genezen van onze eigen zelfverering. De afgoderij van het ego is misschien het moeilijkst te overwinnen. De ‘chanoekia’ steken wij aan puur voor het licht, niet ter verlichting. Wij verklaren dit met zoveel woorden bij het aansteken van de ‘chanoekia’: ‘Deze lichten, die wij aansteken, zijn er slechts om naar te kijken’.

Het licht van de ‘chanoekia’ symboliseert het spirituele licht van de Torah die de basis vormt voor de Joodse praktijk en nog even veerkrachtig is als duizenden jaren geleden.

 

Wij treden ermee naar buiten en steken de ‘chanoekia’ op straat aan omdat onze Leer en ideologie ons continu vullen met inspiratie.

 

‘Chanoeka’ is een feest met diepzinnige achtergronden. Zo is de oorspronkelijke familienaam ‘Chasjmona’iem’ voor de nu gebruikelijke naam Makkabeeën vol symboliek. De naam ‘Chasjmonai’ is een combinatie van de beginletters van de belangrijkste principes van het Jodendom, die de Hellenistische Syriërs in de strijd tegen de Makkabeeën wilden verbieden, twee eeuwen voor de gewone jaartelling.

       De Chet staat voor ‘Chodesj’, de Joodse kalender

       De Sjin is de beginletter van ‘Sjabbat

       De Mem staat voor (‘briet’) ‘Mila’ (besnijdenis)

       De Noen voor ‘nida’ (Joodse reinheidswetten)

       De Alef vormt het begin van ‘Isjoet’, de Joodse huwelijkswetgeving.

 

Er geldt geen werkverbod of andere ‘Halachische’ verboden voor ‘Chanoeka’, behalve enkele kleine beperkingen rond de tijd dat de ‘Chanoeka’-lichten aangestoken zullen worden.

Herdacht wordt de dedicatie aan het Altaar en de Tempel van Jeruzalem in 164 v.d.g.j. door Jehuda ha’Maccabi.

Volgens de Rabbijnse traditie was er slechts één kruikje ‘koosjere’ olijfolie (met de zegel van de Hogepriester) voorradig om de menora te laten branden tijdens de reiniging van de Tempel. Door een wonder brandde de menora acht dagen lang – totdat de nieuwe olijfolie was toebereid - met de zuivere olijfolie uit het kruikje, al hoewel het kruikje slechts olie voor één dag bevatte.

 

De boodschap die ‘Chanoeka’ ons wil brengen is die van het spirituele overleven van ons volk doorheen de tijden. ‘Chanoeka’ viert niet alleen het wonder van dat kruikje met wat zuivere olijfolie, maar ook het wonder dat uitgedrukt wordt door de Makkabeeën die de lamp aanstaken, nl. de spirituele overwinning tegenover een fysische overmacht.

 

De strijd van de Makkabeeën is nog steeds actueel. Oorlog wordt binnen het Jodendom niet verheerlijkt, het gaat om de morele boodschap van ‘Chanoeka’ voor de komende generaties. Daarom is er weinig aandacht voor de militaire strijd van de Makkabeeën in de grondwerken van het Jodendom, de Misjna en de Talmoed.

 

Eleazar kills the elephant (1 Macc. 1.6.43)
Gustave Dore 1865                                         

 

Historische achtergrond van het ‘chanoeka’-feest.

 

De historische belangrijke bron voor de militaire strijd van de Makkabeeën vinden we in de apocriefe boeken Makkabeeëen I tot IV. Het religieuze wonder van het kruikje olijvenolie komt vooral in de Talmoed en in mindere mate ook in de Misjna voor.

 

Juda de Maccabeër/Jehuda haMaccabi.

Het verhaal van ‘Chanoeka’ draait hoofdzakelijk om de leider Juda de Maccabeeër (in het Herbreeuws: Jehuda ha’Maccabi), zijn vijf broers en hun vader.

Jehuda leefde in het Hellenistische tijdperk, toen de Joden zwaar onderdrukt werden qua hun geloof. Het kwam zelfs tot het punt dat de Hellenistische Syriërs de Tempel in Jeruzalem ontwijdden, om de Joden belachelijk te maken, door op het altaar in de Tempel een varken te offeren... een dier dat voor Joden onrein is volgens de ‘kasjroet’-wetten uit Leviticus 11,7-11. Dit gebeurde op bevel van de Syrische koning Antiochus Epifanes ‘de zotte’ op 25 ‘Kislev’ 167 v.d.g.j.

