Skip to main content

‘Levende Water – Mikveh’ Dutch version

 

 

Levend Water; Water van het Hof van Eden
De Reinheidswetten van de Joodse Familie

Praktijk en visie

 

 

Het Joodse Huwelijksleven

De zin en betekenis

 

 

Voorwoord

Het thema van huwelijkswetten is complex en niet gemakkelijk te behandelen. Dit essay dient als voorlichting over deze basis-Mitzva (gebod/verbod) van het Torah-getrouw Jodendom. We hebben drie essays samengenomen: mijn persoonlijke essay over ‘mikve’, met een historisch overzicht en een uitdaging het instituut ‘mikve’ logisch te verklaren. Dit is verbonden met veel beeldmateriaal van antieke, middeleeuwse en moderne ‘mikves’.
Deel twee is een essay van Rabbi Aryeh Kaplan (1934-1983), uit zijn collectieve schriften: ‘Levend Water; Water van het Hof van Eden. De Reinheidswetten van de Joodse Familie. Praktijk en Visie’.
We hebben een samenvatting gemaakt van een Nederlandse vertaling die wel in essentie de belangrijkste punten van Rav Aryeh Kaplan,s.z.l. weergeeft.
Ook dit essay is met veel beeldmateriaal over ‘levend water’ begeleid.
We hebben ook het essay over het Joodse Huwelijksleven van de laatste Opperrabijn van Nederland voor de ‘Shoah’, Rabbi Simon Dasberg (1902-1945) samengebracht, waarbij we geïnspireerd werden door zijn woorden:

De Joodse huwelijksvoorschriften beginnen reeds vóór het huwelijk. Vreemd is dit niet. Allerwegen en in allerlei opzicht treft men voorbereidingen, wan neer het huwelijk nadert. Waarom zou dan de Joodse br uid bij al haar voor bereidingen zich niet óók van de Joodse plichten, die haar als vrouw wachten, nauwkeurig op de hoogte stellen? Voor de Joodse man, die bij de juiste toepassing eerlijk moet medewerken en van wie offers van zelf bedwang en religieuze zedelijkheid verwacht worden, geldt hetzelfde. Ook hij moet zich gereed maken en bereid zijn.
Om de pl ich ten te leren ken nen dient o.a. dit boek. Maar ook i n dit uiterst gewichtige onderdeel va n het Joodse Leven kan men niet zonder "mondel inge Leer". Een vertrouwelijk gesprek met een ervaren, goed-Joodse vrouw (Rebbetzin), met de geestelijke raads-vrouw is wel haast noodzakelijk. Het zelfde geldt ook voor de bruidegom die voor het huwelijk discreet lessen bij een Rabbijn volgt over de huwelijkswetten en ook alle geboden/verboden over dit complexe thema leert kennen’’.


Ik ben dank verschuldigd aan mijn leerlingen, Mattityahu (Matthijs) Strijker, Heleen & Hendrik van Silfhout en Margalit (Margreet) Westbroek die mij daadkrachtig bij de realisatie van dit belangrijke thema geholpen hebben.

Antwerpen
15 Shevat (Tu Bishvat)                                                                                    Rav Ahron Daum
16 januari 2014

 

Ahron Daum – (Wikipedia Nederlands)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Rabbijn Daum in zijn bibliotheek

Ahron Daum (Bnei Brak, 6 januari 1951) is een in Israël geboren modern-orthodox rabbijn, onderwijzer, auteur, en voormalige opperrabbijn van Frankfurt am Main, die tegenwoordig in Antwerpen, België woont.

Inhoud

Persoonlijk leven en opleiding

Ahron Daum werd geboren op 6 januari 1951 in Bnei Brak, Israël. Hij werd geboren in een religieus Asjkenazische familie. Zijn vader Shmuel Daum was een belangrijke onderwijzer, pedagoog en schrijver, die zich inzette voor de gemeenschap, stammend uit een prominente rabbijnse familie uit Polen en Bohemen. Zijn moeder Rivka Gina Daum stamde uit een gegoede handelsfamilie uit Sopron, Hongarije. Hij heeft drie jongere broers. Zijn intensieve religieuze training begon toen hij 13 jaar oud was in de beroemde Litouws-Chassidische “Ruzhin” Jesjiva in Bnei Brak. Toen hij 14 jaar oud was, vertrok hij naar Groot-Brittannië waar hij zijn studies voortzette aan de Jesjiva Ha-Rama en later aan de bekende Zionistische Jesjiva Etz Chaim in Montreux, Zwitzerland. In 1975, na het behalen van zijn baccalaureaat in Zwitserland, ging hij naar Jews’ College, Universiteit van London, waar hij een Bachelor’s graad haalde in Joodse Studies (met onderscheiding).[1] Vanaf 1978 studeerde hij aan de Rabbi Isaac Elchanan Theological Seminary (RIETS '82) van Yeshiva University, New York waar hij een Master afronde in Bijbelse Studies (met onderscheiding)[2] en ook zijn wijding als rabbijn kreeg, persoonlijk ondertekend en overhandigd door Prof. Rabbi Joseph Soloveitchik. Hij wees het aanbod af om zijn studies voort te zetten om de titel van Dayan te behalen en keerde terug naar Europa waar hij trouwde met Francine Frenkel, met wie hij drie dochters kreeg. Hij speekt Hebreeuws, Engels, Duits, Frans, Nederlands en Jiddisch en hij beheerst het Aramees en Latijn passief.

Carrière als rabbijn

In 1982 begon hij zijn rabbinale carrière in Zwitserland als Rabbjn van de Joodse gemeente in de stad Biel/Bienne, een tweetalige, Frans/Duitse stad.[3] Hij verliet deze post in 1986 om doctoraal vorser te worden aan het Christlich-Jüdische Institut in Luzern, geaffilieerd met de Theologische Faculteit van de Universiteit van Luzern, Zwitserland. In 1987 aanvaarde hij de post van Opperrabbijn van de Joodse Gemeente van Frankfurt am Main,[4][5] Duitsland, destijds de grootste en meest prestigieuze Joodse gemeenschap van de Bondsrepubliek Duitsland. In 1994 trad hij om familie redenen af als Opperrabbijn en vertrok naar Antwerpen, België, waar het grootste deel van zijn familie al woonde. Daar begon hij Jodendom te onderwijzen binnen het openbare scholennet en op Joodse scholen. In 1995 aanvaarde hij een positie als lector in Joods Recht aan de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen in Wilrijk (Antwerpen), België.[6] Als erkentelijkheid voor het onderwijs dat hij daar gaf en voor zijn werken over Halacha heeft de Faculteit hem een Professoraat Honoris Causa in Joods Recht toegekend. Vanaf 2001 begon hij ook samen met zijn vrouw een serie outreach projecten voor Joden die Ba'al tesjoewa worden, niet-Joden die geïntereesd zijn in Joodse studies en mensen die het proces ingaan van bekering tot het Jodendom. Tegenwoordig neemt dit het merendeel van zijn tijd en werk in beslag en als deel van deze outreach activiteiten organiseert hij regelmatig, in samenwerking met het in Nederland en Israël gevestigde Shalom Centrum, studiedagen over verschillende onderwerpen op het terrein van Joodse studies.

Publicaties

Prof. Rabbijn Ahron Daum is een productief auteur die heeft geschreven over diverse onderwerpen op het terrein van Joodse studies. Toen hij in Zwitserland woonde schreef hij regelmatig Halachische artikelen voor het Joods Zwitsers-Duitse weekblad "Jüdische Rundschau".[7] Gedurende zijn tijd als Opperrabbijn van Frankfurt am Main, schreef hij regelmatig artikelen voor "Die Jüdische Allgemeine" en het twee maandelijks tijdschrift "Die Gemeinde". Sinds 2010 schrijft hij een maandelijkse column voor het tijdschrift Joods Actueel, de meest wijdverbreide Joodse publicatie in België. In deze columns schrijft hij over het gehele spectrum van Joodse Studies, bijvoorbeeld zijn goed ontvangen serie over de geschiedenis van het Jodendom sinds de Verlichting. Hij is de schrijver van twee boeken. Zijn eerste boek "Halacha aktuell"[8][9][10][11] bestaat uit twee banden, geschreven in het Duits. Het behandelt Halachische problemen en onderwerpen van actueel belang, zoals die voorkomen in de Halachische literatuur en meer in het bijzonder in de Responsa. Dit is een uniek werk, in die zin dat het eerste in het Duits geschreven boek is over deze onderwerpen in het post-Shoa tijdperk. Het werd daarom met veel enthousiasme begroet in de Halachische wereld en het ontving officiële goedkeuringen van veel gerenomeerde Halachische autoriteiten. Bepaalde artikelen uit het boek waren oorspronkelijk in Klassiek-Rabbijns Hebreeuws geschreven en deze zijn later afzonderlijk gepubliceerd onder de titel "Iyunim b’Halacha". Zijn tweede boek was "Die Jüdische Feiertage in Sicht der Tradition" (De Joodse Feestdagen in het Licht van de Traditie). Het is een verzameling in twee banden, een combinatie van Halachische artikelen, preken, liturgische bemerkingen, homiletische gedachten en folkloristische-humoristische verhalen, die in verband staan tot de Joodse feestdagen and Sjabbat. Hij werkt momenteel aan een aantal boeken in het Nederlands over zulke uiteenlopende onderwerpen als Kabbala, Joodse geschiedenis, de huidige Joodse wereld met zijn verschillende stromingen en andere onderwerpen.

