Skip to main content

Chevra Kadisha: De Uniciteit van het Joodse Begrafeniswezen

 

Chevra Kadisha: De Uniciteit van het Joodse Begrafeniswezen



 

1. Inleiding

Gedurende de 30 jaar dat ik actief was als Gemeente Rabbijn en leraar, vond ik het altijd een grote uitdaging om mensen het reilen en zijlen van het joodse begrafeniswezen en de “Chevra Kadisha” te verklaren.  De “Chevra Kadisha” is een vrijwilligers-vereniging die in elke Joodse gemeenschap instaat voor het verzorgen en begraven van de doden. Deze instelling heeft haar wortels in de oudheid, om precies te zijn in de tijd van  Rabban Gamliel, een beroemde Nasi (leider) van het joodse volk, in de tweede eeuw. Het was hij die bepaalde dat alle Joodse doden dienden begraven te worden in een simpel wit linnen gewaad om zo sociale onderscheiden uit te wissen en de gelijkheid in de dood te benadrukken.

Gedurende de daaropvolgende Joodse geschiedenis zouden zelfs de kleinste en meest afgelegen Joodse gemeenten altijd beschikken over een “Chevra Kadisha” om te voorzien in de noden van een Joodse begrafenis voor al de leden van die gemeente. De prioriteit die hieraan gegeven wordt is voor een groot deel te verklaren uit het feit dat een van de grootste mitzvot in de Thora de “met mitzvah” is. De “met mitzvah” is een Joodse dode die onbegraven is gebleven en het is één van de hoogste plichten om hem alsnog een Joodse begrafenis te geven. Zelfs de hogepriester, die onder geen beding onrein mocht worden door contact met de doden, diende dit wel te doen voor een onbegraven Jood. Het feit dat het brengen van een Joodse dode naar een “kever Israel” (Joods graf) zo belangrijk is verklaart voor een deel waarom er toch altijd mensen bereid worden gevonden om vrijwilliger te zijn in de “Chevra Kadisha”. Dit ondanks het feit dat zij dag en nacht ter beschikking moeten staan voor zeer moeilijke plichten zonder dat daar enige compensatie tegenover staat.
 

Desondanks deze nobele achtergrond heeft de “Chevra Kadisha” vandaag in veel middens een kwalijke reputatie. Dit mag op het eerste gezicht bevreemdend lijken, aangezien de begrafenis zelf eigenlijk altijd gratis is. Wat echter problemen veroorzaakt is het feit dat de grond voor het graf dient gekocht te worden en daar willen sommige onder de “Chevrot Kedoshot”wel eens exuberante bedragen voor vragen. Dit neemt echter niet weg dat als iemands familie dit geld niet kan opbrengen er toch altijd begraven wordt op een Joodse begraafplaats.

Aangezien de  “Chevra Kadisha” één van de belangrijkste Joodse instellingen is, wil ik in dit essay dit onderwerp grondig behandelen. Ik zal hier de oorsprong, de taken, de dagelijkse werking en de folkore van de Chevra Kadisha behandelen.

 

Voor we echter beginnen met het beschrijven van de achtenswaardige traditie die het Jodendom heeft vis-à-vis de doden, wil ik echter toch een korte opmerking maken over enkele onrustwekkende manieren om met de doden om te gaan , die zich in het hedendaagse Jodendom manifesteren. Men kan vandaag spreken over een waarlijk Joods graftoerisme, voornamelijk in Oost-Europa, naar de graven van “Tzadikim” oftewel grote heilige rabbijnen. Het is een echte industrie geworden en dan voornamelijk bij diegenen die zichzelf als uiterst vroom beschouwen. Wat zij doen is echter vanuit het standpunt van de Thora en Halacha uiterst problematisch. Wat er bij deze pelegrinages naar de graven van grote heilige mannen gebeurt valt duidelijk onder het verbod van  “doresh al hemetim” oftewel het bidden tot de doden. De Torah verbiedt het reeds uitdrukkelijk, wat uiteraard ook in de Halacha zijn beslag heeft gevonden. Het is wel bijzonder tragisch dat zovele mensen denken dat ze grote rabbijnen kunnen eren door aan hun graf de Halacha te overtreden! Het zou niet slecht zijn moest het hedendaagse Jodendom een voorbeeld nemen aan de grote heilige Gaon van Vilna van wie gezegd wordt dat hij zelfs nooit het graf van zijn eigen moeder bezocht. Ik wil daarmee niet zeggen dat we niet de graven van onze geliefde ontvallen ouders mogen bezoeken, maar wel dat de Gaon van Vilna duidelijk erg bezorgd was over het verbod op “doresh al hametim”. Als hij al het graf van zijn moeder vermeed om dit verbod te vermijden hoeveel meer dan dienen wij voorzichtig te zijn met het gaan bidden bij het graf van grote Rabbijnen.

De Geschiedenis van de Chevra Kadisha: De Vroege Bronnen

In de Babylonische Talmoed (Sukka, 49b) leert Rabbi Simlai ons het volgende: Het begin van de Thora (Genesis, 3:21) leert ons dat Hashem toen hij Adam en Chava nadat dat ze gezondigd hadden maar voordat hij hen uit de tuin verdreef voor hen lederen kleding maakte. Het einde van de Thora gaat ook over de liefde van Hashem. Daar impliceert de Thora immers (Deuteronomium 34:5-6) dat Hashem zelf Mozes in het dal bij de berg Nebo begroef. Hier zien we hoe hoog de mitzva van het teraardebestellen moet gewaardeerd worden: Het is immers Hashem zelf die er zich persoonlijk mee inlaat. Men kan dus in zekere zin stellen dat Hashmem reeds zich inliet met Chevra Kadisha bezigheden.

