Skip to main content

Kantonisten en Subotniks in Tsaristisch en Sovjet-Rusland

 

Kantonisten en Subotniks in Tsaristisch en Sovjet-Rusland

 

 

 

 

 

 

                                                       

 

 

              GESCHIEDENIS VAN JODEN IN RUSLAND

                                          kantonisten        en                 sabbatisten

 

 

 

DE KANTONISTEN

 

Zoons van Russische privé soldaten die van 1805 tot 1827 in speciale “kanton scholen” werden opgeleid voor een toekomst in de militaire dienst, werden “kantonisten” genoemd; na 1827 werd deze term ook gebruikt voor Joodse jongens, die volgens een decreet van september 1827 op de leeftijd van 12 jaar werden ingelijfd in het leger en voor hun militaire opleiding ver van huis in kantonisten-scholen in veraf gelegen provincies werden geplaatst voor hun militaire opleiding.

Het is Tsaar Nicolaas I die in 1827 de “Kantonisten Decreten” introduceert. Deze decreten dwingen Joodse jongens deel te nemen in het Russische leger.

De zoons van Joodse soldaten werden in deze periode beschouwd als eigendom van de regering en werden door de autoriteiten opgeleid voor hun militaire dienst, die gedurende de regering van Nicolaas I van Rusland, speciaal zijn aandacht had gevestigd op de Joodse kantonisten, aangezien het gemakkelijker was om deze jonge jongens te bekeren tot de Grieks Orthodoxe kerk dan hun ouders, bij wie de religieuze principes al vast verankerd waren. De “beste methode” om dit doel te bereiken, was om hen zo ver mogelijk bij hun geboorteplaats vandaan te halen, zodat ze hun religie konden vergeten en onbeschermd waren tegen de missionaire propaganda van de legerofficieren.

Ooggetuigen hebben vele malen de onmenselijke martelingen beschreven die deze onschuldige jongens moesten ondergaan; en omdat de wortel van het kwaad niet lag in corruptie maar in de wetgeving zelf, had het indienen van klachten geen enkele zin. Deze meedogenloze methode om Joden te dwingen tot de Grieks Orthodoxe kerk toe te treden, werd in Europa bekritiseerd en omwille van de publieke opinie door Alexander II in 1857 afgeschaft. (voorgaande is uit de Jewish Enceclopedia)

In 30 jaar tijd werden zo’n 40.000-50.000 Joodse kinderen gerekruteerd, waarbij een deel al omkwam op weg naar de kazernes.
De jongens zijn tussen de 12 en 18 jaar oud en zijn verplicht om 25 jaar in het leger te dienen vanaf hun 18e, ook al waren ze voordat ze die leeftijd hadden bereikt, al jaren in militaire instituten opgeleid. Tevens worden tijdens de dienstplicht pogingen ondernomen om Joden te bekeren tot het christendom. Veel jongens overleven de dienstplicht niet. En doen ze dit wel dan zijn er nog maar weinigen die zichzelf als Jood beschouwen. Joodse ouders zijn soms zo wanhopig dat ze de rechter wijsvinger van hun zoon afsnijden zodat ze afgekeurd worden voor dienst omdat ze niet meer kunnen schieten. De leiders van de Joodse gemeenschappen moeten echter aan de quota’s voldoen om genoeg jongens het leger in te sturen. De historicus Simon Dubnov schreef over de kantonisten-scholen: ...het was een soort fabriek waar een nieuwe generatie ontjoodste Joden geproduceerd moest worden, die volledig Russisch en zo mogelijk christelijk gemaakt zouden zijn.

Aan de hand van twee aangrijpende verhalen wil ik iets vertellen over hoe pijnlijk deze periode geweest is voor de Joodse gemeenschap in Rusland en hoe vreselijk de verschrikkingen die deze jongens doormaakten.

Een verhaal over een Yom Kippurviering en één over een SimchatThora viering in een Russische stad.

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          In “The Jewish Magazine”  oktober 2003 heeft een verhaal gestaan van Larry Domnitch over een Yom Kippurviering in een niet nader genoemde Russische stad. Dit verhaal staat beschreven in het boek van Abraham Levin getiteld  “Kantonisten” (Jiddisch).

De Kantonisten waren kindsoldaten die door Tsaar Peter de Grote werden gerekruteerd voor het Russische leger.

Tsaar Nicolaas Pavolovich (regeerperiode:1827-1855) maakte hiervan gebruik om deze Joodse kinderen te dwingen de doop te aanvaarden. De kinderen werden letterlijk gestolen van hun ouders en familie en uit hun huizen in de shtettels gehaald om getraind te worden en dan als soldaten dienst te doen. De druk die ze te verduren kregen om ten koste van alles te accepteren dat ze gedoopt zouden worden, was ontzaglijk groot; marteling was geen uitzondering.