Boeken

  •                      Halacha aktuell, Jüdische Religionsgestze und Bräuche im modernen Alltag (Haag und Herchen Verlag, Frankfurt am Main, 1992, 2 Vol., p. 387 – p. 773)
  • Iyunim b’Halacha (Haag und Herchen Verlag, Frankfurt am Main, 1992, p. 93)
  • Die Feiertage Israels, Die jüdischen Feiertage in er Sicht der Tradition (Herchen Verlag, Frankfurt am Main, vol. I, 1993, p. 556, vol. II, 1994, p. 557)
  • "Das Aschkenasische Rabbinat : Studien über Glaube und Schicksal" (Julius Carlebach) / Die Rolle des Rabbiners in Deutschland heute (Ahron Daum)

Mikve

 


 

Mijn langjarige leerling Giyur-kanidaat, Elisheva Daniëla, wordt door de Orthodoxe Beth Din van Bne Brak na het Mikve gefeliciteerd.
Links zie je de Senior Dayan van het Beth Din, HaRav HaGaon Rabbi Israel Wiesel, Shlita.

Elisheva Daniëla samen met de Mikve-vrouw na de Giyur-procedure.

Elisheva Daniëla belt al haar vrienden en kenissen om te informeren over haar succesvolle uitkomen als Joodse vrouw.

Het woord mkve wordt normaal in het Nederlands met ‘ritueel bad‘ vertaald. Dit is misschien geen slechte vertaling maar geeft de eigenlijke betekenis van het woord niet weer. De profeet Jeremiah spreekt als volg: ‚Eeuwige, Bron van Israels hoop‘ … want ze hebben de Eeuwige, de Bron van levend water, verlaten‘(Jeremiah 17,13): Volgens de profeet is mikve hier de hoop van Israel, maar zowel in de Torah als in de Mishnah (Yuma 8:9) spreekt Rabbi Akiva van Hashem die het volk Israel spiritueel reinigt en tot terugkeer en ommekeer brengt, zoals een mikve. De stamletters van het woord mikve zijn ‚Kuf, Vav, Hey‘, en inderdaad zijn beide interpretaties conform de Hebreeuwse etymologie, nl. ‘de hoop van Israel‘ - ‘Tikwa‘ of een mikve‘ in de zin van een reservaat van levend water.

Het oudste mikve kan men bewonderen in de vestigingsburcht Masada, waar er ‘mikves zijn van ongeveer 2000 jaar oud.

In Massada werden twee ‘mikves’ gevonden; naar algemeen gebruik was de ene zeer waarschijnlijk voor mannen en de andere voor vrouwen.

Eén van de vele mikvah’s die in gebruik waren in de Qumran-gemeenschap, waar twee maal daags onderdompeling werd gepraktiseerd. (Deze mikvah bewijst de vernietiging van de nederzetting door een aardbeving in het jaar 31 voor de gewone jaartelling).

Ook in Europa vinden we zeer oude ‘mikves van meer dan 1000 jaar oud. Hieronder is het mikve van Worms, het zogenoemde Rashi-mikve uit de 11de eeuw, en het mikve van Speyer uit de 12de eeuw. Het mooiste middeleeuwse mikve is te bewonderen in het kleine stadje Friedberg in de deelstaat Hessen, Duitsland.

Links: ‘Rashi’-Mikve in Worms uit de 11de eeuw.

Rechts: Middeleeuwse mikveh in Friedberg uit de 15de eeuw.

 

De mikve van Friedberg heeft een bewonderenswaardige architectuur die ongeveer 7 verdiepingen naar beneden leidt. De verlichting komt op een natuurlijke manier van boven, waarbij er een kleine omkledingscabine is waar ook lantaarns en kaarsen gebruikt werden. Het natuurlijke water komt van de rivier Main. Ook krijgen de ‘mikves van Worms en Speyer hun water van de Rijn.

Onze oudste moeders waren echte heldinnen om zich zo spartaans te begeven in een natuurlijk mikve’ met ijskoud water, een aantal verdiepingen onder de grond, zonder verwarming en echte verlichting.
In principe is een rivier, een bron, een oceaan, of een natuurlijk meer koosjer om als mikve dienst te doen. Toch hebben onze wijzen een grote terughouding en hebben het zelfs verboden om deze natuurlijke waterbronnen te gebruiken, dit om de volgende redenen:

  •                      Geen discretie en privé-sfeer, waardoor de gebruikers het ritueel niet grondig zouden doen volgens alle voorschriften.
  •                      Stromend water kan een mens meesleuren, of in een draaikolk zuigen.

 

Het mikve is tegenwoordig een meesterwerk van geleerheid in Halacha, maar ook met kennis van architectuur en wiskunde. Alleen een gespecialiseerde Rabbijn (Dayan) kan een mikve plannen, bewaken en er een kashrutcertificaat voor geven. Deze Rabbijnen hebben een zeer groot kennis van alle gecompliceerde Halachot en ook van de mathematische bepalingen, architectuur en mikve-specifieke vorderingen. We hebben in principe twee waterreservaten die naast elkaar staan nl. het mikve zelf waar de mensen zich ritueel gaan onderdompelen. Deze mikve wordt altijd gereinigd en er is een voortdurende circulatie met nieuw bewerkt water. Verder bestaat er ook een soort waterput die met regenwater gevuld wordt. Het regenwater komt van het dak van het mikve-gebouw door een directe buis in de waterput en zorgt dat er genoeg regenwater voorhanden is en geen tekort wegens natuurlijke verdamping. De eigenlijke put is direct verbonden met een groot gat dat uitkomt in het rituele bad.

Behalve bij de reiniging van het mikve is deze verbinding afgesloten. Verdere voorschriften voor het mikve zijn te complex om hier te bespreken.

 

Het moderne mikve voldoet aan alle normen van esthetica en Halacische voorschriften. Zo is elke mikve voorzien van ee privé badkuip en een douche, een lavabo met spiegel. Verwarming is ingebouwd. In de meeste mikves is ook een schoonheidshoek waar een haardroger en nog andere cosmetische mogelijkheden voorhanden zijn.

Het vrouwenmikve wordt door een mikve’-vrouw bediend die ook de vrouwen begeleidt. Een Joodse vrouw moet namelijk na haar menstruatiedagen + zeven reinigingsdagen het mikve bezoeken en zich helemaal onderdompelen na een grondige gewone wasbeurt, volledig naturel, dit zonder juwelen en cosmetica. Daarna is het een Mitzva en een plicht om het voorziene geslachtsverkeer met haar man te hernieuwen. Sinds het hier gaat om een plicht uit de Torah, moet de mikve-vrouw vaststellen dat de vrouw helemaal in het mikve gaat en de juiste positie aanneemt. Het probleem is vooral het haar waarbij alle haren moeten ondergedompeld zijn.

Van de Torah mag een vrouw, zelfs vandaag, tijdens haar menstruatie en hierbij nog eens zeven reine dagen die Rabbijnen aan deze plicht toevoegden, geen intimiteit hebben met haar man en mag zelfs haar man geen hand geven. Dit vebod geldt als zeer streng en wordt aan vrouwen en mannen heel grondig geleerd. De graad van vroomheid wordt via deze mitzva’ (en nog twee andere: Shabbat-observantie en Kashrut) aan de vrouw toegekend. Bij de man komen dezelfde mitzvot voor, alsook het leggen van ‘Tefillin’, om als religieus betrouwbaar aangezien te worden.

De eerste keer dat een Joodse vrouw in het mikve gaat, is onmiddelijk voor het huwelijk. Hierdoor is het samenwonen voor het huwelijk niet mogelijk. Zelfs als de vrouw naar het mikve gaat voor het huwelijk, kan ze geen gemeenschap hebben met haar man tot na het huwelijksceremonie.

Het proces en de Halachot van een vrouw in haar menstuatieperiode gelden alleen voor een Joodse vrouw, of een vrouw die in het Jodendom uitgekomen  is.

De Rabbijnen in de Mishnah, Talmud en de wetcodex ‘Shulchan Aruch’, eisen dat ook iemand die tot het Jodendom uitkomt, naar het mikve moet gaan, dit met de nodige discretie bij een vrouwen-Giyur, als beslissende handeling om in het Jodendom opgenomen te worden. Dit geldt voor zowel vrouwen als mannen. De Rabbijnen die rond de tijd van Jesu en zijn volgelingen leefden, hebben de christenen beïnvloedt met deze visie. Zo vinden we bijvoorbeeld Johannes de Doper die zijn volgelingen onderdompelt in de Jordaan en er, door deze symbolische doping, een nieuwe christen van maakt.

De mikve van Rabbi Yitzchak Luria (1534-1572), bekend onder de naam ‘Ari Hakadosh’ ( Leeuw van de Praktische Kaballah). De ‘mikve’ bevindt zich in Tzfat.

Een nieuwgeboren Joods kind hoeft niet in een mikve’, omdat de Bond van Sinai voor alle generaties geldt. Ook de kinderen van vrouwen die tot het Jodendom uitgekomen zijn, hoeven geen rituele onderdompeling te ondergaan, als zij een kind baren.

De grote filosoof en wetgeleerde Maimonides (1135-1204) die als rationalist geldt, shrijft in zijn codex Maimuni: ‘De Halacha en alles wat met het mikve verbonden is, is niet rationeel te verklaren. We zullen aannemen dat dit de wil van Hashem is, dat alle water van de wereld een vrouw niet kan reinigen van haar ‘Nidda’-toestand, alleen het mikve-water is in staat om dit te bewerkstelligen. Dit geldt ook voor de proseliet die alleen met een onderdompeling in een koosjer mikve’ als beslissende akt in het Jodendom opgenomen wordt.

  

   Maimonides (1135-1204), grootste Halachist

  en filosoof van het Jodendom.

 

Met alle respect voor Maimonides zullen we hier een paar rationele verklaringen voor het mikve introduceren.

  •                      Het embryo is omgeven door vruchtwater. Als een mens zich onderdompelt in een mikve van levend water, keert hij terug tot zijn oertoestand. Dit is zeker een verklaring voor een vrouw die na haar menstruatietoestand het mikve bezoekt om zich ritueel te reinigen.
  •                      In het scheppingsverhaal (Gen. 1) wordt ons verteld dat de hele wereld onder water was voor de schepping en de Geest van Hashem over het water zweefde. Het levende water van het mikve geeft ons een simulatie van deze oertoestand van de schepping.
  •                      Zonder twijfel is er het beroemde verhaal van de Aramese generaal Naäman, wiens lichaam volledig met lepra bedekt was, en die zich volgens de aanwijzingen van de profeet Elisha in de Jordaan moest onderdompelen om terug als een nieuwgeborene te voorschijn te komen, met de huid van een kind (II Koningen 5: 14). De rivier de Jordaan geldt als een natuurlijk mikve.

