Skip to main content

‘Lag Ba’Omer in the rabbinical Literature’ – Dutch version

 

Lag Ba’Omer in de rabbijnse Literatuur

 

 

 

 

 

 

De 49 dagen tussen Pesach en Shavuot worden de “Se’fira”- dagen genoemd. Dit, omdat we op elke avond, bij het zichtbaar worden van drie sterren, van de “Se’fira”-tijd de nieuwe dag tellen en begroeten met een “B’racha”.

 

De “Se’fira dagen” zijn eigenlijk dagen van rouw, maar toch is één van hen een feestdag: de 33ste “Omer”-dag, beter bekend als “Lag Ba’Omer”.

 

Wat is de reden voor deze vreugde?

 


Links: Twee munten van keizer Titus, geslagen ter gelegenheid van de overwinning op de Grote Revolte in het jaar 70. Op de munt staat ‘Judea Captiva’ (Judea is gevangen).
Rechts: Een lbrief van Shimon bar Kochba, de grote leider van de Revolte in jaren 132-135 n.d.g.j.

 

In de Talmud lezen we het volgende: De grote Mishna-geleerde Rabbi Akiva (2de eeuw v.d.g.j.) had in in zijn Talmoedacademie in Bnei Barak 24 000 studenten. Al zijn studenten zijn door een epidemie gestorven tussen Pesach en Shavuot, m.u.v. van vij studenten, waaronder Rabbi Shimon Bar Jochai en Rabbi Me’ir. De Talmud verklaart de oorzaak van deze epidemie (difterie) als volgt: “Omdat de studenten van Rabbi Akiva elkaar niet respecteerden”[i]

 

 

Vele geleerden stellen zich de kritische vraag: ‘Hoe is het mogelijk dat bijna alle leerlingen van Rabbi Akiva geen respect voor elkaar toonden?’’ Uiteindelijk hadden zij de beste leraar die zich men voorstellen kan, Rabbi Akiva was de grootste Torah-geleerde ooit en had goede en edele karaktereigenschappen.
Onder wetenschappers en Modern-Orthodoxe Joden heerst de opinie dat de leerlingen van Rabbi Akiva samen met hun meester tegen de boze Romeinse bezettingsmacht vochten, die allerlei beperkingen op religieuze, sociale en bijzonder zware belastingen op de Joden in Judea legden. Het was de tijd van religieuze vervolgingen onder de allerergste (nog erger dan keizer Titus, de verwoester van de Tweede Tempel) Romeinse keizer Adrianus (113-193).

 

Bar Kochba (gestorven 135)                               Adrianus (117-138)
 

De revolte van Bar Kochba samen met Rabbi Akiva en zijn leerlingen was aanvankelijk bekroond met succes, maar na drie jaar eindigde deze revolte met een bloedbad bij het stadje Betar, in de buurt van Jeruzalem met een massacre van ongeveer 1 miljoen vermoorde Joodse vrijheidstrijders en de marteldood van Rabbi Akiva samen met negen andere Torah-geleerden. Ook werden de Joden verboden om Jeruzalem te betreden en alleen op Tisha b’Av mochten de Joden de ‘Kotel’ bezoeken.
De Joden-fobie van Adrianus was zo grenzeloos dat hij de naam van het land Judea wijzigde in Palestina en dat tot op de dag van vandaag politieke gevolgen heeft.

 

Rabbi Menachem ben Shlomo (1249-1316), die Me’iri genoemd wordt, schrijft hierover in zijn Talmoed-kommentaar “Bet Ha’Bechira” het volgende: “Wij hebben een traditie van de Geonim (6de tot 10de eeuw) die zegt dat op “Lag Ba’Omer” de epidemie onder de studenten van Rabbi Akiva ten einde liep. Om deze reden zijn bruiloften, het knippen van haar en het scheren van de baard toegelaten op “Lag Ba’Omer”.”

 

 

 

“Lag Ba’Omer” is tegelijkertijd ook de sterfdag en “Jaartijd” van de belangrijkste leerling van Rabbi Akiva en de grote Mishna-geleerde, Rabbi Shimon Bar Jochai. Om deze reden vindt op die dag aan zijn mausoleum-graf in Meron (in de buurt van Safed, Galilea) de “Hilula de Rabbi Shimon bar Jochai” plaats. Dit is een vrolijk en religieus feest ter ere van zijn sterfdag.