 

Jehuda de Makkabeeër                              Antiochus Epifanes

Gustavo Dore

 

Antiochus Epifanes was ervan overtuigd dat, wanneer de Joden geheel gehelleniseerd zouden zijn, hij hen gemakkelijker zou kunnen onderwerpen. Het Joodse volk was toen verdeeld in:

    Hellenisten die de Griekse beschaving met geweld wilden invoeren, en met de vijand collaboreerden,

    en de ‘Chassidiem’ (lett. vromen en piëtisten) die traditioneel en Torah-getrouw waren omdat zij meenden dat de Hellenistische geest diametraal in strijd was met het Jodendom.

 

Er ontbrandde een lange en bloedige oorlog, waarin voor het eerst in de antieke geschiedenis door de Makkabeeën, die duidelijk in de minderheid waren, de militaire partizaan - guerrilla - tactiek werd ingevoerd. De Makkabeeën kregen in de loop van hun strijd tegen de Syrische Grieken steeds meer aanhangers en sympathisanten en ze bevrijdden steeds meer gebieden uit de handen van de vijand. Hun populariteit werd zo groot, dat het Joodse volk de leider van de Makkabeeën 'Jehuda haMaccabi' ging noemen. Het woord ‘Maccabi’ betekent in het Hebreeuws ‘hamer' wat de kracht impliceert waarmee Jehuda de Makkabeeër pijnvolle klappen gaf aan de Grieken.

Een andere bekende interpretatie voor het woord ‘maccabi’ is dat Jehuda, de Chasmoneër en zijn soldaten op hun banieren de letters ‘Mem’, ‘Chet’, ‘Beth’ en ‘Joed’ droegen. Zo wilden zij aan de buitenwereld tonen dat deze letters staan voor de woorden 'Mi Chamocha Ba'elim Adonai?'.

Letterlijk vertaald: Wie is zo machtig als U onder de machtigen, Eeuwige?

Precies drie jaar na de ontwijding van de Tempel door de Griekse Syriërs trok Jehuda de Makkabeeër op 25 ‘Kislev’ (164 v.d.g.j.), Jeruzalem binnen en reinigde de Tempel van alle Griekse afgoderij.

 

De Tempel was ontwijd en vernield en na de bevrijding was het de taak van de hogepriester en de ‘Chasmoneeërs’ om de Tempel weer in ere te herstellen.

De gouden heilige zeven-armige menora die in de Tempel stond, was door de Grieken misbruikt en verontreinigd. Er moest een nieuwe provisoire zeven-armige menora opgezet worden.

Na de verwijdering van alle Griekse afgoden in de Tempel merkten de ‘chasmoneese’ priesters dat er geen ‘koosjere’ olijfolie meer was om de zeven-armige menora te laten branden.

Ze vonden wel nog één klein kruikje met wat ‘koosjere’ olijfolie, die het zegel van de hogepriester droeg. Dit kleine kruikje bevatte slechts olijfolie om de menora één dag te laten branden. Met deze olijfolie van het kleine kruikje werd de menora aangestoken en zo werd de Tweede Tempel

heringewijd.

 

             

Maoz Tzur, het meest populaire lied van Chanoekah (13e eeuw).                                         

 

 

Inwijding van de Tweede Tempel door de Chasmoneëen.

 

Gustavo Dore

 

Omdat er alleen een kleine hoeveelheid olijfolie voorhanden was, wisten de Hogepriester en de ‘Chasmoneeën’ dat zij gauw op zoek moesten naar meer zuivere olijfolie om de menora elke dag te laten branden. Volgens de Talmoed gebeurde een wonder en de menora brandde met deze kleine hoeveelheid olijfolie acht dagen lang, tot er nieuwe olijfolie bereid was.

 

 

De Hogepriester, de ‘Chasmoneese’ priesters en het Joodse volk vierden een groot feest. De ‘Chasmoneeërs’, de overwinnaars van de strijd tegen de Hellenisten, stelden het ‘Chanoeka’-feest in op dezelfde jaartijd, op dezelfde datum, nl. 25 Kislev opdat wij en alle komende generaties deze wonderlijke gebeurtenissen niet zouden vergeten.

 

 

Daarom vieren de Joden jaarlijks, vanaf de 25e ‘Kislev’ het feest van ‘Chanoeka’, dat 'Herinwijding' betekent. Vele Joden vandaag de dag, zingen tijdens dat feest 'Maoz Tsoer' en spelen met Dreidels (Hebr. Sevivon)

Een van de meest populaire gerechten van Chanoeka is de oliebollen of Soefganiot

of Ponschkes. Het herinnert ons natuurlijk aan de wonder van de olie.

 

 

De moraal van ‘Chanoeka’: geen verheerlijking van strijd.

 

‘Chanoeka’ vieren wij a priori door het aansteken van de acht resp. negen-armige ‘chanoekia’. Tegenwoordig herinnert ons vrijwel niets aan de moedige, heldhaftige strijd van de Makkabeeën. Is de voormalige strijd van de Joodse onafhankelijkheid dan niet de moeite van het herinneren waard? Heeft tweeduizend jaar diaspora ons ongevoelig gemaakt voor het belang van een eigen heimat? Zeker niet! Al in de tijd van onze stamvaders Avraham, Jitschak en Ja’acov heeft G’d keer op keer beloofd, dat het Joodse volk slechts in het beloofde land ‘Erets Israël’ kan gedijen.