 

The Snowy River in Australia

 

Ook vooral bij een ‘Giyur stelt het onderdompelen in het mikve een nieuwe geboorte voor. Het verleden bij een ger telt niet meer en de proseliet begint een nieuwe pagina in zijn leven, nl. als Joodse man of als Joodse vrouw.

 

Rashi-mikve‘ in Worms, Ashkenaz (Duitsland)

 

Bij de profeten Ezra en Nehemia vinden we een ander motief, nl. het opgeven van het verleden en het zich aansluiten bij Hashem. De profeet bericht ons van velen die zich bij het volk Israël aansloten om de ware G’D te dienen en zich van de afgoderij te scheiden. Het wassen in het mikve is een soort reinigen van het verleden (Nehemia 10:27). De geestelijke reinheid kan alleen door een onderdomepling in een koosjer mikve bereikt worden.

 

Het is zowel bij mannen als vrouwen een plicht om in aanwezigheid van het Beth Din de onderdompeling uit te voeren. Bij mannen is er geen probleem wat discretie en moraliteit betreft, bij vrouwen echter wel. Voor de eigenlijke onderdompeling worden de Geloofsprincipes van Maimonides herhaald en wordt de nadruk gelegd op de onomkeerbaarheid van het proces. Zie mijn website www.bestjewishstudies.com onder de link Essays en Artikelen in het Engels.

 

Volgende twee mogelijke oplossingen worden bij vrouwen gebruikt, bij de onderdompeling in het mikve:

  •                      Vooral in Israel, zowel bij het Hoofdrabbinaat als het Charedische Rabbinaat, is het rituele bad bedekt met een ondoorzichtig plastic, waarbij alleen het hoofd kan doorsteken. De vrouw dompelt zich helemaal onder in het bad, en de mikve-vrouw observeert het plastic zodat het hoofd terug boven water kan komen. In totaal zijn er vier onderdompelingen waarbij de zegenspreuk over het mikve gezegd wordt alsook een dankzegging voor het beleven van dit evenement. Na het aankleden verschijnt de kandidaat/kandidate terug voor het Beth Din en wordt de Joodse naam gegeven die als nieuwe identiteit geldt voor de proseliet die nu als een zoon of dochter van Avraham en Sara aangezien wordt, alsook als een volwaardig lid van het Joodse volk en geloof. De proseliet wordt een ‘Mazal Tov gewenst, veel zegens van G’D op zijn nieuwe levensweg. Enkele weken daarna zal de ger’/‘giyoret het giyur’-certificaat per post ontvangen, waardoor hij/zij de mogelijkheid heeft om zich in een religieuze Torahgetrouwe gemeente in te schrijven en te genieten van alle rechten en plichten.

 

  •                      Een variant van de onderdompeling in het mikve in aanwezigheid van het Beth Din is als volgt: De proselietin gaat onder begeleiding van de mikve-vrouw in het mikve. De Rabbijnen zijn niet aanwezig in deze ruimte, maar in een aanpalende ruimte die akkoestisch wel verbinding geeft. De mikve-vrouw is een soort bemiddelaar die de nodige gespreken overbrengt. Het Beth Din komt helemaal niet in contact tijdens de onderdompeling met de vrouw. De procedure is verder dezelfde. Dit soort onderdompeling wordt vooral buiten Israël gepraktiseerd. Ikzelf beoefende deze manier ook in Frankfurt uit.

 

Een ger onderdompelt zich in een kosher mikve voor de beslissende handeling van het Giyur-proces. Links aan de kant zie je een zwarte Kippa, wat dient als hoofdbedekking bij het zeggen de’ brachot.

Afsluitend wil ik eindigen met de Profetenvers van Jeremiah: ‘Eeuwige, Bron van Israels Hoop... (Jeremiah 17:13).
Men mag deze vers niet als chauvinistisch zien, maar als compliment voor het volk Israel, namelijk het volk Israel is de hoop van de Eeuwige, omdat ons volk de taak heeft licht voor de volkeren te zijn en G-ds richtlijnen en aanwijzingen hier op aarde te realiseren.

Aryeh Kaplan – (Wikipedia Engels)

From Wikipedia, the free encyclopedia

Aryeh Moshe Eliyahu Kaplan[1] (Hebrew: אריה משה אליהו קפלן; 23 October 1934 – 28 January 1983)[2] was a noted American Orthodox rabbi and author known for his "intimate knowledge of both physics and kabbalah".[3] He was lauded as an original thinker and prolific writer, from studies of the Torah, Talmud and mysticism to introductory pamphlets on Jewish beliefs and philosophy aimed at non-religious and newly religious Jews.[4] His works are often regarded as a significant factor in the growth of the baal teshuva movement.[5]

Biography

      Kaplan was born in the Bronx, New York City, to the Sefardi Recanati family of Salonika, Greece. He studied at Yeshiva Torah Vodaas and the Mir yeshiva in Brooklyn. Kaplan received semicha from some of Israel's foremost rabbinic authorities, including Rabbi Eliezer Yehuda Finkel. He earned his bachelor's degree in physics - with highest honors - at the University of Louisville in 1961[6] and a master's degree in physics at the University of Maryland. He was listed in the 17th edition (1979) of "Who's Who in the East" in the United States.[7]

     His major influence was Rabbi Zvi Aryeh Rosenfeld (1922–1978), who single-handedly introduced the teachings of Rebbe Nachman of Breslov to American shores beginning in the 1950s, inspiring many students at Brooklyn yeshivas, especially Torah Vodaas. Working together, Kaplan and Rosenfeld translated and annotated Rabbi Nachman's Tikkun (based on the Tikkun HaKlali). At Rosenfeld's suggestion, Kaplan also produced the first-ever English translation of Sichot HaRan ("Rabbi Nachman's Wisdom"), which Rosenfeld edited. He also translated and annotated Until the Mashiach: The Life of Rabbi Nachman, a day-to-day account of Rebbe Nachman's life, for the newly established Breslov Research Institute founded by Rosenfeld's son-in-law, Chaim Kramer. Kaplan's later writings further explored Hasidut, Kabbalah and Jewish meditation. (Kaplan himself utilized the meditative form of Kabbalah on a daily basis.[8]) From 1976 onward, Kaplan's major activity was the translation into English of the recently translated (Ladino into Hebrew, 1967) anthology, Me'am Lo'ez. He also completed The Living Torah, a new translation of the Five Books of Moses and the Haftarot, shortly before his death.

      Kaplan was described by Rabbi Pinchas Stolper, his original sponsor, as never fearing to speak his mind. "He saw harmony between science and Judaism, where many others saw otherwise. He put forward creative and original ideas and hypotheses, all the time anchoring them in classical works of rabbinic literature." His works reflect his physicist training—concise, systematic, and detail-oriented.[4] His works continue to attract a wide readership, and are studied by both novices and the newly religious, as well as by scholars where the extensive footnotes provide a unique resource.
He died suddenly of a heart attack on January 28, 1983, at the age of 48.[9] He was buried on the Mount of Olives, in Jerusalem, Israel, off Aweiss street, in the part known as "Agudas Achim Anshei America" "Chelek Alef" (Portion 1).

Works

     Kaplan produced works on topics as varied as prayer, Jewish marriage and meditation; his writing was also remarkable in that it seamlessly incorporated ideas from across the spectrum of Rabbinic literature, including Kabbalah and Hasidut. His introductory and background material contain much scholarly and original research. In researching his books, Kaplan once remarked: "I use my physics background to analyze and systematize data, very much as a physicist would deal with physical reality."[7] This ability enabled him to undertake monumental projects, producing over 60 books.[4] His works have been translated into Czech, French, Hungarian, Modern Hebrew, Portuguese, Russian, and Spanish.

  •                      "The Living Torah", Rabbi Kaplan's best-known work, is a widely used, scholarly (and user friendly) translation into English of the Torah. It is noteworthy for its detailed index, thorough cross-references, extensive footnotes with maps and diagrams, and research on realia, flora, fauna, and geography (here, drawing on sources as varied as Josephus, Dio Cassius, Philostratus and Herodotus). The footnotes also indicate differences in interpretation amongst the commentators, classic and modern.[10] It was one of the first translations structured around the parshiyot, the traditional division of the Torah text. (Moznaim, 1981, ISBN 0-940118-35-1)
  •                      "Handbook of Jewish Thought," produced early in his career, is an encyclopedic and systematic treatment of Judaism's fundamental beliefs.[11] Because of the work's structure and detail, the references, with the index, can serve as a research resource across almost all of rabbinic literature. (Moznaim, Vol. 1, 1979, ISBN 0-940118-49-1; Vol. 2, 1992, ISBN 0-940118-79-3)
  •                      "Torah Anthology," a 45-volume translation of Me'am Lo'ez from Ladino (Judæo-Spanish) into English. Rabbi Kaplan was the primary translator.
  •                      "Tefillin: God, Man and Tefillin"; "Love Means Reaching Out"; "Maimonides' Principles"; "The Fundamentals of Jewish Faith"; "The Waters of Eden: The Mystery of the Mikvah"; "Jerusalem: Eye of the Universe" — a series of highly popular and influential booklets on aspects of Jewish philosophy which span the entire spectrum of Jewish thought, as well as various religious practices. Published by the Orthodox Union/NCSY[7] or as an anthology by Artscroll, 1991, ISBN 1-57819-468-7.
  •                      Five booklets of the Young Israel Intercollegiate Hashkafa Series — "Belief in God"; "Free Will and the Purpose of Creation"; "The Jew"; "Love and the Commandments"; and "The Structure of Jewish Law" launched his writing career. He was also a frequent contributor to The Jewish Observer. (These articles have been published as a collection: Artscroll, 1986, ISBN 0-89906-173-7)
  •                      "If You Were God," his final work, published posthumously in 1983. Moving beyond superficiality the slender book encourages the reader to ponder topics concerning the nature of being and divine providence.[12]

He wrote three well-known books on Jewish meditation. These works revive and reconstruct ancient Jewish practices and vocabulary relating to meditation. He also wrote and translated several works related to Hasidic Judaism in general and to the teachings of Rabbi Nachman of Breslov in particular.