In dit verband stelt zich de volgende vraag: Hoe is de sterfdag van de Tannaiet (Mishna-geleerde en grote Kabbalist) Rabbi Shimon bar Jochai een feestdag geworden?

 


Links: Mausoleum van Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon, Rabbi Elazar overdag
Rechts: Mausoleum in de nacht tijdens Lag Ba’Omer.

 

Het antwoord op deze vraag vinden wij in het kabbalistisch-mystische grondwerk, de “Zohar”. Daar wordt verteld: Toen Rabbi Shimon Bar Jochai zijn dood voelde naderen, riep hij zijn studenten bij zich en sprak: “Ik heb één wens en ik verwacht dat jullie hem zullen vervullen. Mijn wens is dat jullie op mijn sterfdag wenen noch jammeren. Ik wens juist het tegenovergestelde: jullie moeten vrolijk en uitgelaten zijn.” Toen de Rabbi hun verbazing en ongeloof waarnam, zei de grijze Mishna-geleerde: “Jullie moeten weten dat de toekomstige wereld, waar ik weldra naartoe zal gaan, veel hoger en waardevoller is dan de aardse wereld. Het is een wereld van Waarheid, van Wijsheid en van Vroomheid. Jullie geween en jammerklachten zouden dan ook misplaatst zijn.” De studenten, die Rabbi Shimon Bar Jochai tijdens zijn leven altijd trouw gevolgd hadden, gingen met pijn in het hart in op deze wens van hun stervende Rabbi. Zij vierden deze dag dan ook op vreugdevolle, uitgelaten en vrome wijze, zoals hij gevraagd had.

 

Sinds die dag wordt “Lag Ba’Omer” als een feestdag van ons volk gezien en gevierd.[ii]

 

Wie was juist deze Mishna-geleerde Rabbi Shimon Bar Jochai?

 


Links: de legendarische Johannesbroodboom, waarvan Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon, Rabbi Elazar, op wonderbaarlijke wijze twaalf jaar hebben geleefd.
Rechts: een waterbron, dat ook op wonderbaarlijke wijze naast de grot ontsprong.

 

Hier enkele data uit zijn biografie.

 

Rabbi Shimon Bar Jochai was één van de meest schitterende persoonlijkheden van ons volk die ooit geleefd en gewerkt hebben en werd door het nageslacht met ongeziene erkenning en mystieke aanbidding vereerd. Hij was een student van de legendaire Mishna-geleerde Rabbi Akiva en wijdde zich met dezelfde warmte en hetzelfde enthousiasme aan de religieuze studies. Rabbi Shimon Bar Jochai had dezelfde politieke houding en dezelfde afkeer van de Romeinen als zijn leraar Rabbi Akiva.

 

Telkens wanneer men in de Mishna of de “Baraita” (een Mishna die zich buiten de Mishna-compendium bevindt) de naam Rabbi Shimon leest zonder verdere bepaling, gaat het over de Mishna-geleerde Rabbi Shimon Bar Jochai. Op basis van een verklikking werd hij ter dood veroordeeld.

 

Links: binnen het mausoleum van de graven van Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon Rabbi Elazar.
Rechts: het motto van Rabbi Akiva en ook van zijn leerling Rabbi Shimon Bar Jochai: ‘’Je zal houden van je vriend, zoals van jezelf’’.

 

Daarom verborgen Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon Rabbi Elazar zich voor de Romeinen twaalf jaar lang in een grot. Beiden werden door de g-ddelijke voorzienigheid op wonderlijke wijze met eten en drank in leven gehouden. Volgens de Talmud gebeurde er een wonder: naast de grot groeide een Johannesbroodboom en er ontsprong een waterbron. Deze twaalf jaren werden volledig aan het bestuderen van de Mishna, de mystiek van de Torah en het gebed gewijd.

 

Na de dood van de Romeinse Keizer Adrianus, een aartsvijand van het Joodse volk, verlieten Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon Rabbi Elazar de grot en vestigden zich in het Galileische Tekoa en Meron.[iii]

 

Er verzamelden zich vele studenten, om bij hem Thora te leren. Onder hen bevond zich zijn beroemdste student Rabbi Yehuda Ha’Nassi (135-200), de redacteur van de Mishna.