De Exodus uit Egypte was bedoeld om het Joodse volk naar ‘Erets Israël’ te brengen. De recente gebeurtenissen uit de moderne geschiedenis bevestigen dit ‘statement’: alleen in het land Israël is er een werkelijke toekomst voor het Joodse volk.

 

Het Joodse volk kan zich best ontplooien in het Heilige Land Israël.

 

De bekendste religieuze dichter in de Hebreeuwse klassieke taal, grote filosoof en denker, Rabbi Jehoeda Halevi uit Toledo (12de eeuw) legt in zijn fundamentele, filosofische werk de ‘Koezari’ uit, dat zoals iedere plantensoort zijn eigen fysiek gunstige omstandigheden kent, zo heeft ook het Joodse volk een ideale groeiomgeving nodig om tot steeds grotere spirituele hoogten te komen.

Volgens Rabbi Jehoeda HaLevi, een echte religieuze zionist, spreekt het volk Israël niet over een recht op zijn heimat maar over een door G’d opgedragen plicht om het Land te bewonen en daar de geboden uit de Torah na te komen. Het Joodse volk heeft sinds zijn geboorte als volk met de openbaring op berg Sinaï een universele opdracht: als G’ds volk een spiritueel voorbeeld te zijn van het levende monotheïsme.

Het volk Israël kent bewust geen neurotische gebondenheid aan heilige plaatsen en stenen.

 

De derde Tempel in Jeruzalem zal eens in de Messiaanse dagen het spirituele middelpunt voor alle volken vormen. De 2000-jarige geschiedenis van het Joodse volk in exil en diaspora heeft overigens geleerd dat ons religieuze en culturele erfgoed voldoende krachtig en vitaal is om ook op vreemde bodem onze Joodse identiteit levend te houden.

 

Solomons Temple volgens de visie van profeet Ezechiël (Ezechiël 40-47)

 

 

De betekenis van het licht in het Jodendom, in het bijzonder in samenhang met het ‘chanoeka’-feest.

 

De ‘chanoekia’ (meervoud ‘chanoeki’ot’), een speciale kandelaar voor ‘Chanoeka’, heeft plaats voor 8+1 paraffine - kaarsjes of vlammetjes op olijfolie. Iedere dag steekt men eerst het extra ‘negende’ lichtje aan, de ‘sjammasj’. ‘Sjammasj’ is afgeleid van dienst in het Hebreeuws (‘sjimoesj’), omdat dit lichtje dienst doet om de andere aan te steken. Ook de dienaar in de synagoge noemt men de ‘sjammasj’.

De ‘sjammasj’ staat ietsje afgezonderd van de andere lichtjes, qua hoogte of plaats. Men heeft dus 44 olijvenlichtjes of kaarsjes nodig in totaal. Het woord ‘sjemmesj’,zon, heeft dezelfde stamletters als ‘sjammasj’. En wil zeggen dat dat de andere planeten zich bedienen van de zon, dat betekent dat ze de zon omcircelen.

 

De betekenis van het licht is het optimisme dat er een betere wereld komt. (zoals het Messianisme). En zo is de dag in het Jodendom verbonden met het idee van verlossing (Ge’ulah).

 

‘Chanoeka’ wil ons het geheim en het wonder van het licht leren. Een minuscule vlam overwint de massale duisternis.

De lichten van ‘Chanoeka’, hoe klein ze ook zijn, herinneren ons aan onze plicht een kaars aan te steken, en nog een, en nog een, in een constante vooruitgang, opdat de duisternis plaats zou maken voor het licht.

 

 

Maar als wij die overwinning willen behalen, moeten wij de vastberadenheid en de moed van de Chasmoneese Hogepriester Mattitiahoe en zijn vijf zonen, de Makkabeeën, hebben en mogen wij ons niet laten afschrikken door levenssituaties die schijnbaar uitzichtloos zijn.

Naar het voorbeeld van de Makkabeeën, die een kleine kruik olijfolie hadden gevonden om de menora van de Tempel te voeden, moeten wij figuurlijk ons best doen om zuivere olijfolie te zoeken. Als zij erin geslaagd zijn de vlam weer aan te steken, zo moeten wij in onze dagelijkse levenssituaties ook de lichten opnieuw aansteken. Wij hebben inderdaad geen echte Tempel meer, maar zijn onze huisgezinnen niet allemaal tempels ter ere van de glorie van de Eeuwige?