 

 

Levend water; water van het Hof van Eden.

De reinheidswetten van de Joodse Familie,

Praktijk en Visie.

 

 

 

 

Het mikve is de ultieme viering van het leven en van de kracht, door G’d geschonken aan de vrouw, om leven te geven.

Lichamelijke onderdompeling in de spiritueel reinigende wateren van het mikve, is het ervaren van een wedergeboorte en terugkeer naar de wateren van Eden; en daarmee het introduceren van een dimensie van het paradijs in ons leven van alledag.

In zijn prachtige werk “Mikve, het mysterie van de wateren van Eden” (Nederlandse vertaling door Maartje van Tijn) , beschrijft Rabbijn Aryeh Kaplan, s.z.l., de betekenis van het mikve en de mystieke verbinding tussen het mikve en het Hof van Eden. Onderstaande is op dit werk gebaseerd.

De traditie van gebruik van het mikve is één van de voornaamste factoren die de Jood onderscheidt van de niet-Jood.
Omdat je zonder een mikve niet als Jood kunt leven, is het de eerste religieuze accommodatie die gebouwd moet worden in een nieuwe Joodse gemeente. De synagoge komt in dat opzicht op de tweede plaats; synagogendiensten kunnen bijvoorbeeld ook in een woning gehouden worden.

Het waarom van het mikve:

De geboden die in de Torah te vinden zijn, kunnen worden onderverdeeld in drie hoofdcategorieën:

1.            “Misjpatiem” of morele wetten (bijv. stelen, doden, bedriegen): voor elk mens die in staat is goed en juist te oordelen, zijn deze wetten en geboden vanzelfsprekend (rationee geboden = ‘Mitzva Sichlit’).

2.            “Edot” of getuigenissen: de geboden voor de verschillende rituelen (bijv. Tefillin, Mezoeza) en feesten (bijv. Pesach etc.); deze gebruiken getuigen van de belangrijkste begrippen en van de geschiedenis van het Jodendom (‘Mitzvot’ van de Joodse traditie = ‘Mitzvot Sheminot’).

3.            “Choekiem” ofwel verordeningen; hier gaat het om verordeningen van G’d, waarvoor geen duidelijk reden is gegeven, verordeningen die wij bereid zijn te aanvaarden als een daad van geloof

(“na’asè we’nisjma”: “wij zullen doen en horen” eerst doen en dan begrijpen!). Eén van de belangrijkste geboden in de categorie van “Choekiem” is de verordening van het mikve.

Toch mogen we, zo schrijft Rav Aryeh Kaplan, een begin maken met de betekenis ervan uit te leggen, zolang we ons er maar bewust van zijn dat er een grens gesteld is aan ons begrip (‘metafysiisch’).

We zien in de Torah dat het gebruik van het mikve een diepere betekenis heeft dan enkel de geestelijke en lichamelijke reiniging: dat zien we ten eerste bij de wijding van de Hogepriester Ahron en zijn zonen tot Kohaniem (kort na de uittocht), die begon met de onderdompeling in een mikve. Dit heeft duidelijk te maken met een verandering van status. Ten tweede zien we dit bij de dienst van Yom Kippur in de Heilige Tempel (hoewel al ruim negentienhonderd jaar niet meer uitgevoerd, wordt dit verhaal altijd gelezen tijdens de Moesaf-dienst van Yom Kippur): de Hogepriester ging op deze dag twee keer het Heilige der Heilige binnen; en voordat hij dat deed, moest hij eerst van gewaad verwisselen en zichzelf onderdompelen in een mikve.

Het Allerheiligste, nu als ‘Dome of Rock’ (met de gouden koepel) bekend of ‘Omar Moskee’.
Het staat op de plaats van de Tempel en de rots in de foto was de plaats van het Allerheiligste wat heel dicht bij de ‘Kotel’ ligt, waar de Hogepriester in de Tweede Tempel 2x per jaar binnen mocht komen.

Volgens de Joodse traditie is deze rots bekend als ‘Even Shtiya’ (‘Steen van de Sitchting’), bekend om waar de Schepping van de wereld begonnen is. Volgens onze traditie heeft Avraham bij de ‘Akedah’ (gevraagde offering van Yitzchak) op deze ‘Even Shtiya’, de ‘Mitzva’ volbracht van de absolute liefde voor ‘Hashem’ (met heel je ziel). Ook Ya’akov heeft volgens onze traditie hier overnacht op zijn weg naar Charan en kreeg hier de beroemde droom van de ladder met engelen die naar boven en beneden gingen.
Tenslotte heeft Koning David de Tempelberg van Aravna, de Jevusieter(SamII 24) gekocht en op deze ‘Even Shtiya’ een offer gebracht, zodat de pest met veel slachtoffers  in Jeruzalem gestopt is.

Joodse mensen mogen de Tempelberg niet betreden, omdat we volgens de Halacha tah’ (cultisch religieus onrein) zijn en allleen in de Messiaanse Tijd zullen we gereinigd worden door het oude processie die in de Torah uitdrukkelijk staat: van het reinigde levende water vermengt met as van de verbrande rode koe.

De onderdompeling bij rituele reiniging steunt op hetzelfde begrip: het wijzigt de spirituele status van het individu, van tah’ (onreine status) tot die van tahor (reine status).

Deze verandering van status zien we ook bij het ‘Giyur-proces: de Talmud zegt: “Zo gauw als de bekeerling zich onderdompelt en weer boven komt, is hij in alle opzichten gelijk aan een Jood” en “een bekeerling die het Jodendom omhelst, is gelijk aan een pasgeboren kind” (Tal,Bav,Yevamot). Vanuit dit standpunt bekeken, vertegenwoordigt het mikve de baarmoeder en ook de baarmoeder van de schepping.

 

Al ondergedompeld in het water, ben je tijdelijk in een omgeving waarin je niet kunt leven, waar je moet ophouden met ademhalen. Kom je daarna weer boven, dan ben je wederopgestaan met een nieuwe status.

Het mikve stelt dus zowel de baarmoeder als het graf voor. Interessant is het op te merken dat het Hebreeuwse woord “kèwer” dat doorgaans graf betekent, soms ook gebruikt wordt als uitdrukking voor de baarmoeder. Beide zijn plaatsen waar men niet kan ademen en zijn knooppunten in de cyclus van geboorte en dood. Als iemand één van deze knooppunten passeert, dan verkrijgt hij een totaal nieuwe status.

Nidda:

Vele vragen zich af waarom we algemeen in het Hebreeuws de term ‘Taharat Hamishpacha’ (de wetten van de reinheid van de familie) gebruiken, wanneer we over de wetten van Nidda spreken gebruiken? Zal het niet meer juist en correct zijn om de term ‘Taharat Ha’isha’ (de reindheid van de vrouw) te gebruiken?
Hier ligt een belangrijke les voor ons. We gebruiken de term ‘ Taharat Hamishpacha’ om aan te tonen dat deze wetten niet alleen de Joodse vrouw betreffen, maar gevolgen hebben voor de inegriteit, harmonie en geluk voor de hele familie.

Het woord “Nidda” komt van “Nadad”, dat “afgescheiden” betekent.

Volgens de Torah heeft een vrouw de status van “Nidda” vanaf het ogenblik dat ze ongesteld is geworden totdat ze zich onderdompelt in een mikve.(zie ook Leviticus 15:19; 18:19; 20:18 en Ezechiël 8:5,6). Het woord zelf wijst er al op dat zij zich moet onthouden van elk lichamelijk contact met haar echtgenoot. De Torah zegt van een Nidda: “Maar als zij van haar menstruatie (vloed) rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn”. Een andere toespeling op de statusverandering van een Nidda door water vinden we in Numeri 31:23, waar gesproken wordt over het onderdompelen van vaten en keukenspullen: “Het zal pas door het water voor een Nidda gezuiverd worden”. Volgens de Talmud geeft dit te kennen dat vaten moeten worden ondergedompeld in een mikve, precies zoals een Nidda dat moet.

Het gebruik van het mikve is één van de belangrijkste aspecten van het Joodse huwelijksleven. In zekere zin is het zelfs belangrijker voor de huwelijksband dan de huwelijksceremonie zelf en we mogen het beschouwen als een maandelijkse vernieuwing van het huwelijk van het echtpaar. De voornaamste eis is, dat een vrouw zeven “reine”dagen telt bovenop de ritueel voorgeschreven dagen en dan haar Nidda-status verwijdert door onderdompeling in een mikve.

Een meisje dat begint te menstrueren heeft de status van een Nidda en behoudt deze status totdat ze zich voor haar trouwen onderdompelt in het mikve.

Links: Geen fysieke contact tijdens de hele ‘Nidda’-periode.
Rechts: Een vrouw einde van de ‘Nidda’-periode (12 dagen) gaat zich reinigen door het onderdompemen in het ‘levende water’ van een mikve.

Historische eerste Giyur (Joods uitkomen bij de Sinaïtische Bond tussen G-d en Israel):

De verbondssluiting op berg Sinaï tussen het volk Israel en G-d bestond in wezen uit drie aspecten: besnijdenis (net voor de uittocht uit Egypte), een offer (net voor de Tora werd gegeven) en onderdompeling in het mikve (Exodus 19:10,11 “zijn kleren wassen”betekent: zowel zijn kleren als zijn lichaam reinigen in het mikve). Het mikve heeft dus zijn wortels bij de Openbaring op Sinaï.