 

In het verhaal over de Yom Kippurviering in een Russische stad wordt beschreven dat een Kantonist aanwezig was tijdens het Ne’ila gebed. Het feit dat hij in de synagoge kwam, betekende zeer waarschijnlijk dat hij de druk om gedoopt te worden, had weerstaan.

Als hij gedoopt was geweest, had men hem officieel als christen ingeschreven en was het hem verboden geweest om ooit nog een synagoge binnen te komen, gedurende de regering van Tsaar Nicolaas.

Levin vertelt dat de gemeente hem vroeg de slotgebeden van het Ne’ila – het meest heilige moment van het hele jaar - te leiden. Dit was een grote eer, die deze speciale gast werd verleend uit groot respect voor het feit dat hij, ondanks alles, trouw was gebleven aan zijn Joodse geloof.

De soldaat van Tsaar Nicolaas liep naar voren in de sjoel. Omdat hij zijn religieuze opvoeding, die hij tijdens zijn kinderjaren kreeg, inclusief het lezen van het Hebreeuws, vrijwel helemaal vergeten was, kon hij niet voorgaan in de Ne’ila gebeden. Het gebed dat hij zei vanuit zijn hart was zo krachtig dat het de hele gemeente in beroering bracht:

“Vader in de Hemel” zo bad hij “waar zal ik voor bidden? Ik kan niet bidden voor kinderen want ik ben nooit getrouwd geweest en heb geen hoop en vooruitzicht om een gezin te kunnen stichten, ik ben te oud om een nieuwe start te kunnen maken. Ik kan niet bidden voor leven, want wat is de waarde van zo’n leven? Het zou beter voor me zijn als ik zou sterven. Ik kan niet bidden voor levensonderhoud, omdat Tsaar Nicolaas in mijn dagelijks brood voorziet.

 

Het enige dat ik kan bidden, is:

"Yisgadal VeYiskadash Shmei Rabah", “Laat de grootheid en heiligheid van Zijn grote Naam vermeld worden”( uit het Kaddish gebed).

De gemeente huilde bij het horen van deze woorden. Ze huilden om deze arme man en om zijn moeilijke levenspad. En ze huilden om de tienduizenden andere Kantonisten die werden gedwongen dezelfde moeiten en ellende te ondergaan, zij en hun families en de gemeenten die het verlies van zovelen van hun zonen en broeders moesten verdragen. Veel Kantonisten waren gestorven vanwege de terreur of waren gedwongen gedoopt; anderen waren eenvoudigweg verdwenen in Siberië, honderden mijlen ver van huis. Alle Joodse gemeenschappen van Rusland werden geconfronteerd met de quota’s die de Tsaar hanteerde voor rekrutering. Hij was degene die de orders gaf aan de leiders van de Joodse gemeenten in de steden en een deel van zijn strategie was om de armen te rekruteren en “Kahal”leiders te laten betalen om voor hun eigen zoons een uitzondering te maken. Voor alle Joden in Rusland een demoraliserende en traumatiserende periode!

Alle Joden die onder het regime van de Tsaar leefden, zijn door de effecten van de verschrikkingen in deze periode ten diepste geraakt.

 

Op deze Yom Kippur, tijdens het Ne’ila, werd de gemeente met de verschrikkingen van die tijd geconfronteerd door de woorden van deze ware held, die hun harten raakten. Een held, één van de duizenden die tegenover Tsaar Nicolaas stonden en die een heldenmoed aan de dag had gelegd die voor volwassenen al ongebruikelijk is, laat staan voor kinderen! In zijn eigen woorden voegde hij een onvoorstelbare betekenis toe aan dit moment van Ne’ila. Hij herinnerde de gemeente zowel aan de zonden als aan de vele helden van die periode.

Op die Yom Kippur was het Ne’ila werkelijk een moment van boete en berouw voor iedereen die aanwezig was.

 

 

                           

Larry Domnitch is auteur van “The Cantonists” (2004 Devora Publishing Company)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Herzl Yankl Tsam, de enige Joodse officier in de 19e eeuw. Als 17-jarige Kantonist ingelijfd in het leger, werd hij pas na 41 jaar dienst aanvoerder. Ondanks pressie, bekeerde hij zich nooit tot het christendom.

 

 

 

Uit „The Complete Story of Tishrei“ (Kehot Publication Society, Brooklyn NY) een vertaling van het volgende verhaal:

 

 

 

Het was altijd prachtig om de Simchat Thora viering bij te wonen in de stad S. in oud Rusland in de kleine „soldatensynagoge“ waar de meeste leden kantonisten waren geweest.