 

Ook op een ander gebied verwierf Rabbi Shimon Bar Jochai grote roem en bekendheid. Hij werd namelijk een van de belangrijkste grondleggers van de Kabbala, de Joodse mystieke en esoterische leer. Zijn naam en geest tekenen diep het heilige mystieke werk  “Zohar” (‘het Boek van Glans’), het hoofdwerk van de Kabbala.

 

Links: het grondwerk van de Kabbala, de Zohar, eerste druk in Mantova,Italïe.

Rechts: hetzelfde boek van binnen in het Hebreeuwe cursieve schrift van Rashi

 

Zijn grote liefde en engagement voor het Heilige Land, Eretz Israel, blijken uit het volgende verhaal uit de Midrash:

 

Eén van zijn studenten was naar het buitenland getrokken en keerde als rijk man terug. Het kon niet anders dan dat deze fortuinlijke verandering de jaloezie van zijn mede-studenten opriep. Ook zij verlangden opeens, naar zijn voorbeeld, hun thuisland Eretz Israel te verlaten. Zij verwachtten immers zoals hem rijk en met schatten overladen terug te zullen keren. Zij vertelden dit aan hun leraar Rabbi Shimon Bar Jochai.

 

De Rabbi sprak hierop tot zijn studenten: “Begeleid me toch alstublieft  naar de vlakte bij Meron , voor jullie naar het buitenland vertekken.” Wanneer ze daar aangekomen waren richtte de Rabbi een hartstochtelijk gebed tot G-d.

 

“Vlakte! O Vlakte!” riep hij, “vul jezelf met goudstukken!”

 

 

En direct vulde de vlakte zich met vele goudstukken. De Rabbi sprak tot zijn studenten: “Jullie verlangen toch zo sterk naar goud? Wel hier zijn er goudstukken in overvloed en jullie hebben ze maar op te rapen. Maar jullie moeten wel weten dat het bedrag dat ieder van jullie nu neemt zal afgetrokken worden in de komende wereld. Enkel daar wordt immers het loon voor het vervullen van de Mitzvot uitbetaald.”[iv]

 

Ondanks zijn hoge ouderdom reisde deze grijze Rabbi toch naar Rome waar hij erin slaagde de keizerlijke anti-Joodse dekreten van Adrianus  te laten opheffen. Deze dekreten hadden de Joden verboden volgens hun religieuze wetten te leven. Sinsdien maken elk jaar, op zijn sterfdag Lag Ba’Omer, honderduizende Joden een pelgrimstocht naar zijn graf in Meron.

 

Onder de Halachische Dezisoren is er onenigheid over de vraag of men de “Se’fira”- rouwtijd verderzet na “Lag Ba’Omer”. Rabbi Josef Karo (1488-1575), auteur van de “Shulchan Aruch”, neemt in zijn halachische werk “Bet Josef” de volgende beslissing: De “Se’Fira”- rouwtijd eindigt met “Lag Ba’Omer”.

 


Rabbi Josef Karo (1488-1575)              Rabbi Abraham Gombiner (1635-1683)

 

Alle rouwvoorschriften vallen op dat moment weg. Vanaf “Lag Ba’Omer” mogen er terug huwelijken plaatsvinden en men kan ook terug de haren knippen.[v] Daar tegenover staat de mening van Rabbi Abraham Gombiner uit Kalisch (1635-1683). In zijn halachisch werk “Magen Avraham” stelt hij namelijk dat de rouwvoorschriften van de “Se’fira periode” ook na “Lag Ba’Omer” verder van toepassing zijn en wel tot kort voor Shavuot. Daarom is het volgens de “Magen Avraham”, net zoals volgens de meeste Ashkanazische autoriteiten, ook na “Lag Ba’Omer” tot kort voor Shavuot niet toegelaten om huwelijken te vieren of de haren te knippen.[vi]
Zie ook Halacha Aktuell II, ‘Hochzeiten während der Se’fira-Zeit‘ pag. 462-465.