Historisch archeologisch antieke Olijfolie-persmachine in Modi’in

 

Beroemde grafplaatsen van de Hashmoneen in Modi’in, residentie van de Hashmoneen.

 

Voor het aansteken van de lichtjes spreekt men meerdere zegeningen uit. Alleen op de eerste dag van ‘Chanoeka’ spreekt men een extra zegen uit Daarna steekt men met de ‘sjamasj’ de lichtjes aan: de eerste dag één, de tweede dag twee, etc. tot en met de achtste dag.

 

Na het aansteken van de kaarsjes spreekt men vaak een gebed uit met de redenen voor het aansteken van de lichtjes en de regels rond het gebruik ervan. Na dit korte gebed zingt men het meest bekende religieuze ‘Chanoeka’-lied ‘Maoz Tsoer’. Er zijn zes coupletten waarvan de beginletters de naam ‘Mordechai’ vormen. Mordechai is bijna een onbekende religieuze poëtische Asjkenazische dichter (Duitsland) die tijdens de Middeleeuwen rondom de tijd van keizer Barbarossa (1122 – 1190) leefde. In dit wereldberoemde ‘chanoeka’-lied beschrijft hij in elke van deze coupletten een belangrijke gebeurtenis uit de Joodse geschiedenis. Het eerste couplet gaat over de inwijding van de Tempel en het altaar door de heldhaftige Makkabeeën. Het tweede couplet handelt over de exodus, de uittocht uit Egypte. Het derde bespreekt de ballingschap naar Babylonië en de terugkeer na 70 jaar om de Tweede Tempel te bouwen. Het vierde couplet handelt over de wonderen van ‘Poeriem’. Het vijfde gaat over de wonderlijke overwinning van de Makkabeeën tegen de Hellenistische overmacht met het wonder van het kruikje. Het zesde couplet vraagt dat de vervolgingen van de Joden in de Middeleeuwen zou stoppen en dat de Messias het Joodse volk van de ellende en het gejammer zou vrijwaren met de hoop de derde Tempel te mogen inwijden.

 

Volgens de ‘Halacha’ (Joodse wet) moeten de ‘Chanoeka’-kaarsen minimaal een half uur branden en op Sjabbat-‘Chanoeka’ minimum tot het einde van de avondmaaltijd.

Wanneer het ‘Chanoeka’-licht uitdooft na het minium verplichte brandtijd van een half uur zijn we niet verplicht het weer aan te steken. De allegorische betekenis van dit voorschrift is dat wij als volk geacht worden het licht van de Torah te zijn en dit aan de andere volken door te geven.

Onze verantwoordelijkheid ligt, volgens de Profeten (vooral Jesaja), alleen in het aansteken van het geestelijk licht voor de volken van de wereld.

Het aansteken is de hoofdzaak en onze primaire verantwoordelijkheid.

 

De Torah heeft natuurlijk zelf het G’ddelijk potentieel om zich overal te verspreiden. Wat er van ons verlangd wordt is dat wij ook hiermee een begin maken, ondanks alle obstakels. Het aansteken is onze plicht, de rest mogen wij overlaten aan de krachtige G’ddelijke boodschap van de Torah.

Beleefde authentische ‘Jiddiskeit’ is in die zin een inspanningsverbintenis en niet zozeer een resultatenverbintenis. We moeten ons inspannen, de rest komt van Boven.

Toch geniet het de voorkeur dat als de ‘chanoekia’ geen half uur heeft gebrand de ‘Chanoeka’-lichtjes opnieuw worden aangestoken, maar dan zonder de zegeningen.

 

Een bijzonder aspect van ‘Chanoeka’ is dat de ‘chanoekia’ met de brandende lichtjes – indien geen acuut gevaar voor Jodenvervolging - voor het venster wordt geplaatst om zo het wonder van ‘Chanoeka’ publiek bekend te maken zowel voor Joden als voor niet-Joden.

‘Chabad’ of ‘Lubavitch’, een nogal extroverte ‘Chassidische’ beweging met als missie het bereiken van niet religieuze Joden en hen religieus te sensibiliseren, heeft hieruit zelfs een gebruik afgeleid tot het plaatsen van gigantische ‘chanoekiot’ op publieke plaatsen buiten Israël, zoals rond het Stadspark van Antwerpen. Soortgelijke ‘chanoekiot’ staan in Israël ook op publieke plaatsen, zoals hoofdsynagogen, stadshuizen en de luchthaven en natuurlijk voor de ‘Kotel’ (Westelijke muur). Dit wordt bevorderd door de Israëlische overheid.