 

Eén van de soldaten met diepe littekens op zijn borst en schouders, zong toen hij met de Thora danste: „Thora, Thora, I heb u lief“. Na de Hakafot gingen wij, de jonge jongens, om hem heen staan om zijn verhaal te horen, ook al had hij dat al vaker verteld:

 

„Toen ik een kleine jongen was van 8 jaar, kreeg mijn vader, Rabbi Shlomo, z.l., de vreselijke opdracht om meer dan 20 jongens van onze stad naar het leger van de Tsaar te sturen. Voor alle ouders van jongens van die leeftijd, de mijne incluis, was dit een dag des oordeels. Het was een grotere tragedie dan wanneer alle kinderen in de stad in één dag aan een plaag gestorven zouden zijn.

 

Alle leiders van de gemeenschap waren vergaderd in het huis van mijn vader. Sommige welvarende leden wilden grote sommen geld geven aan de gemeenschap als hun zonen gespaard zouden blijven. Maar mijn vader wilde dit niet. Hij wilde dat alle kinderen gelijk behandeld zouden worden en dat het lot zou bepalen wie er gerekruteerd zouden worden.

 

Zo jong als ik was, realiseerde ik me wat een vreselijke tragedie dit was en in mijn slaapkamer deed ik alsof ik sliep, maar ik hoorde alle kreten en opgewonden stemmen van de mensen die vergaderd waren in de kamer er naast.

 

„En wat met Dovidel?“ hoorde ik iemand vragen en ik rilde bij het horen van m’n naam.

„Natuurlijk is hij geen uitzondering“, hoorde ik de ernstige stem van mijn vader antwoorden.

De vergadering duurde bijna de hele nacht, maar ik was in slaap gevallen voordat hij was afgelopen.

 

Toen ik de volgende ochtend wakker wird, zag ik mijn moeder, met rode ogen van het huilen en van het gebrek aan slaap, naast mijn bed zitten.

Ze omhelsde me zodra ik m’n ogen opende en ik voelde dat er hete tranen op mijn wang dropten. Woorden waren overbodig. Ik wist dat ik één van de jongens zou zijn die van huis weggestuurd zouden worden en dat ik mijn ouders misschien nooit meer zou terugzien.

 

„Huil maar niet moeder“, zei ik, „Ik zal terugkomen“.

 

„Waar ik me zorgen om maak Dovidel“, zei mijn moeder, „is of je zult terugkomen als Jood“.

 

„Moeder, ik zal altijd een Jood zijn“, zei ik resoluut.

 

Dit herhaalde zich toen ik bij mijn vader op schoot zat in zijn kleine studeerkamer. Hij sprak lange tijd tegen me. Er waren geen tranen in zijn ogen, maar ik wist dat zijn hart brak.

 

Mijn vader heeft daarna niet lang meer geleefd. Ongeveer een week voordat de jongens moesten worden afgeleverd, stierf hij.

 

Enkele dagen later kwamen er twee vreemdelingen naar de stad. Ze zeiden dat ze vee kwamen kopen van de boeren. Het gerucht ging dat het kidnappers waren. Mensen fluisterden dat ze omgekocht waren door rijke families om hun kinderen met rust te laten en aan de quota te voldoen door de jongens van de arme families te kidnappen. Mijn vaders plan ging niet door.

 

Op de dag dat de kidnappers kwamen, leek het of onze stad alle jongens had verloren. Mijn moeder verborg mij in de kelder. Toen kwamen ze naar ons huis. Ik hoorde ruwe stemmen, een worsteling en dan een doffe dreun alsof er een levenloos lichaam op de grond was gevallen. Ik kon niet in mijn schuilplaats blijven, klom de trap op naar de deur en riep „Moeder, is het goed met u? Laat me eruit!“

 

Het volgende moment werd ik hardhandig vastgepakt en weggevoerd. Ik zag mijn moeder op de grond liggen. Ik vocht wanhopig, maar het mocht niet baten. Ik kon alleen maar roepen: „Jullie bruten, jullie hebben mijn moeder vermoord“.

 

Met je moeder komt het goed, zeiden ze. Als je nu niet naar ons luistert, zul je er spijt van krijgen.

 

Wij, de jongens, werden in twee wagons geladen, met touwen aan elkaar en aan de wagon geknoopt. De hele stad keek ons na, ook mijn moeder. Dat weggaan zal ik nooit vergeten. Een gewapende wacht stond bij de wagon om de mensen op afstand te houden. Maar plotseling kwam mijn moeder naar voren en zag kans om me een klein pakje toe te gooien. „Vergeet je Bar Mitzwa niet“ waren haar afscheidswoorden. Ze had me tefillien en een klein gebedenboekje gegeven, maar mijn Bar Mitzwa was zo ver weg…….