Pannen en borden:

Metalen of glazen/porselein eetgerei, gemaakt door of in bezit geweest van een niet-Jood, moet in een mikve ondergedompeld worden (als het eerder voor niet-kosher voedsel werd gebruikt, moet het eerst “gekasherd” worden , dit is: verhit worden in het vuur, en daarna ondergedompeld).

Deze wet komt in de eerste plaats uit de Mondelinge Thora, maar er wordt ook al op gezinspeeld in de Schriftelijke Thora (Numeri 31:22,23).

Onze wijzen vergelijken de tafel met een altaar, daarom moet alle eetgerei op de Joodse tafel geheiligd zijn, net zoals vroeger de vaten die gebruikt werden in de Tempel. Dit maakt deel uit van de Joodse levensheiliging. Op die manier worden alle lichamelijke handelingen van de mens opgeheven naar een hoger geestelijk niveau. Men kan ook de onderdompeling in een ‘kelim mikve’ (speciale mikve voor eetgerei) als een soort inwijding van dit keukengerei en toevoegen van ‘kedusha’ (heiligheid) aan dit alledaagse profane keukengerei


 

Links: een ‘kelim mikve’ (mikve voor eetgerei).
Rechts: een Joodse man dompelt de nieuwe keukenspullen onder in een ‘kelim mikve’.

Gebruiken:

Onderdompeling in het mikve voor ‘Nidda’, bekering van niet-Joden tot het Jodendom en eetgerei, wordt vereist door de wetten van de Torah. Maar er zijn nog een aantal andere gevallen, waar onderdompeling in de mikve gebruikelijk is. In die gevallen wordt er geen zegenspreuk over de onderdompeling gezegd. Voorbeelden zijn:

  • een berouwvolle afvallige die tot het Jodendom terugkeert
  • voorafgaand aan de Grote Verzoendag (ingebracht in de wetsgeschriften) en voor Rosj Hasjana bij mannen en sommige vrouwen gebruiken ook de mikve voor de Hoge Feestdagen
  • als voorbereiding voor de Sjabbat op vrijdagmiddag (met name Chassidische Joden), omdat de Sjabbat op een ander geestelijk niveau staat dan de andere dagen van de week
     

Het is gebruikelijk dat men zich drie maal onderdompelt als men naar het mikve gaat (het woord mikve komt drie maal voor in de Torah).


Chassidim gebruiken dagelijks (inclusief Shabbat en Feestdagen )het mikve voor het ochtendgebed.  Ook een betrouwbare Sofer (Torah-schrijver) gebruikt dagelijks het mikve.

De rivier uit Eden:

Uit het scheppingsverhaal (Genesis 1 en 2) begrijpen we dat het kwaad oorspronkelijk geen integraal deel was van de mens. Kwaad was een kracht van buitenaf, die de mens gemakkelijk kon vermijden. Hij kon met dit kwaad in discussie treden dan wel het negeren. De mens had één gebod (Kashrut-gebod) gekregen: hij mocht niet eten van de Boom der Kennis van het Goed en het Kwaad. In deze boom waren goed en kwaad met elkaar vermengd, zodanig dat ze niet gescheiden konden worden. Toen de mens van deze boom had gegeten, werd het kwaad bestanddeel van zijn wezen; nu had hij een “jetser ha’ra”, een kwade neiging.

De enige manier om tot het goede te komen, de enige remedie, door G’d gegeven, is de Torah. Onze wijzen leren ons dat G’d zei: “Ik heb de Kwade Neiging geschapen, maar ik schiep de Torah om hem van de Kwade Neiging te genezen”. Toen G’d Israël koos, zei Hij hen één Heiligdom te bouwen, waar dit kwaad geen toegang zou hebben. Dit zou als een miniatuur Hof van Eden moeten zijn, helemaal gewijd aan de dienst van G’d. Dit verklaart het begrip Toema of rituele onreinheid. Onreinheid heeft meer verband met de ziel dan met het lichaam (Leviticus 11:44) en is in verband te brengen met de dood.

Het is heel opmerkelijk dat in Genesis 2:8-17 de Thora, midden in het scheppingsverhaal, plotseling spreekt van de rivier die uit Eden voortging. Verder wordt deze rivier in het hele verhaal niet één keer meer genoemd.

 

Wanneer de mens zich zuivert van zijn toestand van onreinheid door onderdompeling in het mikve, herstelt hij zijn verbinding met het Hof van Eden.

Dit verklaart ook waarom het mikve in verbinding moet staan met natuurlijk water; het water moet niet in aanraking geweest zijn met de mens in zijn toestand van geestelijke ballingschap (‘onreinheid’).

Onze wijzen leren ons dat het woord mikve dezelfde letters bevat als het woord “Ko(w)ma”, dat “rechtopstaan” of “oprijzen” betekent.

Zelfs al is de mens uit het Hof van Eden verdreven, er is hem toch nog een schakel, een verbinding met het Hof gebleven. Het begrip “mikve” houdt hiermee ten nauwste verband.

In de Komende Wereld’ (‘Olam Haba’), als de hele mensheid deel zal hebben aan G’ds goedheid, dan zal G’d de onreine geest van de aarde hebben weggehaald (Zechariah 13:2) en zal de aarde vol zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken (Jes. 11:9).

 

De heiligheid van sexualiteit:

De duidelijkste uiting van de lichamelijke onvolmaaktheid van de mens is zijn sterfelijkheid.

Een andere manifestatie ervan is de baring, het geboorteproces.

Ook de houding van de mens t.o.v. sexualiteit is er een uiting van; vaak is het voor mensen een bron van dwangmatigheden en frustraties. Volgens de Joodse leer is sex een zeer heilige menselijke functie, mits ze wordt gehouden binnen de richtlijnen van de Torah. Het Hebreeuwse woord voor huwelijk is “Kidoesjien”, wat “heiliging” betekent. Eén van de redenen dat sexualiteit zo heilig is, is dat zij het vermogen heeft om een ziel naar de aarde te brengen en een levend menselijk wezen voort te brengen. Ook de besnijdenis (het merkteken van G’ds Verbond) is hier een teken van.

Omdat Nidda een teken is van de onvolmaaktheid van het menselijke voortplantingsproces, mag een vrouw hieraan niet deelnemen in de toestand van Nidda.

In de periode dat man en vrouw geen enkel lichamelijk contact kunnen hebben, is er de kans om op geestelijk niveau meer naar elkaar toe te groeien. Hierdoor is er ook elke maand opnieuw de gelegenheid om de relatie als het ware te vernieuwen en elkaar opnieuw te ontdekken. Misschien is dat het geheim waardoor het huwelijk bij Joodse religieuze mensen ook langer standhoudt en de relatie niet eentonig wordt.

 


Links: het controversiële boek van Rabbi Shmuley Boteach (Chabad-Lubavitch) dat een best-seller was, maar door veel religieuze mensen geboycot wordt.
Rechts: appel en de slang, symbool voor begeerte en libido.

Wat is een mikve’?:

Het Hebreeuwse woord mikve betekent een “verzameling van wateren”.  “Slechts een bron en een put, een verzameling van levende wateren ‘mikve’, zal rein zijn….” lezen we in de Torah (Leviticus 11:36). Alle regels en wetten omtrent het mikve, vinden we in de Mondelinge Torah.

Er worden zes voorwaarden genoemd:

1.     het mikve moet bestaan uit levend water

2.     het moet direct in de grond gebouwd zijn (dus geen vat of kuip)

3.     het water mag niet stromen of vloeien, met uitzondering van een            natuurlijke bron of een rivier of een zee waarvan het water vnl bestaat uit bronnen

4.     het water mag niet door directe menselijke inspanning naar het mikve gebracht zijn

5.     het water mag niet naar het mikve stromen door iets dat onrein zou kunnen worden (buizen van metaal, klei of hout)

6.     het mikve moet minimaal veertig Sa’a water bevatten (ca. 908 liter). De meeste van onze mikves bevatten regenwater die van het dak van het mikve-gebouw direct door een pvc-buis in het reservaat van levend water terechtkomt.

 

Mysterie van het Mikve: Water

Leven is een combinatie van bestendigheid en van verandering, van vaste stof en vloeistof, van aarde en water.

Water vertegenwoordigt verandering en onbestendigheid.In Genesis 1:2 lezen we: “G’ds Geest veroorzaakt beweging (“meracheffet”) op het aangezicht van het water”. Beweging veroorzaken, betekent ook: zich bekommeren om iets.

G’d Zelf verandert niet, zoals Hij ook zegt tegen Zijn profeet Malachi (3:6): ‘Ik, de Eeuwige, ben niet veranderd’.
Eén van de eerste bestanddelen van het scheppingswerk was de idee van verandering. G’ds Geest geeft richting aan alle verandering en brengt de wereld naar haar uiteindelijke doel, dat is de volmaaktheid. En dat is het Messiaanse tijdperk.

De Midrasj leert ons dat de mens een combinatie is van stof en water, van bestendigheid en verandering. Zolang de mens leeft, is water een zeer essentieel deel van zijn wezen (70%). Als de mens sterft, keert hij weder tot stof (Genesis 3:19); aarde en stof slaan op bestendigheid. Is de mens dood dan kan hij niet langer meer groeien en veranderen.

In de wateren van Eden komt een aantal ideeën samen:

  • de wateren vertegenwoordigen de “baarmoeder” van de mensheid (G’d schiep de mens uit het stof der aarde, met dit water)
  • deze wateren waren de bron van de rivieren die uitgingen van Eden, waarmee de mens zich kan verbinden om naar G’ds bedoelingen toe te groeien. Hij dompelt zich onder in de basis-idee van de verandering bij uitstek. En dit betekent dan ook dat er geen kwaad onuitwisbaar is en geen zonde onvergeeflijk. Berouw kan elke zonde wegwassen. Zoals de Talmoed zegt: “Niets kan staande blijven voor berouw”.

 

“Meracheffet” in samenhang met de oorspronkelijke water voor de Schepping (Genesis 1:2) staat in de tegenwoordige tijd, d.w.z. dit is een bestendig proces dat onafgebroken doorgaat. Het voornaamste voertuig voor dit alles is de Torah.