 

Een ektrische Lubabvitsche chanoekiah voor de Opera van Praag

 

Chanoekiah voor de Kotel

De ‘mitsva’ is toch het aansteken van de kaarsen en niet het plaatsen van de ‘chanoekia’. Tijdens het branden mag de ‘chanoekia’ niet verplaatst worden.  Dit zou de indruk kunnen geven dat de lichten voor private doeleinden gebruikt worden. De belangrijkste reden voor het aansteken van de kaarsen is het wonder van ‘Chanoeka’ kenbaar te maken.

De menora heeft 8 dagen gebrand dankzij hen die bereid waren ze te zien branden, al was het maar voor een dag. Ongetwijfeld zullen heel wat mensen toen sceptisch gestaan hebben tegenover het besluit van de Makkabeeën de menora van de Tempel aan te steken met één enkele kruik olijfolie.

 

Waarom een vlam doen opspringen die zal uitdoven vooraleer de Tempel helemaal heringewijd zal zijn?

Sommigen zullen gezegd hebben: ‘zou de Tempel niet beter onzuiver blijven totdat wij over voldoende olie beschikken die de menora een langere periode kan laten branden’? Maar de Makkabeeën hebben die stemmen genegeerd. Ze staken de menora aan met het beetje olijfolie dat ze hadden en het wonder van ‘Chanoeka’ gebeurde, dankzij hun geloof, dankzij hun vertrouwen in G’d.

 

Folklore in het ‘Chanoeka’-feest.

 

Gastronomische gerechten van ‘Chanoeka’.

De voornaamste gerechten van ‘Chanoeka’ zijn ‘latkes’ of ‘levivot’ - een soort aardappelpannenkoekjes of rösti - en gevulde oliebollen of ‘soefganiot’, traditioneel gevuld met jam. Deze lekkernijen worden speciaal op ‘Chanoeka’ gegeten omdat ze in olie bereid worden, als herinnering aan het wonder van de olijfolie.

Er zijn vele recepten om ‘latkes’ voor te bereiden, veelal ook geserveerd met appelmoes. In Antwerpen kunnen ze in vele verschillende vormen bereid gekocht worden. In alle Joodse bakkerijen kan je een rijk assortiment van ‘soufganiot’ met pudding, jam,… vinden.

Op Sjabbat’Chanoeka’ wordt een speciale macaroni-‘kügel’ naar Jeruzalems recept voorbereid. Hij is bijzonder lekker en calorierijk!

Latkes.......latkes.....latkes                                                       

Latkes volgens Oost-Europees recept van geraspte aardappelen, eieren en veel olie

 

‘Chanoeka’-geld

Oorspronkelijk kregen kinderen van de hele familie met ‘Chanoeka’ wat zakgeld, om snoep te kopen. Nu wordt het 'Geld' vaak in chocolademunten gegeven en daarnaast worden cadeautjes uitgewisseld.

In de synagogen worden tijdens de ‘Chanoeka’-viering snoeppakketjes aan de kinderen uitgedeeld.

Aan de deur komen vele mensen om geld in te zamelen voor de armen.

 

Chanoekah-gelt in Israël van chocolademunten

Dreidel

De dreidel, trendel of ‘sevivon’ is een vierkantig tolletje waarmee tegenwoordig vooral kinderen, maar ook volwassenen spelen. Toen de Leer van de Torah onder de Hellenisten verboden was, werd het tolletje gebruikt om in het geheim Torah te studeren. Als de leerlingen werden betrapt deden zij net alsof zij een onschuldig spelletje met de tol speelden.

 

Ook heeft de dreidel een diepere betekenis. De letters ‘noen’, ‘gimmel’, ‘he’ en ‘sjien’ staan voor de woorden ‘Nes Gadol Haja Sjam’: ‘een groot wonder gebeurde daar’ (in Israël).

 

De letters geven ook de speelwaarde aan:

       Noen: niks van de pot

       Gimmel: gans de pot

       Hé: half de pot

       Sjien: Sjaleem: betaal

Jiddisch-Duits: Nichts (niets), Ganz (alles), Halb (half), Stell (bijleggen in de pot) In Israël wordt de ‘sjin’ vervangen door de ‘pee’, zodat er staat: een groot wonder gebeurde hier (Nes Gadol Haja Pò).

 

Volgens de ‘Halacha’ bestaat geen goedkeuring voor het spelen met geld, een casino of andere soorten geldspelletjes kunnen niet. Alleen op ‘Chanoeka’ ziet men dit verbod door de vingers.

 

Er bestaat een enorme variatie in tolletjes, ook zijn ze te vinden in de kunst. Sommige maken er een hobby van om ze te verzamelen.

 

 

‘Chanoeka’-party’s

‘Chanoeka’ is het meest populaire feest voor het organiseren van party’s. De meeste Joodse organisaties, synagogen en ook privé richten een ‘Chanoeka’-party in met veel gastronomische en vooral traditionele ‘Chanoeka’-gerechten. ‘Chanoeka’ kent geen werkverbod, dus de problematiek van het niet-rijden komt nu niet voor. Het feest duurt acht dagen en de nachten zijn het langst. Tijd voor de party’s dus.