Wat ik heb doorgemaakt in de daaropvolgende drie jaar van mijn „training“ zal ik jullie maar niet vertellen. Het was geen militaire training, maar een systematische voorbereiding voor bekering, met eindeloze martelingen wanneer we weigerden om blootshoofds te lopen of om het kruis te kussen; en we weigerden steevast.

Op de één of andere manier werd ik als „groepsleider“ gezien. Omdat ik de zoon was van een rabbijn had ik meer geleerd dan de anderen en keken ze allemaal naar mij voor leiding en aanmoediging. Ik voelde dat als ik ook maar de minste zwakheid zou tonen, de geest van de jongens gebroken zou worden door de wrede en verschrikkelijke „training“ die we kregen.

De sergeant die over onze groep ging, kreeg dat in de gaten en bewaarde al zijn zware geschut voor mij. Ik moest het voorbeeld zijn voor de andere jongens door mijn geloof te verloochenen.

Ze hadden geen gemakkelijke aan mij en, zoals jullie aan de littekens zien, ik had het ook niet makkelijk.

Op een dag, na een vreselijke afranseling, werd ik voor de sergeant gebracht. Er was een priester bij die probeerde heel vriendelijk en betrokken over te komen. Er volgden lange monologen, waarbij de één het van de ander overnam. Ik kreeg een prachtige toekomst voorgespiegeld, van een briljante carrière bij de militaire academie, een mooi generaalskostuum en de eer en macht van een gouverneur; maar als ik zou weigeren zou ik een ellendige dood sterven en mijn moeder nooit meer terugzien.

Ze bleven maar praten, maar ik was nauwelijks in staat alles wat ze zeiden te volgen. Ik had alleen maar pijn over m’n hele lichaam en een kwellende dorst. Ik vroeg of ik water mocht drinken.

De sergeant vulde een glas met spuitwater en toen ik ernaar reikte, trok hij het terug.

„Niet zo snel, mijn jongen, je moet ons eerst antwoord geven“.

Alstublieft, geef me het water, ik zal over drie dagen antwoord geven, zei ik wanhopig.

De sergeant en de priester keken elkaar aan en toen mocht ik het water opdrinken.

De drie dagen daarna zijn de ergste die ik ooit heb doorgemaakt. Mijn hele lichaam deed pijn, maar het ergste was mijn mentale kwelling. Zou ik het nog langer kunnen uithouden? Moest ik toegeven? Maar toen ik dacht aan de andere jongens van de groep en aan mijn ouders,schudde ik m’n hoofd en riep ik „Nee, nee, nee“.En zo werd ik heen en weer geslingerd.

Uiteindelijk, de laatste nacht voor de noodlottige dag, kwam de sergeant me opzoeken. „Je ziet er goed uit jongen“, zei hij. „Gaat het morgen een grote dag worden“?

„Zeker“, antwoordde ik. Hij vertrok met het gevoel dat het een dag van triomf voor hem zou worden, een dag van promotie, waarop de generaal hem een schouderklopje zou geven en zeggen, „Goed gedaan Ivan“ en de priester hem zou zegenen met het eeuwige leven omdat hij „een ziel gered“ zou hebben.

Die nacht had ik een vreemde droom. Ik was terug in mijn geboortestadje aan het water en nam een duik om te zwemmen. Plotseling voelde ik een enorme kramp en kon ik niet meer verder zwemmen. Ik kreeg het doodsbenauwd en hapte naar adem. Ik wilde om hulp schreeuwen, maar kon geen geluid uitbrengen. Ik was aan het verdrinken…..Toen zag ik dichtbij een strohalm en in wanhoop greep ik me er aan vast. Ineens veranderde de strohalm in een machtige gouden ketting, waarvan het uiteinde stevig vastgemaakt was aan een boom die langs de oever stond. Toen ik de ketting vastpakte, zag ik dat hij bestond uit een heleboel schakels, die naarmate ze verder van me af waren, steeds groter werden. Toen zag ik gouden woorden erin gegraveerd staan en van dichtbij kon ik lezen „Abraham, Isaäc, Jacob“ op de grootste schakels ver weg, gevolgd door vele andere namen die me zo vertrouwd waren ui de Tenach. Toen ik naar mijn eigen schakel keek, zag ik mijn eigen naam erin gegraveerd staan die stevig werd vastgehouden door de schakel van mijn vader. Voor een ogenblik voelde ik me zeker en gelukkig, maar tot mijn afgrijzen zag ik dat mijn schakel langzaam door brak. Nog maar even en hij zou volledig afbreken van de ketting en dan zou ik verdrinken…….