 

Het is opmerkelijk dat “Lag Ba’Omer” noch in de Talmud noch in de Midrashim als feestdag vernoemd wordt. Ook de Gaonitische literatuur is op dit vlak stil. De eerst verwijzing in die richting verschijnt pas in de Talmud-commentaar “Bet Ha’Bechira”, van Rabbi Menachem Me’iri (1249-1316). Rabbi Moshe Sofer (1763-1839) uit Bratislava schrijft hierover in zijn Responsa-werk “Chatam Sofer” als volgt: “Wij vieren “Lag Ba’Omer” als een feestdag, aangezien volgens de overlevering op die dag voor de eerste keer het “Manna” uit de hemel viel.

 

“Chatam Sofer” (1763-1839)                                  Rabbi Jakob Emden (1697-1776)

 

[vii] Rabbi Jakob Emden uit Altona (1697-1776), in de halachische wereld bekend als “Javetz”, schrijft: “Lag Ba’Omer” als feestdag heeft zijn oorsprong in het kabbalistisch-mystieke werk “Zohar”.” Rabbi Arye Lebusch Bolchower (gestorven 1885) verklaart het vieren van “Lag Ba’Omer”als feestdag, door te verwijzen naar het wonder dat de twee Mishna geleerden, Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon Rabbi Elazar, na twaalf jaren ondergedoken te hebben geleefd voor de Romeinen, zich weer konden laten tonen.[viii] 

 

In de zeer oude Joodse gemeente van Worms wordt “Lag Ba’Omer” gevierd met het afsluiten van een Talmud traktaat (“Sijum”). Dit is een traditie die teruggaat op Rabbi Jakob Mollin (1355-1427), vader van de ashkenazische “Minhagim” (gewoontes) en bekend onder de naam “Maharil”.  De kinderen van de Talmud-Thora School in Worms hadden de gewoonte om op “Lag Ba’Omer” met pijl en boog, als symbool van de stijd tegen de Romeinen, in het bos te spelen.

 

Links: Joods trouwfeest in Amsterdam. Opperrabbijn Benjamin Jacobs (links) leidt de trouwceremonie.

Rechts: Rabbijn Ahron Daum met zijn dochter Yael bij de‘Mitzva-Tanz’ aan het eind van haar trouwfeest in Antwerpen.

 

De auteur van het werk “Likute Joscher” bericht in verband met “Lag Ba’Omer” over het gebruik dat iemand die zijn zestigste levensjaar voltooid had, op  “Lag Ba’Omer” een dankmaaltijd of  “Se’udat Ho’da’jah” organiseerde voor familie en vrienden. Dit gebruik is te verklaren vanuit de Talmudische traditie die stelt dat iemand die het zestigste levensjaar voltooid heeft, zich heeft kunnen redden van een “voortijdige dood uit de hemel” oftewel “Karet”. Het is interessant te vermelden dat in de Talmud en Halacha-literatuur wordt vastgesteld dat de zestigste jubileumsverjaardag aanbevolen wordt om dit te vieren.

 

“Lag Ba’Omer” is een populaire dag voor huwelijken en dit heeft zijn oorsprong in de Mishna. Daar lezen we: “Met 18 jaar bereikt de mens de leeftijd om te trouwen.”[ix] En aangezien “Lag Ba’Omer” op de 18de Ijar valt, is dit dan ook een symbolisch populaire trouwdatum. Het is de meest populaire trouwdatum in Israel en als men wenst om op deze datum te trouwen, moet men maanden in vooruit boeken. Elke zaal in Israel is op ‘Lag Ba’Omer’ gereserveerd voor een huwelijk.

 


Links: Rabbi Yitzchak Luria (1534-1572), bekend onder de naam ‘Ari Ha’kadosh’ en vader van de praktische Kabbala.

Midden: Graf van Rabbi Chaim Vital (1543-1620) in Damascus, de belangrijkste leerling van ‘Ari Ha’Kadosh’, die de leer van de ‘Ari Ha’Kadosh’ in zijn werk ‘Etz Chaim’ neer schreef en bekend maakte
Rechts: Rabbi Chayim ben Atar (1696-1743), bekend om zijn Torah-commentaar ‘Or Ha’Chaim’. Dit exegetische commentaar onthoudt vele kabbalistische verklaringen.