 

Chanoekah party in the Headquarters of the Chabad movement, Eastern Parkway 770, New York

 

Literaire bronnen van ‘Chanoeka’: de Apocriefe Boeken en de Talmoed.

 

Bijna alle belangrijke feestdagen op de Joodse kalender zijn gebaseerd op de Torah. ‘Chanoeka’ wordt echter nergens in de Hebreeuwse Bijbel ‘Tenach’ genoemd. Toch hebben we van het ‘Chanoeka’-verhaal de meeste bronnen in de Talmoed (in tractaat ‘Sjabbat’) en de Apocriefen

(I Makkabeeën 1+2 en II Makkabeeën 3+4) en het boek ‘Jehoediet’. Een profane bron is de beroemde historicus Flavius Josephus (37 – ong.100) in een van zijn meesterwerken ‘Antiquitas’ over de geschiedenis van de Joden.

 

De oudste ‘historische’ bronnen die informeren over de Hasmoneese heldenfeiten zijn de vier boeken van de Makkabeeën. Zowel oorzaak van de opstand en het verloop van de gevechten tot de overwinning en de inwijding van de Tempel worden er beschreven. De Makkabeeënboeken maken geen deel uit van de Hebreeuwse canon, vooral door de oorlogsverhalen die erin voorkomen. De eindredactie van de Hebreeuwse Bijbel is vastgelegd door ‘de Grote Vergadering’. Zij vonden dat de Makkabeeënboeken met hun verheerlijking van strijd en oorlog niet compatibel waren met de Joodse geest en traditie. De belangrijkheid van de Makkabeese boeken kunnen we zien aan het feit dat de ‘Megillat ha’Makkabim’ (rol van de Makkabeeën) over Antiochus Epifanes in zijn strijd met de Makkabeeën, al in de 13de eeuw in Italië tijdens ‘Chanoeka’ in sjoel werd voorgelezen. (Naar analogie van de ‘Megillat Esther’).

 

In het apocriefe boek ‘Jehoediet’ wordt de belegering van het stadje Betoelija door de Syrisch - Hellenistische veldheer Holofernes beschreven. De aantrekkelijke weduwe ‘Jehoediet’ slaagt erin door de vijandelijke linies heen te dringen en wordt door Holofernes uitgenodigd in zijn tent. Zij bereidt voor hem melk- en kaasgerechten waarvan hij slaperig wordt. Daarna onthoofdt Jehoediet Holofernes in zijn slaap. Toen zijn soldaten hem de volgende ochtend dood aantroffen, trokken zij zich in verwarring terug. Ter herinnering hieraan schrijft de Joodse Codex, de ‘Sjoelchan Aroech’ voor om op ‘Chanoeka’ melk- en kaasgerechten te eten.

 

Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610), Jehudit onthoofdt Holofernes

 

 

De Grote Vergadering besliste dus dat de Makkabeeënboeken niet tot de Hebreeuwse canon mogen behoren.

De kerk heeft die Makkabeeënboeken en het boek ‘Jehoediet’ wel in de christelijke Bijbel opgenomen.

Vanuit het Hebreeuws zijn ze eerst vertaald naar het Grieks en later naar het Latijn, de geleerde taal van de kerk. Nu worden deze apocriefe boeken in Israël in de oorspronkelijke Hebreeuwse taal gereconstrueerd.

 

De Rabbijnen uit de Talmoed hadden echter niet zo’n groot respect voor deze ‘Apocriefen’: ‘Je mag ze enkel leren als het geen dag en geen nacht is’. In principe betekent dit dat je ze nooit mag bestuderen en zelfs niet lezen.

 

Kritisch gezien zijn de vier Makkabeeënboeken zo te vergelijken met de vier evangelies, de leer van de christelijke kerk dat je op het einde niet meer weet welke de juiste is.

Wat zeker juist is in de Makkabeeëenboeken, is de militaire overwinning en de weerinwijding van de Tempel, want deze was helemaal ontheiligd.

Anderzijds beschrijft de Talmoed alleen het wonder van het kruikje olijfolie en negeert volledig de krijgsgeschiedenis van de Makkabeeën.

Alleen de religieuze component van de Makkabeeënstrijd wordt betoond. Volgens het Rabbijnse maxime kan je alleen met de geest van Hasjem mensen winnen!

De Talmoed bericht over ‘Chanoeka’ enkel het feit dat de Syrische Hellenisten de Tweede Tempel binnendrongen en alle olijfolie waarmee de menora werd aangestoken, hadden verontreinigd.