Het mikve moet minstens veertig (40) Sa’a water bevatten. Het getal veertig (40) komt heel vaak voor in de Torah. De Zondvloed duurde veertig dagen en veertig nachten; Moshe verbleef veertig dagen en veertig nachten op de Berg Sinaï; de Israëlieten zwierven veertig jaar door de woestijn; na de geboorte van een zoon zijn de dagen van Nidda veertig. ‘Bij de geboorte van een meisje is het dubbel zo lang omdat volgens gyneacologen er een groter bloedverlies is na de geboorte van een meisje’. (Rabbijn Ahron Daum)

Het menselijke embryo heeft rond de veertigste dag na de ontvangenis een herkenbare menselijke vorm aangenomen. Vanuit de Joodse wet gezien, heeft het embryo daarvoor geen status als menselijk wezen.Het getal veertig vertegenwoordigt dus het geboorteproces.

Het scheppingsproces bestaat uit vier stadia; zie Jes.43:7: “En alles dat naar Mijn Naam genoemd is en dat Ik tot Mijn glorie (1) geschapen heb (2), dat Ik geformeerd heb (3), dat Ik ook gemaakt heb (4). Deze letters vormen het Tetragrammaton ( de onuitspreekbare naam van G-d): Joed, Hee, Waw, Hee.
Onze wijzen vertellen ons dat de wereld geschapen is met tien “uitspraken/woorden” (de tien keren dat de uitdrukking “en G’d zei” voorkomt in het scheppingsverhaal). Deze tien uitspraken maken deel uit van alle vier stadia (water, vuur, aarde en wind) van het scheppingswerk. En zo bedraagt het totale aantal van de scheppingselementen veertig, (10 x 4).

Het getal veertig is nauw verbonden met de scheppingsidee. De veertig Sa’a van het mikve vertegenwoordigen de fundamentele scheppingselementen. Het oerstadium van de schepping was fundamenteel een stadium van water. Als nu de mens door de veertig Sa’a van water in het mikve heengaat, dan gaat hij door de aanvangsfasen van de schepping.

De getalswaarde van de letter Mem is eveneens veertig. De letter Mem is ook precies de middelste letter van het Hebreeuwse alfabet. Het woord Emmet (waarheid) wordt gespeld met de alef (de eerste letter), de mem (de middelste letter) en de taw (de laatste letter van het alfabet). De eerste twee letters van het woord Emmet, vormen samen Em = moeder, het begin van de mens. De laatste twee letters van het woord Emmet vormen samen Meet = dood, het einde van de mens.
De letter Mem vertegenwoordigt dus de idee van overgang en verandering. De alef is het verleden, de Taw de toekomst en de Mem is de overgang daartussen: het heden.

Maar aangezien de letter Mem haar naam heeft gekregen van het woord Majiem (water) staat ze ook symbool voor het wezen van alle verandering. De overgang van het verleden naar de toekomst, vertegenwoordigt ook een aspect van de geboorte-idee.
De baarmoeder waarin de toekomst wordt geboren, dat is het heden, dat is de letter Mem.


‘De mens noemde zijn vrouw, Chava; zij is de moeder van alle levenden geworden’ (Genesis 3:20).

Gaat iemand het mikve in om te onderdompelen, dan gaat hij het heden binnen (verleden en toekomst houden op voor hem te bestaan). Wat hij in het verleden was, telt niet meer. Als hij bovenkomt uit het mikve gaat hij de stroom van de tijd binnen, als een nieuw mens in zijn volle potentie.

Rabbi Akiva zei: “….Er staat geschreven: Hashem is het Mikve van Israël (Jer. 17:13). Precies zoals het mikvah de onreine reinigt, zo reinigt G’d Israël”.De Naam Hashem geeft ons te kennen dat G’d “was, is en zal zijn”. Vegelijk het religieuze lied in het ochtendgebed, ‘Adon Olam’, geschreven door Solomon ibn Gabirol (1021-1058), ‘Vehoe haja, vehoe hove, vehoe jijje’ ( ‘Hij was, Hij is en Hij zal zijn’).

                          
Standbeemd van Rabbi Solomon ibn Gabirol in Malaga, Zuid-Spanje, waar hij leefde en stierf. Hij geldt als de grootste religieuze dichter van het Jodendom. Hij stierf toen hij 37 jaar oud was.

G’d kan eenvoudigweg de tijdsversperring tussen de daad en het berouw over het hoofd zien en de twee samen te stellen. Dit is het concept van G’ds goedertierenheid. Deze beide begrippen - G’ds goedertierenheid en Zijn bestaan buiten de tijd – liggen vervat in Zijn Naam Hashem. Juist zoals het mikve het heden vertegenwoordigt, zo vertegenwoordigt de Naam Hashem de idee waarbij het heden zelfs het verleden en de toekomst inhoudt.


Daarom is Ha’Sjeem het uiteindelijke Mikve,  aldus de verklaring van Rabbi Akiva in de Mishnah.

“Hashem is de hoop (het Mikve) van Israël. Allen, die U verlaten zullen beschaamd worden (opgedroogd worden)…..want zij verlaten Hashem, de Springader van de levende wateren” (Jer. 17:13).

Het Hebreeuws gebruikt dus hetzelfde woord voor hoop als voor mikve.
Ook onze hoop kan de barrière van de tijd doorbreken als we ons met Hem verbinden. De hoop is datgene wat ons buiten de beperkingen van het begrip tijd plaatst. En niet anders is dit met de idee van het mikve. Gaat een mens het mikve binnen, dan gaat hij in een toestand waar verleden, heden en toekomst te samen “verzameld” zijn, waar onze hoop wordt gewekt en versterkt; dit is een toestand van alleruiterste vrijheid.

 

 

 

 

 

Opperrabbijn Simon Dasberg (1902-1945)

 

In 1928 genomen verlovingsfoto van de laatste opperrabbijn van Groningen (1932–1943). Simon Dasberg en Isa Franck (Foto: J. van Gelder, Terug van weggeweest, p. 180)

 

Opperrabbijn Simon Dasberg werd geboren op 13 november 1902 in Dordrecht en overleed op 24 februari 1945 in Bergen-Belsen (Duitsland).

Op 27 december 1928 trouwde Simon Dasberg met Isa Franck, uit Altona in Duitsland. Uit dit huwelijk werden twee zonen en twee dochters geboren.

Dasberg werd geboren in een Orthodox-joods rabbijnengezin. Door zijn aanleg en karakter was hij voorbestemd om in de voetsporen van zijn vader, Samuel, te treden. Na de openbare lagere school in Dordrecht zou hij dan ook naar het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium, het opleidingsinstituut voor Joodse geestelijken, in Amsterdam zijn gegaan. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verhinderde dit echter. Hij bezocht daarom het Dordtse gymnasium en werd door zijn vader, Rabbijn Samuel, in de Hebreeuwse en rabbijnse wetenschap opgeleid.

Hoewel het gezin Dasberg vasthield aan de Orthodox-Joodse traditie, stond het niet afwijzend tegenover het zionisme. Simon Dasberg had een leidinggevende rol in de plaatselijke zionistische jeugdorganisatie en bleef de Mizrachie, de organisatie die de zionistische idealen wilde verwezenlijken met inachtneming van de joodse religieuze traditie, zijn leven lang trouw. De waarborg voor het geluk van het Joodse volk lag in het nationaal herstel en de omvang van de Joodse vestiging in Eretz Israel, zo schreef hij later.

Simon werd in 1920, dankzij zijn studie onder leiding van zijn vader en zijn eigen begaafdheid, direct toegelaten tot de hogere afdeling van het Nederlandsch-Israëlietisch Seminarium te Amsterdam.

 

Hij kreeg er les van een van de meest vooraanstaande leerlingen en opvolgers van de legendarische rector J.H. Dünner: L. Wagenaar. Als bij deze opleiding verplicht universitair studievak aan de Universiteit van Amsterdam koos Simon Dasberg, in plaats van de voor joodse prominenten gebruikelijke klassieke letteren, Semitische talen.

Hoewel de kerkorde dit toestond, stuitte deze keuze op verzet, omdat de hoogleraar H.J. Elhorst een bijbelkritisch standpunt innam. Simon legde het kandidaatsexamen Semitische talen aan de Universiteit van Amsterdam af op 5 juni 1924. Tijdens zijn studie gaf Simon al les aan een school voor godsdienstonderwijs in Amsterdam-Zuid. Hij bleef dit doen nadat hij in december 1927 zijn studie afgesloten had met het behalen van de ‘Moré’-titel.

Een legaat maakte het hem in 1928 mogelijk een studiereis door Duitsland te maken. Hij hospiteerde aan de universiteiten van Bonn en Würzburg en bezocht Berlijn, Frankfurt en Hamburg. Deze reis verbreedde zijn visie, ook die op het Jodendom.

Op 26 september 1928 werd Simon benoemd tot Opperrabbijn van de provinciet Friesland. De hem eveneens aangeboden functie van Rabbijn van Amsterdam nam hij uit drang naar zelfstandigheid en liefde voor het provinciale Jodendom niet aan.

 

In zijn op 6 januari 1929 te Leeuwarden uitgesproken installatierede Mozes en Aron bij den Choreb (Amsterdam, 5689 [=1929]) zette hij zijn ideeën uiteen. Hij nam zich voor een voorman in zijn ressort te zijn en wilde het godsdienstig bewustzijn wekken. Handhaving van de Joodse wet en traditie waren hierbij onmisbaar. Inziend dat de omstandigheden en ontwikkelingen in zijn tijd velen deden vervreemden van het traditionele Jodendom, wilde hij deze afgedwaalden met liefde en begrip benaderen en terugvoeren naar de geestelijke bron. Ook vroeg hij om invloed op de opvoeding van de Joodse jeugd. Ten slotte riep hij op de beweging voor volksherstel in Eretz Israel te steunen.