 

Van het traditioneel jaarlijkse feest op “Lag Ba’Omer” bij het graf van Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon Rabbi Elazar hebben we beschrijvingen van grote en beroemde kabbalisten. De belangrijke bijbelexegeet en kabbalist Rabbi Chayim ben Atar uit Marokko (1696-1743) schrijft in een reisbericht over Eretz Israel aan zijn leerlingen: “Al uit de verte kan men de koepel van de tombe van de heilige Rabbi Shimon Bar Jochai waarnemen. Op het binnenplein van deze tombe is ook het graf van de Tanna-Mishna-geleerde  Rabbi Jewe Sabba.”

 


Twee beroemde liedjes die over Rabbi Shimon Bar Yochai gaan. Deze liedjes worden tijdens Lag Ba’Omer festiviteiten gezongen.

 

De beroemde Frankfortse Rabbijn en Kabbalist Rabbi Jeshajahu Ha’Levi Horowitz (1555-1625), auteur van het werk “Schne Luchot Ha’Brit”, schrijft in zijn reisnotities over Eretz Israel: “Aan de tombe van de Misha-geleerde Rabbi Shimon Bar Jochai wordt steeds met grote verering, religieus enthousiasme en  innerlijke vreugde de Thora bestudeerd. Dit gebeurt zonder een spoor van rouw,  in overeenstemming met de laatste wens van de grote mysticus en stichter van de Kabbala, Rabbi Shimon Bar Jochai.” Rabbi Chaim Vital uit Tzfat (1543-1626), Kabbalist en beroemdste student van Rabbi Jitzchak Luria (1534-1572), bekend onder de naam “Ari Ha’Kadosh”, schrijft: “ Ik ontmoette mijn leraar, de “Ari Ha’Kadosh”, op de dag van “Lag Ba’Omer” in Meron, aan de tombe van van Rabbi Shimon Bar Jochai. Hij verbleef daar drie volle dagen. Dit waren dagen volledig gewijd aan de Almachtige, gevuld met inkeer en vreugde.”

 

De kabbalist Rabbi Shimon ben Lavie (1480-1580) uit Tripoli, auteur van het werk “Ketem Paz”, schreef het beroemde en populaire pijut “Bar Jochai”. Dit lied werd in de loop der tijd zo populair, dat het elke vrijdag avond door onze sefardische geloofsbroeders, begeleid door een prachtige en ontroerende melodie, in de synagoge gezongen wordt. In bepaalde aschkenazische gemeenschappen wordt deze pijut enkel in de synagogedienst op de Shabbat vlak voor “Lag Ba’Omer” gezongen. Het populairst is de Pijut “Bar Jochai” echter op “Lag Ba’Omer”, aan de tombe en op de “Jahrtzeit-Yom Hillula” van Rabbi Shimon Bar Jochai.

 

Links: Tekening van Rabbi Moshe Isserles (1525-1575), bekend als de ‘Rema’. De belangrijkste ashkenazische Halachist.
Midden: De originele historische synagoge van de ‘Rema’ in Krakau.
Rechts: Het graf van Rabbi Moshe Isserles in het kerkhof naast de synagoge.

 

Maar wie bouwde het imposante gebouw over het graf van Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon Rabbi Elazar? Dit was het werk van de kabbalist en filantroop Rabbi Abraham Galante uit Tzfat (16de eeuw). Ter gelegenheid van de inwijding van dit nieuw gebouw liet hij zijn Thora-rol op “Lag Ba’Omer” in een feestelijke optocht van Tzfat naar Meron brengen. Sindsdien is dit een gewoonte geworden. Met het aanbreken van de nacht van  “Lag Ba’Omer”, na het “Ma’ariv” gebed om precies te zijn, wordt elk jaar de Thora-rol van Rabbi Abraham Galante onder een “Chuppa” (baldakijn) door familieleden van Galante van Tzfat naar Meron gedragen. Dit gebeurt in een feestelijke optocht waaraan duizenden mensen deelnemen terwijl ze zingen, dansen en psalmen reciteren. Wanneer de optocht in Meron aankomt, begint de “Hillula van Rabbi Shimon Bar Jochai”. Op hetzelfde moment vond vroeger een klein feest plaats in de Poolse stad Krakau, aan het graf van Rabbi Moshe Isserles (1525-1575). Deze rabbijn, beter bekend als “Rema”, was volgens de traditie 33 jaren actief als rabbijn, schreef 33 rabbijnse boeken en is hij gestorven op de 33ste  “Omer”-dag, oftewel “Lag Ba’Omer”.  Jammer genoeg is met de vernietiging van het Europese Jodendom door de Nazis en hun collaborateurs in de Shoah ook een einde gekomen aan dit feest in Krakau.