De Chevra Kadisha is de instelling die zich in zelfs de kleinste Joodse gemeenten bezig houdt met de verzorging van de Joodse doden. De naam “Chevra Kadisha” gaat terug tot in de oudheid en gaat al 2000 jaren mee. Letterlijk betekent het zoveel als “de heilige broederschap”. Hun taak begint wanneer een Joods persoon overlijdt met de verzorging van het lichaam en de wake erbij, via de begrafenis zelf, tot het bij elkaar brengen van een minjan tijdens de begrafenis zelf of de “Shiva” rouwperiode erna. Zelf ben ik van mening dat een naam als “de heilige broederschap” wel eens eufemistich bedoeld zou kunnen zijn. Het gaat hier immers om weinig aangename taken die eerder als onheilig beschouwd worden en dat daarom juist het woord heilig gebruikt wordt.

Er zijn trouwens nog vele andere namen die voor dit instituut gebruikt worden. Zo is er de term “Chevrat Gmillut Chassidim”, wat zoveel betekent als “broederschap van de liefdadige” daden”, of de variant daarop “Chevrat Gmillut Chesed v’Emet” wat betkent “Broederschap van de liefdadigheid en Waarachtigheid”. Deze laatse term gaat terug op de grote commentator Rashi (1040-1105) die in zijn commentaar op het boek Genesis 47:29 stelt dat “de liefdadgheid die men doet voor de doden, ware liefdadigheid is, aangezien men geen enkele compsensatie kan verwachten.” Daarom dat idealiter – zoals het geval is in Antwerpen voor de de drie grote Chevra Kadishas: Machzike Hadass, Shomre Hadass en de Frechie stichting – de medewerkers vrijwilligers zijn die geen loon ontvangen voor hun medewerking.  Let wel ik zeg hierbij idealiter. Het is vaak het geval in relatief kleine Joodse gemeentes of gemeentes waar er relatief weinig geengareerde religieuze mensen zijn, dat het onmogelijk is om enkel te steunen op vrijwilligers. In dat geval worden er mensen betaald om dit de toen. Het is echter zeer jammer dat in zulke gevallen het in de regel gaat om mensen die zich aan de marge van de gemeente ophouden en die zeer vaak niet religieus zijn. Uit persoonljike evaring heb ik geleerd dat de groote van de gemeente vaak niet de relevante factor is. Ik kan zelf de vergelijking maken tussen aan de ene kant de minuscule Joodse gemeente van Biel in Zwitserland met al bij al 150 leden en aan de andere kant de gemeente van Frankfurt am Main met 6000 leden de grootste Joodse Gemeenste van het toenmalige West-Duitsland. Waar men in Frankfurt echt van een rampzaligze situatie kon sprreken waar men totaal niet-observante mensen moest betalen per dode, had je in Biel een toegewijde groep vrijwilligers die op voorbeeldige en impressionante wijze de laatste liefdadigheid bewezen aan hun broeders en zusters. Daarbij moet wel gezegd worden dat de toestand in Duitsland zich wellicht verbeterd heeft met de massale komst van Chabad –Lubavitch die in amper een anderhalf deccenium bijna het volledige Orthodoxe Rabbinaat daar veroverd heeft en daarbij ook het Chevra Kadisha wezen merkelijk verbeterd heeft.

Ook de naam voor een lid van de Chevra Kadisha kan weleens verschillen. Zo werden de leden van het genootschap in Tripolis, Libië, aangeduid als “Chaverim” (leterllijk vrienden of leden). Deze Chaverim waren onderverdeeld in verschillende sub-groepen met elk hun eigen taak zoals het delven van het graf, het wassen van de dode of het dragen van het lijk naar het graf. In Polen daarentegen werden deze mensen aangeduid met het Jiddische woord “Chevremenschen”. Om Chevremensch te worden moest men door de Chevra Kadischa aangenomen worden en de eisen die daarbij gesteld werden waren vaak zeer streng. De twee belangrijkste voorwaarden waren

1. Algemeen bekend staan als een godsvruchtig mens
2. Aanvaard worden door alle leden van de Chevra Kadischa

Verder werd ook gezocht naar een deugdelijk karakter en algemene liefdadigheid. Eens aangenomen, was het lidmaatsschap normaal gezien levenslang. In Antwerpen vandaag worden de leden dan weer aangesproken als “Askanim” of “Askaniot” voor vrouwen (afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord “laasok”, wat  betekent “zich bezig houden met”) Een Askan is dus iemand die zich bezig houdt met iets en in het bijzonder met de zorg van de doden.

De Taken van de Chevra Kadisha

De verschillende taken van de Chevra Kadischa zijn erg divers.  De eerste daarvan begint nog voor de dood wanneer iemand op zijn sterfbed ligt. Zo de zieke dit wenst (wat doorgaans enkel bij zeer vrome mensen het geval is) brengt de Chevra Kadisja een “minjan” van vrome mensen samen zodat hij de “Vidui” oftewel zondenbekentenis kan uitspreken.

 

In het museum , in het vroegere paviljoen van de Chevre Kadischa van Praag, bevindt zich  wordt een shilderijencyclus over dood en begrafenis. Het is niet bekend wie deze cyclus geschilderd heeft maar het is zeker dat is in gemaakt van de Chevra Kadisha. De verschillende schilderijen beelden de activiteiten en taken van de Chevra Kadisha bij elk doodsgeval af in chronologische volgorde.  Dit eerste schilderij beeld de wake af bij het sterfbed waarbij de stervende gewoonlijk ook een zondebekentenis aflegde. Het was uiteraard voor de eerste eeuw de regel dat men thuis overleed in tegenstelling tot vandaag.