„Nee, nee“ riep ik. „Niet afbreken“! Ik werd met een schok wakker en mijn kleine hart bonsde bijna uit mijn lichaam. De rest van de nacht heb ik liggen huilen.

De eetzaal was afgeladen vol. Op het podium zaten veel militairen en onder hen mijn eigen sergeant en de priester. In de zaal zaten veel jonge Joodse rekruten zowel van mijn eigen groep als van nabijgelegen eenheden. Het spektakel voor mijn „bekering“ was groots opgezet.

Toen ik op het podium werd geleid en ceremonieel werd gevraagd me bereid te verklaren om een christen te worden, antwoordde ik niet meteen. Ik draaide me om, keek opzettelijk naar mijn Joodse mede-rekruten, naar de muren die versierd waren met diverse zwaarden en sabels en door het raam naar de blauwe lucht.

Aan de hoofdtafel werden ze ongeduldig en ik werd opnieuw aangemoedigd hen te vertellen van mijn bereidheid om hun geloof te omhelzen.

Toen liep ik naar de muur en pakte er een klein bijltje af. Terugkerend naar de tafel, legde ik er drie vingers op, de middelste zorgvuldig vermijdend in de hoop daar op een dag de tefillien nog eens omheen te mogen winden, en voordat iemand zich kon realiseren wat ik van plan was, hief ik het bijltje omhoog en liet het met volle kracht op mijn vingers neer komen.

„Dit is mijn antwoord voor de drie dagen“ zei ik en wuifde mijn bloedende hand in hun gezicht. Het volgende moment viel ik flauw….

Hier pauseerde de kantonist en keek met trots naar zijn linkerhand waaraan de toppen van drie vingers ontbraken. Meer vertelde hij ons niet, maar we wisten dat het deze stokoude soldaat was die de Tsaar had doen begrijpen dat, zolang als er jongens als deze David onder zijn Joodse onderdanen waren, al zijn verordeningen gedoemd waren te mislukken.

We keken vol bewondering naar de bejaarde kantonist, maar hij hield niet van heldenverering. Hij sprong op en begon weer te dansen en zingen: „De Thora is onze enige keus. Verheug je op Simchat Thora! Verheug je en wees blij!“

Alexander II, opvolger van Nicolaas I , schafte deze gehate dienstplicht af, en kende de Joden meer vrijheid toe. Ook in Rusland begon zo een proces van assimilatie en maatschappelijke opgang in de kunsten, journalistiek, economie, politiek en wetenschap. Ook hier zette dit soms kwaad bloed bij de niet-Joden, die hen betichtten van uitbuiting en parasiteren, en van het bedreigen van de christelijke cultuur en staatsorde.

De moordaanslag in 1881 op tsaar Alexander II, door een revolutionaire groep waar een Joodse vrouw deel van uitmaakte, leidde tot een serie bloedige pogroms, aangewakkerd door zijn opvolger Alexander III, die de liberale maatregelen van zijn vader goeddeels terugdraaide en een reactionair en repressief beleid voerde. Anderhalf miljoen Joden zijn nadien Rusland ontvlucht. Onder de laatste tsaar, Nicolaas II, bracht de geheime politie de vervalste Protocollen van de Wijzen van Zion naar buiten, die zogenaamd het verslag van het zionistische congres van 1897 zouden zijn. In 1917 werden ze internationaal bekend door de aandacht van verschillende Westerse kranten en van de Amerikaanse autofabrikant Henry Ford, maar in 1921 werden ze ontmaskerd als vervalsing, ontleend aan de tekst van een Frans satirisch boek. Desondanks worden de ‘Protocollen’ ook vandaag de dag nog voor waar gehouden door sommigen in met name het voormalige Oostblok en velen in de Arabische wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pogroms in Russia initiated by the Czars

Links: wereldberoemde Amerikaanse musical ‘Fiddler on the Roof ( Ana Tevka) die de pogroms op indrukwekkende wijze uitbeeldt. Script is van Sholem Aleichem.                                                                                   

Rechts: Sholem Aleichem (1859-1916), belangrijkste Jiddische auteur, die het leven in de stetl in ‘The Pale of Settlement’ en ook de pogroms beschreven heeft.

SUBBOTNIKI of SABBATISTEN

 

 

 

Rond 1640 deden in Rusland de Subbotniki of Sabbatisten hun intrede. Zij zijn deel van een beweging die zich als judaïserende geloofsgroeperingen vanaf de tweede helft van de 15e eeuw vanuit Nowgorod over Rusland verspreidden en duidden zichzelf aan als: “Volk van de Wet van Mozes”.