 

Links: ‘Lag Ba’Omer’-viering door de leerlingen van de Joodse gymnasium in Nowogrodek, Wit-Rusland voor de Shoah.
Rechts: Activisten van de Joodse Gemeente van Boekarest, Roemenië voor de Shoah, nemen deel aan de ‘Lag Ba’Omer’-viering.

 

De feestlijkheden aan het graf van Rabbi Shimon Bar Jochai in Meron droegen echter niet de goedkeuring van alle halachische autoriteiten. Rabbi Moshe Sofer (1763-1839) uit Bratislava, bekend als “Chatam Sofer”, stond hier bijvoorbeeld afwijzend tegenover. De “Chatam Sofer” schrijft: “Volgens een weidverspreide “Minhag” (gebruik) is het verboden op “Lag Ba’Omer” te vasten of rouwtoespraken te houden; ik betwijfel echter of het toegelaten is deze dag als een feestdag te behandelen aangezien het voor zo’n feest geen bron in de Talmud is.”[x] Een andere rabbijnse autoriteit, Rabbi Josef Shaul Nathansohn uit Lemberg (1808-1875), verwerpt het idee dat men van de sterfdag van een “Tzaddik”  een feestddag kan maken. Tevens werpt hij nog andere halachische bezwaren op wat betreft het vieren van “Lag Ba’Omer”. Het is een weidverbrijd gebruik om op  “Lag Ba’Omer” in Meron oude kledingstukken in het vuur te werpen als teken van vreugde. Overtreed men daarmee niet het verbod op “Ba’al Tasch’chit” (het verspillen van gebruiksvoorwerpen)?[xi]

 

‘Chalaka’, de gewoonte van Chassidim om op ‘Lag Ba’Omer’ hun jongens met de leeftijd van drie jaar de haren te laten knippen en de pijpekrulletjes (‘peyot’) te laten groeien.

 

In verband met “Lag Ba’Omer” stelt zich nog een andere vraag: Sinds wanneer bestaat het religieuze gebruik om het haar van jongetjes, die drie jaar oud zijn geworden, voor de eerste keer aan het graf van Rabbi Shimon Bar Jochai in Meron te knippen? De bron voor deze eerbiedwaardige “Minhag” vinden we in de Kabbala. We weten dat ten tijde van Rabbi Jitzchak Luria (1543-1620), bekend als “Ari Ha’Kadoch, dit gebruik reeds bestond. Zijn beroemde leerling Rabbi Chajim Vital (1543-1620) vernoemt immers dit gebruik reeds in zijn kabbalistisch-mystieke werk “Sha’ar Ha’Shamajim”. Misschien is de verklaring voor dit gebreuk te vinden in het idee dat de eerste drie jaren van een vruchtboom zijn de vruchten ‘Orlah’ en ongeschikt en ongenietbaar. Het vierde jaar worden vruchten naar Jeruzalem geracht om daar in heiligheid van de vruchten te genieten.

 

Chassidim dansen op ‘Lag Ba’Omer’


Het is voor mij belangrijk om het stereotype te verduidelijken dat alle Joden pijpekrullen laten groeien. Het is uitsluitend een Chassidisch gebruik om de pijpekrullen onaangeraakt te laten gedurende het gehele leven. Het was een gangbaar plezier voor de Nazis om de Chassidische Joden te vernederen en te molesteren en om hun Pei´jot pijpekrullen af te knippen en te lachen om deze verschrikkelijke, onmenselijke daad. Sommige niet-Joden van tegenwoordig, die er een hekel aan hebben om Chassidische Joden te zien met pijpekrullen, zouden zich moeten realiseren dat wij G-d zij dank in een vrije democratische maatschappij leven en dat wij de manier mogen kiezen om ons te kleden of ons haar te knippen. Dezelfde tolerantie die zij tonen voor mensen die hun lichaam bedekken met tatoeages, voor skinheads en voor mensen met piercings in hun lippen, oren en neus, zouden ook mogen worden tentoongespreid ten aanzien van Chassidische Joden die zich graag in de traditionele, eeuwen oude kleren kleden en die Pei´jot laten groeien zoals hun voorvaderen in Oost-Europa, Marokko of Jemen.