 

Eens de persoon in kwestie zijn laatste adem heeft uitgeblazen bestaat de eerste taak erin om  de wacht te houden bij het levenloze lichaam. Deze praktijk heet “schmira” en houdt concreet in dat er constant minstens één iemand bij het lijk zit en Psalmen reciteert  tot aan de begrafenis.  Dit gebruik stamt waarschijnlijk uit tijden wanneer er onmiddellijk aas – of ongedierte het lijk zou komen schenden en er iemand nodig was om ze weg te jagen. Vandaag wordt het voornamelijk begrepen als een teken van respect: men laat de dode niet alleen.
 

De volgende stap is de “Tahara”.

In deze scene wordt het lijk ritueel gereinigd; Normaal gebeurt een rituele reiniging in het Jodendom in een ritueel bad (mikva). In het geval van een dode is hierop echte de uitzondering. Het gaat dan ook enkel hier  om een symbolische reiniging die moet aangeven dat de mens zuiver voor G-d moet treden. Ook ligt hierin een verwijzing naar de levenscyclus waarin de mens ook bij zijn geboorte wordt gewassen.
 

Dit is de rituele reiniging van het lichaam waarbij het helemaal gewassen wordt. Daarbij wordt 9 “Kabin” (een volumemaat uit de Talmud) water gebruikt.  Overspoeld worden met deze hoeveelheid water geldt in de Talmoed immers soms als alternatief voor onderdompeling in de mikweh (een ritueel bad). Bij zeer grote rabbijnen komt het zelfs soms voor dat men het lichaam daadwerkelijk onderdompelt in een mikveh. De wassing gebeurt ook altijd volgens een geijkt patroon waarbij men de grootst mogelijk eerbied voor de dode nastreeft door bijvoorbeeld de intieme delen zoveel mogelijk bedekt te houden. Historisch gesproken werd er vaak een speciaal gebouw opgericht om de “tahara” in te voltrekken.   Het bekendste daarvan is het nog steeds bestaande “Tahara”-paviljoen in Praag dat vandaag als museum is ingericht. Ter ere van de kinderen die omgekomen zijn in het concentratiekamp van Theresienstadt. (Tsjechie). Ook vandaag hier in Antwerpen hebben de beide Joodse gmeenten een gezamenlijk “tahara”-paviljoen ingericht bij het Middelheim ziekenhuis. Als er zo een paviljoen bestaat wordt het lichaam doorgaans daar onmiddellijk heengebracht  totdat het gewassen wordt.                     

Het is misschien interessant te wijzen op twee bijzondere regels die bij de “taharat” gelden. Zo is er ten eerste het probleem dat zich – G-d verhoede – stelt bij terreuraanslagen met explosieven. Wanneer het lichaam dan verscheurd is of extreem verminkt , wordt er geen “tahara” uitgevoerd.  Dit is eveneens het geval wanneer het overlijden te wijten is aan een besmettelijke ziekte.
 

Eens het lichaam gereinigd is volgt het aankleden oftewel “Tachrichim”.

In dit schilderij van de cyclus naaien vrouwen de begrafeniskleding die ook bekend staat als “Tachrichin”. Tegelijkertijd snijdt een man de “de tzitizit” af van de gebssjaal waarin de dode ook zal gewikkeld worden. Dit afsnijden van een hoek wordt gedaan om aan te geven dat de doden niet langer de geboden kunnen en moeten houden.

Alle mannen en vrouwen worden gekleed in een eenvoudige wit linnen tuniek ook wel “kittel” genoemd. Bij een man wordt dan daar rond nog een grote gebedsmantel (Talit Gadol) gebonden. Deze mantel wordt daarbij eerst ritueel ongeldig gemaakt door er een hoek af te snijden. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het feit dat de doden de geboden niet meer kunnen vervullen. Dit gebruik om iedereen op dezelfde sobere wijze te kleden gaat terug op de beroemde Nasi Rabban Gamliel, die de eigenlijk leider of Ethnarch was van de Joden in Eretz Israel tijdens de tweede eeuw C.E. . Hij stelde vast dat de begrafeniskleding zo duur was geworden dat de armen dit zich niet meer konden veroorloven wat er toe leidde dat zij vaak onbegraven bleven. Hij beval dan ook dat iedereen moest begraven in dezelfde goedkope kleding, te beginnen met zijn begrafenis. Dit idee werd ook later uitgebreid naar andere onderdelen van het begrafeniswezen waarbij er een uniforme soberheid werd opgelegd. Dit alles heeft als resultaat dat in het Jodendom er geen standenonderscheid is in het begrafeniswezen zodat iedereen op dezelfde manier deze wereld verlaat net zoals men er op dezelfde wijze inkomt.

Ook dient opgemerkt te worden dat de begrafeniskittel zeer bewust geen zakken heeft. Daarmee wordt aangegeven dat men niets materieel kan meenemen in de volgende wereld. Er is dan ook een Jiddishe volkswijsheid die stelt dat de mens op deze wereld komt met open handen waarmee hij naar alles grijpt, maar dat hij ze verlaat met een gesloten lege vuist.