 

Ze namen invloeden over van het Joodse humanisme en van de Kabbala, bestreden de goddelijkheid van Jezus en zijn opstanding, verwierpen de verering van iconen, vierden Pesach en volgden de Thorageboden op, aanvankelijk uitgezonderd de besnijdenis. Zoals de Joden verwachtten ook zij de komst van de messias als alle mensen de Thora volledig zouden houden. Vanaf 1760 werden ze deel van de Molokanen, die de Russisch orthodoxe kerk afwezen en hielden ze ook de Shabbat.

 

 

Omstreeks 1796 zien we ze onder Katharina II. Ze komen uit Russische boerenfamilies (lijfeigenen) en waren tot 1820 woonachtig in de gebieden Woronesch, Orjol, Moskou, Tula en Saratow. Onder de heerschappij van Alexander I was er grotere religieuze vrijheid en konden zij een ongestoord leven leiden. Desondanks weerhield dit de Russisch-orthodoxe geestelijkheid er niet van vooraanstaande vertegenwoordigers van de Subbotniki te laten vermoorden. Vanaf de jaren 1880 werden aanhangers van de sekte naar Siberië  en het zuiden van de Kaukasus verbannen. Door hun invloed langs de Zwarte Zee en de Wolga konden zij de missie van de zevende-dag-adventisten onder de Russen vergemakkelijken (de eerste Adventisten in Rusland waren van Russisch-Duitse afkomst).

 

Voor de Eerste Wereldoorlog waren er onder de Kozakken Subbotniki, die probeerden Joodse gemeenten te beschermen tegen pogroms.

 

De Subbotniki heiligen de Shabbat. In plaats van de doop wordt meestal de besnijdenis gevierd. Er zijn onder hen diverse groeperingen. De meeste Subbotniki wijzen het nieuwe testament volledig af, geloven niet in de zgn drie-eenheid en wachten op een messias die op de aarde als koning zal leven; anderen (Subbotniki van Moskou) leren zowel het „oude“ als het nieuwe testament en zien Jezus als een profeet, maar niet als zoon van god, omdat hij niet alle mensen verlost heeft. Het nieuwe testament neemt bij hen echter een minder belangrijke plaats in dan het „oude“.

Subbotniki in Seattle Washington daarentegen geloven dat Jezus de zoon van god is en verwachten zijn wederkomst.

Subbotniki konden onder de voor Joden geldende regels van de wet van terugkeer naar Israel emigreren en werden in het algemeen als Joden erkend. Dit is echter niet steeds het geval geweest (zie ook verderop).

 

Subbotniki leven in de volgende landen:

                                Armenië

                                Azerbedjan

                                Iran

                                Israël

                                Rusland

                                USA

                                Uzbekistan

 

Hun geschiedenis wordt hieronder verder beschreven.

 

 

Een Joodse leraar in het 19e eeuwse Podolia in de zgn. “Pale”(zie hieronder op blz.19 bij:

“Onder Alexander I en Nicolaas I”)

 

Waterdrager in ‘The Pale of Settlement’

Teveye de melkman uit de musical ‘Fiddler on the Roof’, een typische bezigheid in ‘The Pale of Settlementy’.

Michael Freund is iemand die zich enorm inspant om verre en verborgen Joden en afstammelingen van het Joodse volk op te sporen. Hij wordt wel genoemd: “De Columbus van de Joden” en hij heeft Joodse gemeenschappen ontdekt in diverse locaties zoals Kaifeng (China), Trujillo (Peru) en Subbotnik (Rusland).

Een aantal jaren geleden bezocht hij het dorp Vysoky in een veraf gelegen deel van Zuid Rusland, om uit de eerste hand te vernemen van de Subbotnik Joden, afstammelingen van een groep Russische boeren die meer dan twee eeuwen geleden waren overgegaan tot het Jodendom (niet te verwarren met Subbotniks die christelijk waren gebleven), ondanks de vervolgingen van de Tsaar. Ze zagen zichzelf als “gerim” , maar werden door historici gelabeld als Subbotniks omdat ze de Shabbat hielden.

De Subbotnik Joden hielden Shabbat, kashrut, zegden drie maal daags de gebeden en legden tefillin. Ze vierden de Joodse feestdagen van Yom Kippur tot Lag Ba’Omer, bakten hun eigen matses voor Pesach en stuurden in een aantal gevallen zelfs hun kinderen naar de beroemde yeshivot in Litauen in de 19e eeuw. Subbotnik Joden trouwden met  Russische Ashkenazische Joden en met andere Joden in de Kaukasus regio en waren door de jaren heen zeer trouw aan hun geloof; ze waren dermate vasthoudend en hardnekkig hierin dat ze weerstand boden aan de onderdrukking van de tsaar, de onderwerping in Rusland en de wreedheid van de Nazi’s, hun martelaars trotserend om trouw te kunnen blijven aan de wetten van Mozes en Israël. Zelfs nadat ze naar de verre uiteinden van Siberië waren verbannen, praktiseerden ze de Joodse leefwijze zo goed als ze konden.