Toen de Makkabeeën weer aan de macht waren, onderzochten zij de Tempel op reine olijfolie, maar vonden slechts één kruikje, dat niet verontreinigd was en nog het stempel van de Hogepriester droeg. Met dit kruikje olijfolie zou de menora slechts voor een enkele dag kunnen branden. Toch staken zij de menora met deze kleine hoeveelheid olijfolie aan. Op een miraculeuze wijze brandde deze kleine hoeveelheid olijfolie acht dagen lang, tot er nieuwe olie geperst en gezuiverd kon worden.

 

Om deze reden steken wij, het Joodse volk, iedere nacht een extra lichtje aan.

Opvallend is dat de Hellenisten het licht van de Torah, gesymboliseerd in het licht van de menora, niet wilden doven, maar dit enkel wilden profaniseren. De strijd van de Makkabeeën draaide a priori om de verdediging van spiritueel erfgoed: de Hellenisten waren er op uit het Joodse volk ervan te overtuigen dat zij hun monotheïsme moesten ruilen voor een ‘manmade’ filosofie met een heel scala aan goden en halfgoden, vol menselijke trekjes (Griekse mythologie). In essentie ging de geestelijke strijd tussen de Hellenisten en de Makkabeeën om de vraag wie nu wie schiep: schiep de mens G’d of had G’d de mens geschapen?

 

 

In de Talmoed worden twee gebruiken beschreven voor het aansteken van de ‘Chanoeka’-lichten. Het was gebruikelijk om acht lampen op de eerste nacht van het feest te laten schijnen, en het aantal met een te reduceren bij iedere nacht. Een ander gebruik was om op de eerste nacht met een brandende lamp te beginnen, en iedere nacht een extra licht aan te steken tot er acht brandden, op de achtste nacht.

Het eerste gebruik werd door de volgers van ‘Sjammaj’ gevolgd, het laatste door die van ‘Hillel’. In de codex ‘Sjoelchan Aroech’ wordt het gebruik van het huis van ‘Hillel’ tot ‘Halacha’ gereduceerd omdat wij in heilige zaken altijd naar boven gaan en niet naar beneden.

 

Het stilzwijgen van de Talmoed over de militaire strijd van de Makkabeeën laat vermoeden dat men het ‘Chanoeka’-feest moet begrijpen in het licht van het visioen van de profeet Zacharia die zegt: ‘Ik zie een menora, helemaal in goud (…) zijn zeven armen op een rij’ (Zach 4,2).

De profeet vraagt aan de engel, die met hem in gesprek is, de betekenis van dit visioen. De engel antwoordt: ‘Dit is het woord van de Eeuwige aan Zerubbabel (de leider van de mensen die terugkeerden uit de Babylonische exil naar Eretz Israël):

‘noch door de macht, noch door de kracht, maar wel

door de geest van Hasjem’

(Zach 4,6)

 

De echte overwinning ligt niet in wapens en het leger, maar vooral in het doordrongen zijn van de Geest van Hasjem. Door het Makkabeeën - verhaal niet in de Hebreeuwse canon op te nemen, heeft de Joodse traditie ons willen leren en waarschuwen tegen de bekoring van het verheerlijken van de militaire triomfen en tegen de illusie van de gewapende militaire betekenis van de geschiedenis.

 

Het zijn alleen de vlammen van de menora en hun geestelijk licht die onze traditie onthouden heeft; niet het militaire of nationale aspect. Vanuit dit blikpunt hebben de Rabbijnen ons de ervaring van het licht tijdens de Makkabeese bevrijdingsstrijd willen doorgeven.

 

                                         

De menorah is het embleem van de moderne staat Israël. Symbool van geest en vrede, gesymboliseerd door de twee olijftakken die de menorah omringen.

Kroniek van de Makkabeese bevrijdingsstrijd en hun koningschap.

 

Volgens de historicus Flavius Josephus staan de ‘Chanoeka’-lichten symbool voor de vrijheid die de Makkabeeën en het Joodse volk herwonnen hebben op de gebeurtenissen die in samenhang met het Lichtenfeest worden gevierd. Het land Israël, toen Judea genoemd, was in 167 v.d.g.j., een provincie van het Hellenistisch - Syrische rijk.

De koning regeerde over het hele rijk dat zich uitstrekte van Turkije tot Egypte en van Judea tot aan de rivier de Eufraat, waar nu Irak ligt. Daarvoor regeerde Alexander De Grote. Antiochus Epifanes, de ‘zotte’ hoofdfiguur van het ‘Chanoeka’-verhaal, vond het niet goed dat allen verschillende talen spraken en andere godsdiensten praktiseerden. Hij wilde dat iedereen, desnoods met geweld, in zijn rijk Hellenist werd, zoals hijzelf.

 

       198 v.d.g.j.: Legers van de Seleucidische koning Antiochus III (Antiochus de Grote) verwijderen Ptolemeüs V uit Judea en Samaria.