Parallel met de voorbereiding van het lijk wordt ook het graf zelf klaargemaakt. Het delven van het graf zelf is doorgaans een taak die wordt uitgevoerd door niet-Joodse personeelsleden van de Chevra Kadischa. Het is algemeen gebruikelijk om een graf pas à la minute, dus op de dag van de begrafenis zelf te delven aangezien een reeds voorbereid graf als een slecht voorteken wordt beschouwd. De exacte plek op de begraafplaats wordt bepaald in onderling overleg tussen de Chevra Kadisha en de familie, tenzij de overledene natuurlijk al een plaats had bepaald bij leven. Normaal gezien wordt een man altijd naast een man begraven en een vrouw naast een andere vrouw. De grote uitzondering hierop zijn echtparen die wel naast elkaar begraven kunnen worden op een speciale gemengde afdeling. Ook zonen kunnen naast hun moeder begraven worden of dochters naast hun vader, hoewel doorgaans geopteerd wordt voor de omgekeerde volgorde.
 

 

 

 

 

 

 

 

 


Eens het lijk klaar is wordt doorgaans de lijkwagen voorgereden bij  het gebouw van de lokale Joodse gemeente en komen mensen daar samen.

Hier wordt de dode uit zijn huis gedragen en men ziet ook hoe de gemeente hem buiten opwacht en hoe er iemand is die geld voor liefdadigheid (Tzedaka) verzamelt. Deze gewoonte om net dan giften aan liefdadigheid te doen baseert zich op een schriftvers uit Spreuken dat stelt dat liefdadidheid oftewel tzedake redt van de dood. Een praktisch doel dat hierdoor vroeger ook gediend werd was het voorzien van het levensonderhoud van de rouwenden. Deze mogen immers op de eerste zeven rouwdagen niet werken wat in vroegere tijden uiteraard tot zware financiele problemen kon leiden. Het ingezamelde geld moest dan deze nood lenigen.
 

De lokale Stadsrabbijn spreekt dan een “Hesped” (oftewel lijkrede) uit waarin de verdiensten van de oveledene geprezen worden.

Hier wordt de Hesped oftwel rouwrede afgebeeld. Deze rede wordt gehouden bij het  stoffelijk overschot door de rabbijn of de voorzitter van de Chevra Kadisha . De Talmoed stelt dat een zulke rede moet geheouden worden niet alleen als eerbetoon aan de overledenen maar ook voor zijn of haar nabestaanden. De toespraak moet daarom lovend zijn maar de Halcha stelt daarnaast ook dat ze wel binnen de grenzen van de waarheid moet blijven

Bij zeer aangeziene rabbijnen wordt de kist binnen in de synagoge gebracht en worden daar de lijkredes uitgesproken. Eens de Hesped uitgesproken is vertekt de lijkwagen richting de begraafplaats.

Na de rouwtoespraak dragen de leden van d Chevra Kadisha het stoffelijk overschot naar de begraafplaats. Het was vroeger het gebruik om lijk de gehele weg zo te dragen, het is pas later dat men dit heeft vervangen met paard en koets of vandaag met de auto. Het is een grote mitzva voor alle leden van de gemeente om de dode op zijn of haar laatste reis te begeleiden; Dit wordt gedaan door minstens een paar symbolische stappen te maken met de lijkprocesie, doorgaans vanf het mausoleum tot aan het einde van de straat.

De aanwezigen wandelen dan enkele passen met de lijkwagen mee om als dusdanig de overledene op zijn laatste reis te begeleiden.  De Mishna noemt dit begeleiden “levayat hamet”, hetgeen beschouwd wordt als een van de grootste mitzvot.

Eens op de begraafplaats aangekomen wordt het stoffelijk overschot overgebracht naar het paviljoen dat op elke Joodse begraafplaats aanwezig is. Daar  wordt dan door een Rabbijn, Chazan of de voorzitter van de Chevra Kadisha de zogenaamde “Tzidduk Hadin” voorgelezen. Dit is een gebed gebaseerd op een aantal versen uit de Tanach waarin voornamelijk de rechtvaardigheid van G-d’s besluiten wordt benadrukt. Dit is ook vaak het moment waarop familieleden die dat wensen en kunnen nog enkele woorden spreken.

Vervolgens wordt de kist naar het graf zelf gedragen. Daarbij leest de voorzitter van de Chevra Kadisha “ 3 keer luidop Psalm 91 voor terwijl de andere aanwezigen het stil mee reciteren. Het feit dat net deze psalm wordt voorgelezen is te verklaren door het feit dat hierin het thema van g-dddelijke bescherming tegen onheil sterk benadrukt wordt bijvoorbeeld in de verzen 11-12 “want hij wijst zijn engelen aan u toe, om u te beschermen op al uw paden.  Op hun handen zult u gedragen worden opdat uw voet zich niet tegen een steen stoot.” Of vers 15 “Roep mij en ik zal u antwoorden, in de nood zal ik bij u zijn, ik zal u bevrijden en met eer overladen.”. Eens bij het graf aangekomen spreekt de rabbijn doorgaans nog een tweede “hesped” uit.  Vervolgens wordt het stoffelijk overschot van de draagberrie genomen en laat men het zeer langzaam naar bendeden zakken in het graf. De geeikte methode daarbij is dat aan elk uiteinde een koord geknoopt is met aan elke kant van het graf vier mensen die het zeer zachtjes laten zakken.

Hoewel dit praktisch allemaal relatief uniform verloopt is er doorhgaans toch één groot verschil tussen het teraardebestellen in Israel of in de diaspora. In Israel – of andere landen waar dit is toegelaten – wordt het lijk niet in een kist begraven maar eerde gewikkeld in witte doeken – in het geval van mannen hun tallit. De enige uitzondering hierop in Israel zijn de militaire of staatsbegrafenissen waar doorgaans wel een kist wordt gebruikt. De enige uitzondering daarop was Menachem Begin (1913-1992) die op de olijfberg is begraven – in tegenstelling tot Har Herzl waar hoge staatsfunctionarissen doorgaans worden begraven – zonder kist. In de meeste andere landen echter is een kist een wettelijke vereiste.