Ze verborgen hun Joodse leefwijze vaak voor de christelijke omgeving. In de loop van de 19e eeuw waren ze nauwelijks te onderscheiden van de Russisch Ashkenazische gemeenschappen, met wie ze zich door huwelijk vermengden. In de privé gebedshuizen baden ze met bedekte hoofden uit Joodse gebedenboeken met Russische vertaling. Ze slachtten indien mogelijk hun dieren volgens de wetten van de shechita. Op zaterdagen werd ook uit de Thora gelezen. Van alle geboden maakten zij de grootste ernst met het houden van de Shabbat, vandaar ook hun naam; ze hadden op die dag een absoluut werkverbod en vermeden ieder gesprek over wereldlijke zaken.

Tot de meest bekende afstammelingen van de Subbotnik Joden behoren de vroegere IDF staf chef Rafael Eitan, gepensioneerd kommandant van het noordelijke district van de Israëlische Politie Alik Ron, de legendarische Josef Trumpeldor en mogelijkerwijs zelfs Ariel Sharon (geboren op 26 februari 1926 als Aron Scheinermann) en anderen.

Freund werd in het dorp dat hij bezocht, benaderd door een oudere Subbotnik Joodse vrouw genaamd Tanya, die hem vertelde dat haar hele familie reeds aliyah had gemaakt, maar dat zij daar vast zat vanwege een verandering in de Israëlische politiek tegenover Subbotnik Joden.

Daarenboven zeiden leden van de gemeenschap dat ze leden onder het antisemitisme van hun niet-Joodse buren. Ze overhandigden Freund een emotionele brief die ze hadden geschreven aan premier Ariel Sharon, met een verzoek tot toestemming voor aliyah. Toen Freund deze brief aan Ariel Sharon overhandigde, gaf hij aan de 20 families die de brief hadden ondertekend, de toestemming om aliyah te maken. Onder hen was ook de bovengenoemde Tanya.

Relatie tot Joden:

Volgens de getuigenissen, privé zowel als officieel, van degenen die hun levenswijze bestudeerd heeft, waren de Subbotniki zeer ijverige mensen; ze konden lezen en schrijven, waren gastvrij, leefden niet in dronkenschap, armoede of prostitutie.Tot 1820 leefden ze met name in gebieden als Voronezh, Orvol, Moskou, Tula en Saratov. Vanaf dat jaar werden ze, als ze hun lidmaatschap van de sekte openlijk beleden, gedeporteerd naar de heuvels onder aan het gebergte van de Kaukasus, naar Transkaukasië en naar gebieden in Siberië.

 

Onder Alexander I en Nicolaas I:

Onder Alexander I genoten de Subbotniks een relatief grote mate van vrijheid, vanwege zijn over het algemeen tolerante politiek. Niettemin vermoordde de Russische geestelijkheid ongeveer 100 Subbotniks en hun spirituele leiders in Mogilev, inclusief de vroegere aartsbisschop Romantzov. Romantzov’s jonge zoon werd gemarteld met roodgloeiende ijzers voordat hij werd verbrand op de brandstapel.

De Subbotniks slaagden er echter in, een zekere mate van rust te verkrijgen, door middel van een overeenkomst die ze sloten met de Russisch orthodoxe priesters. Om ervoor te zorgen dat de kerk geen materiële schade leed doordat de Subbotniks de kerkelijke gemeenschappen ontrouw waren, betaalden de sekteleden het gebruikelijke bedrag van twee Russische roebels voor iedere geboorte en drie roebels voor elk huwelijk. De Tsaar stond hen vervolgens dan toe om hun geloof openlijk te belijden, op voorwaarde dat ze geen Rabbijnen aanstelden en geen zending zouden bedrijven onder christenen. Deze bepalingen werden echter niet altijd nageleefd.