                    180 v.d.g.j.: Antiochus IV Epiphanes bestijgt de Seleucidische troon.

       168 v.d.g.j.: Onder het bewind van Antiochus IV, wordt de Tempel geplunderd, Joden worden massaal vermoord, en het Jodendom wordt onwettig verklaard onder de regering van koning Antiochus.

       167 v.d.g.j.: Antiochus beveelt dat een standbeeld ter ere van Zeus in de Tempel moet worden opgericht. Mattathiahoe, de Hasmoneeër, en zijn vijf zonen Jochanan, Simon, Eleazar, Jonathan, en Judah leiden een opstand tegen Antiochus Epifanus. Judah raakt bekend als Judah Maccabeër

       166 v.d.g.j.: Mattathiahoe sterft, en Judah volgt hem op als leider. Het Joodse koninkrijk van de Hasmoneeën begint; Het duurt tot 63 v.d.g.j.

       165 v.d.g.j.: De Joodse opstand tegen de Seleucidische monarchie is succesvol. De Tempel wordt bevrijd, en opnieuw ingewijd. (‘Chanoeka’)

       142 v.d.g.j.: Vestiging van het tweede Joodse regeringsverband. De Seleuciden erkennen de Joodse autonomie. Formeel houden de Seleucidische koningen de heerschappij, die door de Joden erkend wordt. Dit luidde een periode van grote geografische uitbreiding, groei van de bevolking en religieuze, culturele en sociale ontwikkeling in.

                    139 v.d.g.j.: De Romeinse senaat erkent Joodse autonomie.

                    130 v.d.g.j.: Antiochus VII belegert Jeruzalem, maar trekt zich terug.

       131 v.d.g.j.: Antiochus VII sterft. Israël werpt de Hellenistisch Syrische heerschappij volledig van zich af.

                    96 v.d.g.j.: Een Joodse burgeroorlog begint, die acht jaar duurt.

       83 v.d.g.j.: Consolidatie van het Hasmoneese koninkrijk in het gebied ten oosten van de rivier de Jordaan. (wat vandaag Jordanië is)

       63 v.d.g.j.: Het Hasmoneese Joodse koninkrijk komt tot een einde vanwege rivaliteit tussen de broers Aristobulus II en Hyrcanus II, die beiden een beroep doen op Rome om hen te helpen en de machtsstrijd in hun voordeel te doen beslissen. Rome valt het land binnen, en neemt de macht over in het gehele land.

Er vindt een massamoord plaats van twaalfduizend Joden als de Romeinen Jeruzalem binnentrekken. De tempelpriesters worden bij het altaar gedood. Rome annexeert Judea.

 

 

Epiloog

 

Als gevolg van deze gebeurtenissen wordt Herodes (73–4 v.d.g.j.), een vazal van Rome, door de Romeinen benoemd tot koning over Judea. Hierbij verloor Judea zijn onafhankelijkheid die door de Makkabeeën herwonnen werd. Uiteindelijk waren het de Romeinen zelf die het land Judea, de stad Jeruzalem en de Tweede Tempel vernietigd hebben en de Joden naar Europa in exil brachten.

 

Het is zeker geen toeval dat op de triomfbogen in Rome van Titus (39-81) ,de vernietiger van de tweede Tempel, de Tempelmenora te zien is die door de Joodse gevangenen naar Rome gebracht werd.

De Romeinen dachten dat met deze overwinning en vernietiging van de Tweede Tempel het Jodendom wel voor altijd verloren zou zijn. Zo vinden we ook op de munten die Titus liet maken: ‘Judea perditta’ (Judea is verloren).

 

Uit geschiedenisperspectief is het echter zo dat het Romeinse Rijk al lang niet meer bestaat. Het Forum Romanum is vandaag een toeristische bezienswaardigheid met slechts enkele historische restanten van wat eens een glorierijk Romeins Imperium was.

 

Als je als Joodse mens onder deze Titus - triomfbogen staat, mag je ook een beetje fier zijn dat wij met de geestelijke kracht van de lichten van de menora nog altijd, na 2000 jaar van bittere vervolgingen, exil, kruistochten, inquisitie en Shoa, bestaan en zelfs in onze dagen de terugkeer naar het oorspronkelijk land van de Makkabeeën mogen beleven. Er bestaat dus toch nog gerechtigheid in de geschiedenis.

 

 

 

 

 

Colophon

Elloel / september 5768 / 2008

Prof. Rabbijn Ahron Daum B.A. M.S.

Nederlandse bewerking: Petra Vanhamme

Tweede Nederlandse bewerking 5774/2014: Mordechai Ahron Baert

Photoshop en special effects: Mattityahu Akiva Strijker

Webdesign en webmaster: Yitschak Berger

 

 

Share this

Counter