Eens het lijk in het graf ligt passeert elke aanwezige en schept 3 maal wat aarde in het graf. Nadat hij of zij dat gedaan heet steekt hij de schop terug in het zand zodat de volgende hetzelfde kan doen. Men let erop om de shop niet direct aan elkaar door te geven. Eens al de aanwezigen dit gedaan hebben vult de Chevra Kadisha dan het hele graf op en op de aarden heuvel word dan een houten stele gezet met daarop de Hebreeuwse naam van de overledene en de hebreeuwse datum van het overlijden. Eens dit gedaan is wordt bij het graf nog het gebed “El Maleh Rachamim” voorgedragen voor de ziel van de overledene. Dan wordt het Kaddish-gebed gezegd. Dit is een taak die toevalt aan de zonen van de overledene, die dit vanaf nu voor elf maanden, drie keer per dag horen te doen. Als de oveledene geen zonen had en bij leven geen vervanger heeft aangeduid, valt deze taak toe aan iemand van de Chevra Kadisha die zelf geen twee ouders meer heeft.

.

Het troosten van diegenen die een persoonlijk verlies hebben geleden wordt beschouwd als één van de hoogste geboden. Dit vormt een eerbetoon voor zowel de overledene als voor de nabestaanden. Het troosten kan echter pas beginnen nadat het lijk daadwerkelijk ter aarde is besteld aangezien dan pas de verwerking kan beginnen. Om deze mitzvah niet uit te stellen heeft ook vandaag elke  Joodse begraafplaats doorgaans een paviljoen waar de familie direct na de teraardebestelling plaats neemt om door de leden van de gemeente getroost te wordt

Dan gaat iedereen terug naar het paviljoen waar een dubbele rij (“Shura”) wordt gevormd waardoor de rouwenden  passeren terwijl de aanwezigen de traditionele rouwformule uitspreken: “Moge Hashem u troosten met de andere rouwenden voor Tzion en Jeruzalem”. Voor deze formule zijn er meerdere verklaringen. De meest populaire is dat zelfs in de grootste persoonlijke rouw we niet het verlies van Jeruzalem vergeten. Een andere verklaring – die van mijn Rebbe Rav J.B. Soloveitchik (1903-1993) – is dat we de Halachot van de rouw voor de oveledenen leren van de Halachot over de rouw wegens de vernietiging van Jerusalem. Nog een interessante nevenopmerking over Tharapaviljoenen betreft dat van de Joodse begraafplaats van Oudekerk, de oudste Joodse begraafplaats van Nederland. Deze behoorde toe en werd gebruikt door de Sefardische-Joodse Gemaanschap van Amstaerdam. Er zijn daar een aantal beroemde persoonlijkheden begraven zoals Menassah ben Israel (1604-1657) of de vader van Spinoza. Het paviloen daar  hangt vol met skeletten van overledenen hetgeent het tot een zeer angstaanjagede plaats maakt. Vanuit de Joodse traditie uiterst problematisch en het is dank ook de enige plaats ter wereld waar dit gesdaan wordt. Ook op vele grafstenen daar staan afbeeldingen van skeletten. Toen ik ongeveer eeen decenium geleden  met een groep schoolkinderen deze plaats bezocht joeg hen dit dan ook veel angst aan.

Na deze rouwbetuigingen doen de rouwenden hun schoenen uit en trekken een paar niet-lederen schoenen aan. Vanaf dit moment worden de verschillende rouwperiodes berekend: de shive oftewel de eerste zeven dagen, de shloshim oftewel de eerste 30 dagen en in het geval van ouders het hele rouwjaar. Wanneer men vervolgens de begraafplaats verlaat worden de handen ritueel gewassen. Het bijzondere aan deze rituele wassing is dat de wasbeker niet rechtstreeks wordt doorgegeven en dat de handen niet worden afgedroogd.

Iedereen vertekt naar huis en wanneer de rouwenden thuiskomen krijgen ze daar een door vrienden en familie bereide maaltijd voorgeschoteld, de zogenaamde “Seudat avraha”. De traditonele elementen van deze maaltijd zijn hardgekookte eieren (die de cirkel van het leven voorstellen) en linzen. Soms komt het ook voor – zoals in Antwerpen bijvoorbeeld bij de Frechie stichting - dat de maaltijd voor de rouwenden geserveerd wordt in het paviljoen van de begraafplaats.

Halachisch gesproken bevindt een rouwende, in de tijd tussen het overlijden en de begrafenis, zich in een speciaal statuut, dat van de “onen”. In deze periode is hij bevrijd van alle positieve mitzvot. De reden hiervoor is dat men aanneemt dat men in deze periode niet de nodige concentratie voorde mitzvot kan opbrengen. Dit statuut loopt af na de rouwmaaltijd en het is dan ook gebruikelijk dat eens de rouwmaaltijd voorbij is de mannelijke rouwenden tefillin leggen. De uitzondering hierop is wanneer de begrafenis nog op dezelfde dag plaatsvond als het overlijden. In dit geval legt men die dag helemaal geen tefillin aangezien de rouw op de dag van het overlijden een plicht uit de geschreven Thora is en daarom voorgaat op de plicht om tefillin te leggen. Als men wil begraven op vrijdag dient dit te gebeuren voor de Halachishe middag zodat de overledene reeds rust heeft voordat de Shabbat begint.