Onder Nicolaas I ontstond er onder de Subbotniks een gevoel van onrust. Velen van hen wilden het Jodendom omarmen en sommigen van hen werden naar de zgn “Pale of Settlement” gestuurd (bepaald gebied waar Joden mochten leven en waarbuiten het Joden niet was toegestaan te wonen; Litauen, Polen, Moldavië, Oekraïne en een deel van west-Rusland), om volledig kennis te maken met het Jodendom. Toen de Russische regering dit te weten kwam, stuurden ze een aantal priesters naar de Subbotniks met de expliciete opdracht om hen ertoe te bewegen terug te keren naar de Russische orthodoxie. De godsdiensttwisten en de overredingskracht van de priesters leverden echter niet het gewenste succes op, waar op de overheid besloot om de Subbotniks met geweld te onderdrukken. In 1826 besloot de regering om degenen die openlijk als Subbotniks leefden, naar de bovengenoemde gebieden in de Kaukasus, Transkaukasië en Siberië te deporteren en tegelijkertijd de residentie van Joden en van leden van de Russisch orthodoxe kerk in hun nederzettingen te verbieden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Marktdag in Rzhishchev Oekraïne

 

 

 

 

Joden die het voltooien van het schrijven van een Thora rol vieren met een dans in Dubrovna, Belorussia, een stad waar de talietim (gebedsshawls) werden vervaardigd.

 

 

 

 

Bejaardenhuis in Kiev. Verpaupering in de “Pale” deed diverse vormen van liefdadigheid ontstaan: zorgen voor bejaarden en zieken, uitdelen van voedsel en kleding.

 

 

Sovjet periode:

Tijdens de Holocaust werden Subbotniks in het door de Nazi’s bezette Oekraïne, als Joden en tezamen met hen, afgeslacht. Na de oorlog elimineerde de Sovjetregering de wettelijke etnische status van de Subbotniks, en, liever dan hen als Joden te registreren,werden ze in het vervolg gewoonweg geregistreerd als Russen. Dit feit heeft tot problemen geleid voor huidige leden van de gemeenschap die aliyah wensen te maken onder Israëls wet op de terugkeer.

Huidige situatie:

Na de val van de Sovjet Unie, zijn vele Subbotniks uit Rusland weggegaan en naar Israël vertrokken, als onderdeel van de exodus van meer dan een miljoen Russische Joden. Recent zijn er statusgerelateerde problemen ontstaan voor sommige Subbotniks die in Rusland zijn gebleven. Gebruikmakend van getuigenissen van de overgebleven 800 Subbotniks in Vysoki, heeft “Shavei Israel” (een organisatie die toegewijd is aan “Jewish outreach” aangaande “verloren Joden” en gemeenschappen die Joods willen worden) uitvoerig pogingen in het werk gesteld om deze moeilijkheden te verlichten

Statistiek:

Het is onmogelijk om het exacte aantal Subbotniks in Rusland, in welke tijd dan ook, vast te stellen. Er is een grote discrepantie tussen overheidsstatistieken en  het actuele ledental. Officiële data uit de tijd van de tsaren geven aan dat de sekte een paar duizend leden zou hebben, terwijl de reiziger en schrijver E. Dinard, die persoonlijk banden onderhield met de Subbotniks, beweerde het dat er 2,5000,000 waren  Mogelijk includeerde Dinard in zijn cijfers alle Judaïserende sekten en niet alleen de Subbotniks. Betreffende hun kleding en leefstijl, afgezien van hun religieuzen riten, waren de Subbotniks niet te onderscheiden van Russisch orthodoxe en seculiere Russen.

---------------------------------------------------------------------------

Wij zijn er getuigen van dat het Joodse volk al gedurende meer dan 3000 jaar overleeft. Dit is ook voorzegd door de profeten.

 

“Zo zegt God, Die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, Die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, Wiens Naam is Here der Heerscharen: Als deze verordeningen voor Mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord des Heren, alleen dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor Mijn ogen” (Jeremia 31:34-36).

 

Met andere woorden, zo lang als zon, maan en hemel er zijn, zal het Joodse volk er altijd zijn.

 

Seven Wonders of Jewish History. by Rabbi Motty Berger and Rabbi Asher Resnick

Seven remarkable milestones that defy historical patterns and fulfil ancient prophecies.

 

 

Colofon:

Prof. Rabbijn Ahron Daum, B.A. M.S., Emeritus Opperrabbijn van Frankfurt am Main
19 Kislev 5774

22 november 2013 (verjaardag van zijn oudste dochter Deborah)

 

Bewerking in het Nederlands:

Heleen en Hendrik van Silfhout, Middelburg/Nederland

(Gioer-kandidaten bij het Hoofdrabbinaat in Israel en voorbereid door

Rav Ahron Daum, Shlita)

 

Foto’s en eindredactie:

Mattityau Akiva Strijker, Antwerpen

(Gioer-kandidaat bij het European Beth Din, Bazel/Zwitserrland en voorbereid door Rav Ahron Daum, Shlita)

 

Website designer en onderhoud:

Yitzchak Berger,  Melbourne/Australië

(Schhoonzoon van Rav Ahron Daum, Shlita)

 

Share this

Counter