 

Links en rechts: illustraties en verhalen over de wonderbaarlijke miraculeuze overleving van Rabbi Shimon Bar Jochai en zijn zoon Rabbi Elazar in de groot bij Meron

 

Hoe werd en wordt tot op de dag van vandaag “Lag Ba’Omer” in de Chassidische wereld gevierd? De Chassidim dragen op “Lag Ba’Omer”feestelijke kleding en iemand die in de rouwjaar is mag op “Lag Ba’Omer” niet voorbidden. Rabbi Abraham Jitzchak Sperling (gestorven 1918) vertelt ons, in zijn halachisch-normatieve werk “Ta’ame Ha’Minhagim”, dat Rabbi Baruch ben Jechiel Aschkenasi uit Mezibuz (1757-1811), de kleinzoon van Rabbi Israel ben Elizser (1700-1760) oftewel de Baal Shem Tov, de gewoonte had op“Lag Ba’Omer” in zijn “Beit Ha’Midrash” (leerhuis) met de “Zohar” in zijn handen te dansen. De  “Gur” Chassidim uit Polen zien een gelijkenis tussen “Lag Ba’Omer” en Shavuot. Op Shavuot ontvingen de kinderen van Israel de schriftelijke en mondelinge Thora, op“Lag Ba’Omer” ontvingen ze de mystiek en de kabbala- de geheimen van onze Thora. De conclusie uit deze gelijkenis is voor de “Gur” Chassidim de volgende: Zoals men de gewoonte heeft om op Shavuot melkproducten te consumeren, zo geldt dezelfde gewoonte voor “Lag Ba’Omer”. Dit is gebaseerd op het schriftvers: “Melk en Honing zijn onder jouw tong.” (Hld.,4:11).

 

 

 

Afsluitend

 

De laatste Lubavitcher Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneerson (1902-1994), heeft zijn Chassidische aanhangers gemobiliseerd en opgroepen om op elke ‘Lag Ba’Omer’ een kinderparade te organiseren, dit onder de zeer bekende naam, ‘Tzivot Hashem’ (De soldaten van Hashem). Persoonlijk denk ik dat het idee van de Rebbe was om ons in herinnering te brengen de moedige en standvastige strijd van Rabbi Akiva en Bar Kochba’s soldaten tegen de Romeinse overmacht.

 

 

Origineel verschenen als “Lag Ba’Omer in der rabbinischen Literatur” in „Halacha Aktuell’’ I pag 170-180 van Prof. Rav. Ahron Daum

 

Colofon:

 

Auteur   

Prof. Rabbijn Ahron Daum, B.A., M.S.

 

Nederlandse vertaling en bewerking

Dennis Baert, M.J.                 

 

 

‘Lag Ba’Omer’ 2012

 

Eindbewerking, Photoshop en special effects
Mattityahu Akiva Strijker

 

Webmaster en designer
Yitzchak Berger, Melbourne/Antwerpen
Schoonzoon van Rav Ahron Daum, Shlita

 

‘Lag Ba’Omer’ 2014

 

 

Verwijzingen en citatities:

 

 

1

 


[i]    Tal. Bav., Jebamot, 62 b

[ii]  “Zohar”; Idra Suta zu Parschat “Ha’asinu”

[iii]  Tal. Bav., Schabbat, 33 b

[iv]   Midrasch Schemot Rabba, 52:3

[v]    Schulchan Aruch, Orach Chajim, 493:1

[vi]   Magen Abraham; Orach Chajim, Siman 493, Abs. 5-6

     Rema; Orach Chajim, 493:3

[vii]  ResponsenChatam Sofer”, Yoreh Deah, Siman 233

[viii] Responsen “Shem Arje”, Orach Chajim, Siman 14

[ix]   Mischna; Awot, 5:24

[x]    ResponsenChatam Sofer”, Yoreh Deah, Siman 239

[xi]   ResponsenScho’el u’Meschiw”, Siman 39

 

 

Share this

Counter