 

Drie jaar later verruilde Dasberg Friesland voor het grotere ressort Groningen. Op 20 maart 1932 werd hij te Groningen geïnstalleerd. In de hierbij uitgesproken rede De eenheidsgedachte. De centrale gedachte van het Jodendom (Groningen, [1932]) herhaalde hij zijn eerder genoemde ideeën, die hij zowel in Friesland als in Groningen poogde te realiseren. Zo gaf hij les aan de hoogste klassen van de Joodse scholen, organiseerde cursussen over het Jodendom en stichtte in Groningen een jeugdsynagoge. Geloofsgenoten die problemen hadden met de handhaving van de joodse traditie in de moderne tijd konden rekenen op zijn steun en hij onderwees aanstaande echtparen in de Joodse huwelijkswetten. Ook de kleinste gemeenten in zijn ressort hadden zijn aandacht. In dit geestelijk leiderschap ligt zijn voornaamste betekenis. Daarnaast poogde Simon kennis over het Jodendom in niet-joodse kring te verspreiden. Ten slotte had de Mizrachie zijn aandacht en medewerking: hij leidde jeugdkampen en sprak op propagandabijeenkomsten.

In 1938/1939 maakte hij een studiereis door Eretz Israel, en in de bezettingsjaren door de nazies, gaf Simon meermaals te kennen zich na de oorlog daar te willen vestigen.

Spoedig na de Duitse inval in mei 1940 zag hij, juist voor het traditionele Jodendom, een ernstige bedreiging in het groeiend aantal anti-Joodse maatregelen.

Religieuze plichtsvervulling was daarom in zijn overtuiging een zo mogelijk dwingender noodzaak dan vroeger, als een garantie voor het voortbestaan van het Joodse volk. Zolang hij nog als Joods leider kon functioneren was zijn toekomstvisie optimistisch. Het joodse volk zou, zoals in het verleden, ook deze donkere tijden te boven komen en het zou dan een toekomst vinden in het oude stamland. Dasberg onderhandelde met de bezetters, was lid van de Joodsche Raad, organiseerde cursussen voor ontslagen Joodse werknemers en bemoedigde de inwoners van zijn ressort. Op 6 december 1942 werd hij, na de deportatie van L.H. Sarlouis, tot plaatsvervangend Opperrabbijn van Amsterdam benoemd.

 


Na een verblijf van drie dagen in Westerbork vestigde hij zich op 29 mei 1943 in Amsterdam, waar hij zich nauwelijks meer heeft kunnen ontplooien. Op 29 september 1943 werd het gezin Dasberg naar Westerbork gedeporteerd.

Het kwam, door het bezit van buitenlandse paspoorten, in aanmerking voor de Palestina-Austausch. Daartoe werden Dasberg en zijn gezin op 11 januari 1944 naar Bergen-Belsen gedeporteerd, waar bleek dat rabbijnen niet werden uitgewisseld. Dasberg kon in het kamp geen leidersrol meer vervullen en verloor zijn hoop en optimisme. Hij overleed er, twee dagen na zijn vrouw, aan uitputting en een hartaanval.

De Laatste Opperrabbijn van Nederland voor de Shoah was Rabbi

Simon Dasberg. Hij is geboren in Dordrecht en diende als Rabbijn in

meerdere gemeenten.

 

Zijn ambtsperiode als Opperrabbijn van Groningen viel samen met de

naziebezetting in Nederland. Onverschrokken bleef Opperrabbijn

Simon geëngageerd in het onderwijzen van kinderen op het

platteland in Nederland. In zijn laatste levensfase was hij Opperrabbijn

in Amsterdam. Zoals vele Nederlandse Joden werd Opperrabbijn

Simon Dasberg naar het vernietigingskamp Bergen-Belsen in Duitsland

gedeporteerd. Volgens betrouwbare bronnen had hij een kleine

Torahrol met zich meegenomen, die hij voor zijn sterven overgaf aan

zijn beste vrienden om het naar Eretz Yisrael te brengen. De eerste

Israëlische astronaut, Ilan Ramon, die omkwam bij een crash met een

shuttle, had deze kleine Torahrol bij zich tijdens de crash. Spijtig hebben de eigenaar, Opperrabbijn Simon Dasberg, en de Torahrol met Ilan Ramon hetzelfde lot ondergaan.

 


Links: Ilan Ramon (1954-2003), de eerste Israelische astronaut. Een zoon van Shoah-overlevende ouders.
Rechts: gedenkplaats van deportatiekamp Westerbork            

 

 

Vegelijk mijn essays op mijn website www.bestjewishstudies.com onder de link ‘Essays en Artikelen’: ‘Families Dasberg en De Vries,

Kroniek van een Nederlandse Rabbijnenfamilie in de 20e eeuw’ en vergelijk ook mijn essay Sociaal, religieus en cultureel overzicht van de ontwikkeling van het Jodendom (vanaf pagina 79 90).

 

 

 

 

 

 

Samenvatting van ‘Het Joodse Huwelijksleven: de zin en betekenis’ (Zechoet Nasjiem) van Opperrabbijn Simon Dasberg (1902-1945), s.z.l., 4e en herziene druk, uitgegeven door het Opperrabbinaat voor Nederland 1959

Voorbericht bij de eerste druk
(onveranderd overgenomen)

Het huwelijksprobleem is heden ten dage allerwege aan de orde en staat in het middelpunt der openlijke bespreking en belangstelling. Dat deze bespreking en belangstelling steeds kies en ingetogen zijn, zal wel niemand beweren.

Wij achten het daarom onze plicht, over deze vraagstukken onze Joodse opvattingen duidelijk te zeggen. Meer dan ooit is het nodig, hierin aan onze Joodse mannen en vrouwen leiding en voorlichting te geven in Joodse zin.

Dat is de bedoeling van dit boek. Moge het een goede raadgever zijn en vele onzer mensen de veilige weg wijzen, de levensweg van het reine, Joodse huwelijk.

Allerlei is in dit boek besproken, veel staat nog open. Daarom vragen wij U, lezer, met Uw moeilijkheden in Uw intieme leven tot ons, Uw Joodse voormannen, te komen. Wij vragen dit vertrouwen óók van U, die verloofd zijt. De vragen van het leven van man-en-vrouw-samen houden U immers meer dan voorheen bezig. Verkeerde zwijgzaamheid kan onherstelbare schade aanrichten. Maar door openhartige vertrouwelijkheid kan veel, dat U moeilijk of haast onoverkomelijk schijnt, overwonnen worden.

 

                                          Weest sterk. Wij willen elkander sterk maken.

 

Namens de Vergadering van Opperrabbijnen in Nederland,

S. Dasberg, Opperrabbijn te Groningen.

Eloel 5699, augustus 1939
 

Hoofdstuk 1 “Opdat de mens leve”

VaJikra/Leviticus 18:5 “Neemt Mijn wetten en voorschriften in acht, die de mens moet doen, opdat hij daardoor leve ...” is in de Tora de inleiding voor de Mitswot voor het Joodse huwelijksleven. De Tora is de Levenswet en huwelijk en voortplanting zijn onderwerpen die ten nauwste samenhangen met het leven, het doel en de voorzetting van het leven. De Joodse Leer zou geen Levenswet zijn, als zij niet juist ook het sexuele en alles wat daarmee samenhangt, zou regelen, disciplineren en opheffen naar een heilig niveau, boven het dierlijke uit. Het Jodendom geeft op deze vragen dan ook een zuiver en positief antwoord.

In essentie verbiedt de Tora iedere intieme omgang van een met elkaar gehuwde man en vrouw vanaf de tijd, dat de menstruatieperiode nadert, tot het ophouden van de verschijnselen (minimaal voor de duur van 5 dagen) en daarna nog gedurende 7 opeenvolgende dagen (de reine dagen genoemd), tijdens welke verschillende onderzoeken en reinigingen door de vrouw worden gedaan, met als afsluiting een laatste reiniging en onderdompeling in een ‘Mikve’.

‘Nidda’ is het Hebreeuwse woord voor een vrouw gedurende haar menstuatieperiode en de tijd daarop volgend, zolang zij nog niet de vereiste reiniging heeft verricht en zich op de voorgeschreven wijze in het ‘Mikve’ heeft ondergeompeld.

‘Tevila’ is het Hebreeuwse woord voor de rituele onderdompeling in een ‘Mikve’ door een ‘Nidda’ of ‘Ger’/’Giyoret’ (proseliet/proselietin).

‘Mikve’ is het Hebreeuwse woord voor een bepaalde hoeveelheid water, verzameld in een soort bassin volgens de Torabepalingen.

Voortplanting en sexuele verhoudingen zijn natuurlijke zaken en het is de Joodse gewoonte deze onderwerpen open en eerlijk, zonder valse schaamte te bespreken. Degene die aarzelt hierover met goede bedoelingen te spreken, handelt onnauurlijk en geeft geen uiting aan echte zedigheid. De geslachtsdrift is in ons geplant met een hoog en edel doel, dat de Joden heiligen. Een bekend voorbeeld van de openlijke behandeling is de voorlezing op iedere Jom Kipoer, Grote Verzoendag, van het VaJikra/Leviticus 22, over Heiligheid: regeling van de geslachtsverhoudingen en verboden op onnatuurlijke en misdadige verbintenissen.

Het Jodendom beschouwt de verhouding tussen de man en vrouw als G-ddelijk, mede omdat zij, verenigd, het plan van G-d, de Schepper van het Al, uitvoeren.

Hoofdstuk 2: Gij zult u beheersen

De Joodse huwelijksregels geven de gulden regel voor de zelfbeheersing van de geslachtsdrift. Door het feit dat de mens zich kan beheersen, onderscheidt hij zich van het dier, dat slaafs zijn drift volgt.

Indiend de geslachtsdrift in goede banen wordt geleid, is zij de eerste en mooiste zegen van de mensheid. Als de geslachtsdrift echter niet wordt beheerst, kan zij het grootste leed veroorzaken en ondermijnt zij het welzijn van de mens. Beheersing brengt blijvend geluk.