Tijdens de shiva periode die nu begint bestaat de eerste taak van de Chevra Kadisha erin om te zorgen voor voor de drie dagelijkse gebedsdiensten in het rouw huis. Daarvoor zijn er twee zaken nodig. Ten eerste heeft men een Thora-rol nodig, aangezien er minstens drie keer een Thora-lezing moet plaatsvinden gedurende de zeven dagen (een maandag, een donderdag  en mincha van shabbat) Als de familmie zelg geen Thora-rol bezit zorgt de Chevra Kadisha hiervoor. Ten tweede moet er voor de drie gebedsdiensten een minjan n zijn. Als er niet genoeg mensen zijn om de minjanim te vormen zullen leden van de Chevra Kadisha aanwezig zijn om het quorum van 10 mannen te verzekeren. De uitzondering hierop is Shabbat, een dag waarop de halacha geen openbare rouwuitingen toelaat. Op deze dag gaan de rouwenden dus naar de synagoge. De terugkeer van een rouwende naar de synagoge op Shabbat is ook verbonden met een kleine ceremonie. De rouwende wacht buiten de synagoge to na kabbalat shabbat maar komt binnen net voor het lezen van de Psalm 192 “Mizmor Shir l’Yom Hashabbat”. Wanneer hij binnenkomt spreken de ander biddenden de woorden uit “Moge Hashem u troost geven tussen de rouwenden van Zion en Jeruzalem”. De rouwende gaat vervolgens niet op zijn gewoonlijke plaats zitten maar gaat ergens anders zitten en keert niet naar zijn oude zitplaats terug gedurende een maand, voor ouders loopt die wachttijd zelfs op tot een jaar.  Tijdens de weekdagen van de Shiva zorgt de de Chevra Kadisha voor de speciale lage stoelen waarop de rouwenden zitten en de collectebusjes voor Tzedaka (liefdadige doelen)  De nadruk op het geven van tzedaka tijdens de rouwperiode gaat terug op een vers uit Spreuken dat zegt dat rechtvaardigheid  zal redden van de dood. Een ande, meer praktische verklaring, die ik geleeerd heb van mij broer Shlomo Daum, is dat de collecte oorspronkelijk bedoeld was voor de rouwenden zelf aangezien zij een week lang niet mogen werken en dit kon in andere tijden – zonder rouwverlof zoals vandaag  – vaak financieel ondragelijk.

Speciale Problemen aangaande de Begraafwijze

Er zijn een aantal halachische principes die gelden voor elk Joods graf. Ten eerste is het zo dat een Joods graf  als een permanent graf bedoeld is dat ongestoord moet bliven tot de komst van de messias en de wederopstanding van de doden. Dit halachische grondprincipe zorgt ervoor dat Joods begraven in Belgie enigzins problematisch is. De Belgische wetgeving laat al zeer lang geen permanente graven meer toe en na een bepaalde tijd heeft de overheid altijd het recht om een graf op te ruimen.  In deze toestand is – athans wat Vlaanderen betreft – geen verandering gekomen door de regionaisatie van de regelgeving aangaande het begrafeniswezen. Om deze rede hebben de Joodse gemeenschappen van Antwerpen al meer dan honderd jaar geleden grote grondstukken gekocht in de Nederlandse gemeente Putte – net over de Belgische Grens – waarop zij hun respectievelijke begraafplaatsen hebben ingericht. Aangezien de Nederlandse wetgeving deze en andere Joodse begraafplaatsen als prive-domein beschouwt blijven de graven dan ook onaangeroerd.  Franse Joden hebben een vergelijkbaar probleem aangezien een graf kan opgeruimd worden vanaf het moment dat een bloedverwant van de overledene daartegen geen protest meer aantekeent.Gezien net over de grens begraven daar niet echt een  praktische optie is, wordt er dan ook vaak voor geopteerd om de doden in Israel te laten begraven.

Het vandaag geldende verbod op het storen van een graf was echter niet altijd zo strikt. Zo leren we bijvoorbeeld uit de Mishna dat tussen de 2de eeuw voor en 3de eeuw na de algemene jaartelling de joodse begrafenispraktijk op dit gebied heel ander was. De gangbare procedure was om een lijk te begraven  waarna de famile 12 maanden later dan de beenderen opnieu opgraafde om ze in een aardewerken ossuarium te leggen.  Zulke ossuaria zijn nog bewaard geleven i Beit Shearim (de woonplaats van Rav Jehuda Hanasi, de redacteur van de Mishna ) of in musea.

Het spreekt natuurlijk voor zich dat als graven niet mogen gestoord worden er zich natuurlijk op een bregraafplaats snel problemen zullen stellen vanwege plaatsgebrek. De meest voor de hand liggende optie is dan uiteraartd het uitbreiden van de begraafplaats. Dit was echter dorrheen de Joodse geschiedenis vaak geeen mogelijkheid aangezien men daarvoor toestemming oest krijgen van overheden die Joden niet altijd goed gezind waren. Dit was bijvoorbeeld het geval  in de veel middeleeuwse steden. De oplossing die men dan hanteerde was om mensen op dezelfde plaats maar op verschillende hoogten te begraven en de grafzerken dan dicht bij elkaar te plaatsen daarboven. Begraafplaatsen die nog in deze vorm bewaard zijn de oude Joodse kerkhoven van Frankfurt (Battonstrasse) of die van Praag in Josevof. Deze wijze van begraven zou daarna trouwens ook gebruikt worden in situaties waar dit strikt gezien niet noodzakelijk was zoals bijvoorbeeld op de Joodse begraafplaats van Oudekerk vlak bij Amsterdam.

Ook vandaag in Israel zijn er mensen die pleiten voor het toepassen van teze techniek aangezien er zich in Israel een nijpend plaatsgebrek begint te manifesteren op de begraaplaatsen. Momenteel echter lijkt dit nog niet aan te slaan.

De exacte locatie  van een graf op de eigenijke begraafplaats is niet zozeer aan specifieke halachot gebonden. De enige echte uitzondering hierop is de plaats waarop de Kohanim begraven worden. Het uitgangsprobleem hier is dat het de Kohanim  in de Thora reeds streng verboden is om in contact te komen met een Joods lijk.  De enige uitzondering hierop is dat “gewone” Kohanim moeten assisteren bij het begraven van hun naaste bloedverwanten , maar deze uitzondering geldt bijvoorbeeld niet voor de Kohen Gadol oftewel Hogepriester, deze mag enkel een lijk aanraken als het gaat om de reeds hoger vernoemde met mitzvah.  Dit zou op zich nog geen probleem stellen voor een grafbezoek,ware het niet dat het door de lucht wandelen boven een lijk ook als contact met dat lijk beschouwd wordt. Dit  zou betekenen dat de Kohanim dus niet de graven van hun eigen verwanten kunnen bezoeken aangeizn men op een begraafplaats altijd over lijken zal moetens tappen. Om dit probleem te verhelpen opteert men ervoor om op Joodse begraafplaatsen altijd heel duidelijk paden te marken waaronder zeker geen lijk ligt en waarop de Kohanim dus kunnen wandelen. Dit pad is ook altijd relatief breed zodat men voldoende afstand heeft tegenover de graven. De verwanten van de Kohanim worden begraven naast deze paden zodat de Kohanim er vlak bij kunnen komen.  Op somming begraafplaatsen – zoals die van Shomre Hadass - gaat men zefs zo ver dat men de lijnen aangeeft op het pad waarop de Kohanim moeten blijven staan.  Een ander probleem waarmee Kohanim geconfronteerd worden op een begraafplaats is het rouwpaviljoen. Het is Kohanim namelijk ook verboden om in dezelfde ruimte te zijn als een lijk dat niet van een bloedverwant is. Concreet houdt dit in dat de Kohanim normaal gezien niet in het rouwpaviljoen kunnen komen. De enige uitzondering hierop – aan  mij bekend – is het rouwpaviljoen op de Joodse hoofdbegraafplaats van Frankfurt am Main. Toen dit paviljoen onder Rabbij Raphael Hirsch (1808-1888) gebouwd werd heeft men ervoor gezorgd dat het Halachisch gesproken niet als een volwaardig gebouw gold en dat de Kohanim dus niet besmet konden geraken door een lijk in dezelfde ruimte.

 

Het is ook nog interessant om op te merken dat het probleem van Kohanim en lijken zich ook op andere vlakken stelt. Zo is het vliegtuig nemen voor Kohanim vanuit strikt Halachisch oogpunt altijd een beetje problematisch aangezien eeen vliegtuig altijd zal vliegen over begraafplaatsen. Het is om deze reden dat vluchten van El al altijd een speciale aanvliegroute volgen voor de Ben Gurian Airport zodat ze de grote begraafplaats van Tel Aviv (Holon) kunnen vermijden .  Een tweed eprobleem is dat vluchten naar Israel vaak oook lijkkisten vervoeren van mensen  die daar begraven willen worden. Als een Kohen weet dat zijn vlucht zo een kist vervoerd kan hij deze in principe niet nemen. Ook op medisch vlak stellen zich problemen voor Kohanim . Zo is een ziekenhusibezoek voor Kohanim  in Israel altijd problematisch aangezien er in een hospitaal vaak een lijk ligt. Voor Kohanim als patienten is dit niet zozeer eeen probleem maar wel voor een gewone bezoeker. Daarom heeft bijvoorbeeld het Hadassah Hospitaal in Jeruzalem een speciale lamp bij de ingang die aangeeft of er in het hoofdgebouw een lijk aanwezig is dat nog niet naar een apart moratorium is gebracht.  Ook Kohanim die arts willen worden hebben vaak een probleem aangezien zij voor hun opleiding uiteraard met lijken moeten werken. Buiten Israel is dit echter niet zozeer een probleem aangeien virtueel alle lijken van niet Joden zullen zijn.

Nog een laatste slotbemerking betrerefende de rituele onreinheid van graven. In de Babylonische Talmud (Berachot 18a) staat geschreven dat in tegenstelling tot alle andere graven, de graven van “Tzadikim” oftewel rechtvaardigen, geen rituele onreinheid dragen en verspreiden. Het idee is namelijk dat een rechtvaardig iemand niet kan sterven aangezien zijn goede daden verder leven. Op deze basis laten bepaalde – maar zeker niet alle – Halachische autoriteiten Kohanim toe om deze graven van rechtvaardigen te bezoeken.

De Organisatie en verdere Taken van de Chevra Kadisha

Virtueel elke Joodse gemeente in de Diaspora heeft een Chevra Kadisha. Het centrale bestuursorgaan van de Chevra Kadisha is haar bestuursraad. Hhet is ook deze bestuursraad die de voorzitter verkiest, de zogenaamde Rosh Chevra Kadisha. Niewe leden van de bestuursraad worden benoemd na een positieve stemming door de Raad zelf na een aanbeveling door de Rosh Chevra Kadisha. Het is de bestuursraad die toeziet financiële werking en de het praktisch beheer van de begraafplaatsen.  Er is telkens ook een lid van de raad die tevens lid is van de bestuursraad van de gemeente of daar een dnaderle belangrijke functie vervult die verantwoodelijkeheid draagt binnen de gemeente voor de werking van de Chevra Kadisha. Met deze verantwoordelijkehid komt vaak oog grote autoriteit. Zo zal het bijvoorbeeld deze persoon zijn die de algemene prijspolitiek van de Chevra Kadisha bepaalt. In Antwerpen wort binnen beide Joodse gemeenten deze taak waargenomen door de respectievelijke Secretarissen-Generaal.

In Israel valt de Chevea Kadisha onder de verantwoordelijkheid van de lokale Raad voor Religieuze Aangeelgehenden die voor haar regio de zorg voor de doden waarneemt. De Israelische wetgeving garandeert dat iedere burger binnen zijn regio kosteloss moet begraven worden. Dit is echter enkel het geval wanneer men het eens is met de begraafplaats die de Raad toewijst. Zoiet betaald men ervoor.

 

De Voorzitter, Raad en overige leden van de Chevra Kadisha worden volgens de traditie geërd op 7 Adar. Tijdens een Joods schrikkeljaar, wanneer er een extra maand Adar ingevoegd wordt, zijn er verschillende gebruiken. Op sommige plaatsen observeert men de eerste maand Adar op andere de tweede.  De zevende Adar is volgens de traditie beschouw als de geboorte en sterfdatum van Moshe Rabbeinu. Uit de Thora wordt afgeleid dat G-d zelf Mozes begraven heetf op een geheime locatie bij de berg Nevo om te voorkomen dat zijn graf verafgood zou worden.  Op deze dag vasten de leden van de Chevra Kadischa en zeggen ze slichot (boetegebeden). Ook gaan ze naar de begraafplaats om de overledenen van het voorbije jaar om vergifnnis te vragen voor eventuele onvoorzichtigheden bij de Tahara. Eens de nacht dan valt wordt er een feestmaaltijd georganiseerd waarop de leden hun vasten breken . Aan dit feest neemt de hele religieuze hierarchie deel die de Chevra Kadischa feliciteren en loven voor het werk van het voorbije jaar en hen aanmoedigen voor het komende jaar. Ook wordt er een financieel rapport gepresenteerd door de Voorzitter waarna er ook een disussie volt over belangrijke werkingsvragen  zoals de renovering van gebouwen, het repareren van beschadigde grafstenen of het opstellen van grafstenen voor de armen. Daarbij moet ook gezegd worden dat het al dan niet plaatsen van een grafsteen het enige pressiemiddel is tegen nabestaanden die weigeren de begrafeniskosten te betalen. De Chevra Kadisha zal weigeren de grafsteen te plaatsen zolang de rekenig niet vereffend is.  Het kan dan echter ook voorkomen dat de familie hier geen interesse voor toont in welk geval de Chevra Kadisha alsnog de steen zal plaatsen.

Ook wordt op de feestmaltijd elke jaar een ander lid van de Chevra Kadisha geêrd voor zijn inzet. Dit wordt gedaan door hem een zilveren beker met persoonlijke inscriptie te schenken. Deze bekers zijn ware erfstukken die generaties lang in families worden doorgegeven.

Het feit dat de Chevra Kadisha op deze unieke manier gerd wordt is begrijpelijk vanuit de centrale rol die ze speelt in het Joodse leven, zeker gezien het feit dat haar taak niet eindigt na de begrafenis of aan de grenzen van de begraafplaats, integendeel één van haar belangrijkste opgaven begint daar pas.  Het gaat dan in het bijzoner om de zorg voor weduwen en wezen die achteblijven – vaak zonder inkomen . In de Chareidische wereld stelt is dit nog een veel groter probleem aangezien de meisjes een ze willen trouwen doorgaans een bruidschat inbrengen. Om daar in te voorzien zamelt de Chevra Kadisha ook geld in voor een bijzonder fonds vor de uithuwelijking van wezen. In Antwerpen was het vooral Ra Kreiswirth (1918-2001), satzal, die zich in zijn capaciteit als Opperrabbijn van de   Orthodoxe Gemeente Makzikei Hadass hiermee bezig hield. Ik vernam steeds van mijn broers, Shlomo and Baruch die hem samen met anderen daar in bijstonden, dat hij nog voor de begrafenis met dit inzamelen begon. Hij heeft o deze manier talloze meisjes en families in Israel en Europa geholpen.  Hij benadrukte steeds dat e vervulling van deze mitzva garant staat voor een lang leven, een feit waarvoor hij zichzelf als bewijs aanhaalde. En ook na zijn dood in 2001 heeft dit hem verder  tot eer gestrekt. Op zijn grafsteen in Jerusalem staat als enige titel immers vermeld dat hij een vader van wezen was en dat hij zorgde voor weduwen.   Jammer genoeg is na Rav Kreiswirths ontvallen niemand in de Kehila opgestaan die zijn centrale praktische en bezielende rol in deze heeft overgenomen.

 


Colofoon:

Prof. Rabbijn Ahron Daum, B.A., M.S., Emeritus Opperrabbijn van Frankfurt am Main.

23 Sjevat 5777 / 19 februari 2017

Eerste bewerking: Bert Shultz

Vertaling naar het Nederlands: Mordechai Ahron

Plaatsing en bewerking van foto’s: Luc Wouters

Website design en plaatsing van essay: Yitzchak Berger (Antwerp)

 

1

 

Share this

Counter