Volgens de Joodse huwelijksregels is elke intieme verhouding tussen man en vrouw verboden gedurende de maandelijkse periode van de vrouw en ruim een week erna. Hereniging vindt pas plaats na reiniging en rituele onderdompeling door de vrouw. De periode van scheiding duurt minimaal twaalf dagen en biedt de gelegenheid om de eigen persoonlijkheid en individualiteit te herwinnen. De vrouw krijgt geleidelijk haar geestelijke en lichamelijke krachten terug, de man krijgt nieuwe levenslust en -kracht. Wanneer hereniging geoorloofd is, ontstaat een soort nieuwe bruidstijd tussen man en vrouw. De tijdelijke scheiding kan gezien worden als een soort 'huwelijksvakantie' en is een van de oorzaken voor het relatief geringe aantal echtscheidingen onder de echtparen die de Joodse regels naleven.

Rav Simon Dasberg s.z.l. benadrukt wel dat de regels zorgvuldig en nauwgezet moeten worden nageleefd. “Pas dan zal men de schoonheid van het Joodse huwelijksleven ten volle leren kennen.” Als men bijvoorbeeld denkt dat het nemen van een bad in de plaats kan komen van een rituele onderdompeling in een ‘Mikve’, dan vergist men zich deerlijk. Een bad is in dit geval een slechte imitatie en heeft geen enkele waarde. “Het leven wordt er niet door opgebouwd. Er is evenveel verschil tussen het zich-wassen in een gewoon bad en een onderdompeling in het ‘Mikve’ als tussen … geoorloofd echtelijk samenzijn en verboden geslachtsgemeenschap, of – zoals het in de afscheidszegening van de Sjabbat luidt – “tussen heilig en gewoon, tussen licht en duisternis, tussen Israël en andere volken.””

Hoofdstuk 3: De gevolgen

 

De Joodse huwelijkswetten zijn geboden van de Tora, door G-d gegeven en heilig. Hun oorsprong is niet terug te voeren op nut of hygiëne of andere wetenschappelijke motieven. De strikte naleving van de Joodse huwelijksvoorschriften heeft mede het Wonder van het voorbestaan van het Joodse Volk tot stand gebracht.

De Tora waarschuwt met de straf van 'uitroeiing' tegen het overtreden van het ‘Nidda’ verbod. De Tora stelt dit verbod naast bepalingen over echtbreuk en bloedschande. “Wie de onsterfelijkheidsgeboden, die aangeduid worden met de woorden: ‘Nidda’ en ‘Tevila’, nakomt, schrijft daarmee zichzelf in het ‘Boek des Levens’ …”

 

De betekenis van het ‘Mikve’ kan worden afgeleid uit de bepaling dat, als een Joodse Gemeente onvoldoende middelen heeft om te zorgen voor een Synagoge en een ‘Sefer Tora’ en een ‘Mikve’, het ‘Mikve’ dan voorgaat. Het bouwen en in stand houden van een ritueel bad is dus een nog heiliger handeling dan het bouwen van een Synagoge of het schrijven van een ‘Sefer Tora’.

 

Joden hebben hun leven opgeofferd in plaats van deze wetten te overtreden. Het is mede door het naleven door de Joodse vrouwen van de regels om hun Joodse reinheid te handhaven, vaak in gevaarlijke omstandigheden, dat de Sjechina, een G-ddelijke glorie, op de Joodse gezinnen rustte.”

 

De reinheid van het geslachtsleven heeft het Joodse Volk behoed en beschermd tegen ziekte en besmetting. Het aantal miskramen en dode geboorten onder Joodse vrouwen en het sterftecijfer van Joodse zuigelingen is relatief gering. Ook is er een minimale erfelijke aanleg voor dronkenschap, misdaad of moord.

 

De huwelijkswetten hebben de gezondheid en het weerstandsvermogen en vitaliteit van Joden verhoogd.  “Ḧet is een voorrecht, godsdienstig Jood te zijn.”

Hoofdstuk 4: De Joodse vrouw

De Joodse vrouw heeft steeds in hoog aanzien gestaan. Net zoals de Joden voorvechters waren voor de gelijkheid en vrijheid van alle mensen, beschermden zij de rechten van de vrouw. “Joden hoefden hun vrouwen niet te 'emanciperen', omdat zij haar nooit als minderen beschouwden.” Zij hebben haar echter niet de 'gelijkheid' geschonken, waar de moderne vrouw naar streeft.

Volgens Rav Simon Dasberg s.z.l. is gelijkheid hier echter een verkeerd ideaal. Mannen en vrouwen zijn niet aan elkaar gelijk. Elk van de beide geslachten is superieur op eigen terrein. De vrouw heeft krachten en gaven, die de man niet heeft. Het Jodendom heeft, “in overeenstemming met de psychologie, aan de vrouw die plichten toevertrouwd, waartoe zij van nature het meest geschikt is.”

Dit is samengevat in de Tora in Beresjiet/Genesis 2:18: ‘’de vrouw als gelijkwaardige hulp voor de man’’.

De grote waarde van de Joodse vrouw kan worden nagelezen in de verhalen over onder andere Sara en Rivka, Jocheved en Mirjam, Debora, Naomie, Roet en Channa. In alle tijden en omstandigheden waren het de Joodse vrouwen, die ervoor zorgen, dat de geest van G-dvrezendheid en wijding in het Joodse volk bewaard bleef. In de harten van hun kinderen plantten zij Joods idealisme, liefde voor Tora en eerbied voor ouders. “Zij maakten de Sjabbat tot een dag van licht en vreugde, van vernieuwing voor lichaam en ziel, een dag van hemel-op-aarde, zelfs in het meest bescheiden gezin. Onverschillig in welke ongelukkige en armoedige omstandigheden zij leefden, vonden de Joodse vrouwen steeds een weg, om in haar gezin een fijne en warme sfeer te brengen.”

Uit de Talmoed blijkt dat Joodse Wijzen grote eerbied hadden voor Joodse vrouwen. Joodse Wijzen raadpleegden hun vrouwen, ook bij de studie en verklaring van de Tora.

Vrouwen werden en zijn vrijgesteld van een aantal geboden, die aan een bepaalde tijd zijn gebonden, omdat het werk van de vrouwen van dusdanig belang was dat dat voorging. De Joodse wet geeft de vrouw volle bescherming. De Joodse Wijzen verklaarden dat bij de Openbaring aan de Sinaï de vrouwen het eerste de Tora aanvraardden. Hun advies is: ‘’Bemin uw vrouw als uzelf, maar eer haar meer dan uzelf’’. Een beroemde Talmoedische spreuk is: ‘’Mijn huis is mijn vrouw’’.

Tijdens de Joodse huwelijksceremonie is de bruidegom de enige, die een belofte doet, die ook wordt vastgelegd in het huwelijksdocument, met de woorden:”Word mij tot vrouw volgens de Wet van Mozes en Israël en ik zal u dienen, eren en verzorgen gelijk het Joodse mannen betaamt ...”

De belangrijke plaats van de vrouw heeft te maken met haar plichten. Zij moet de heiligheid van het gezin handhaven, de waardigheid van het huwelijk hoog houden en “door haar kinderen het Joodse Volk, drager van G-ddelijke opdracht, … doen voortbestaan.” Hoewel de Joodse huwelijkswetten voor beide partners gelden, is de uitvoering van de Joodse huwelijksvoorschriften dan ook meer aan de vrouw dan aan de man opgedragen. Van de Joodse vrouw wordt alle medewerking en volle bereidheid gevraagd en verwacht bij geboden als onderzoek en reiniging.

Ook wordt bereidheid gevraagd bij de Joodse zede van het bedekken van het hoofdhaar van de vrouw, door een muts, hoofddoek of pruik. Het was het teken van ingetogenheid, waaraan men een echtgenote en moeder in Israël herkent. De hoofdbedekking en zedige omhulling voorkomen enige zinnenprikkeling. Een Talmoedische spreuk beschrijft ‘’dat de wanden van haar huis nooit het hoofdhaar van de vrouw zagen’’.

Vele vrouwen, die trouw zijn aan de traditie, zijn op dit punt echter niet consequent. “Doch Jodendom verlangt beginselvastheid en moed der overtuiging, die weten door te zetten ondanks ongerief.” Volgens de Joodse Wijzen is een van de eerste plichten van de Joodse vrouw om het licht te ontsteken. Dit heeft niet alleen betrekking op de Sjabbat en Jom Tov lichten, maar ook op de plicht het licht van Tora stralend te houden’’.

Hoofdstuk 5: Heilige verbintenis

 

Fundament voor het Joodse leven is VaJikra/Leviticus 11:44: het gebod om een heilig volk te zijn, omdat HaSjem heilig is. Heiligheid is het ideaal en heiliging van het leven is het doel van het Jodendom. De middelen hiervoor zijn onder meer Sjabbat, sociale geboden, rituelen en ook vooral de voorschriften voor het intieme leven van man en vrouw. G-d verlangt immers reinheid van leven, van handeling en gedachte. Het aanzien van het huwelijk is dan ook hoog (zie Bereshiet/Genesis 2:24).

De huwelijksdag is haast te beschouwen als een Grote Verzoendag. De toekomstige bruid en bruidegom vasten die dag, bidden, overdenken het verleden en nemen besluiten voor de toekomst. Zij worden man en vrouw tijdens de huwelijksvoltrekking door overhandiging van de ring en de verklaring van de bruidegom aan de bruid: ‘’Zie, nu ben jij door deze ring heilig verbonden volgens de wet van Mozes en Israël’’.

 

Gids tegen schadelijke hartstocht tijdens het huwelijk zijn de wetten van beheersing.

De “eerste stap op de weg naar zelfbeheersing ..., waarbij de hartstocht geofferd wordt op het altaar van een zuivere en duurzame liefde”, is navolging van het voorschrift, dat het bruidspaar na huwelijksvolgtrekking slechts éénmaal gemeenschap mag hebben en zich daarna volgens voorschrift voorlopig niet intiem mag zijn (totdat de vrouw zich op de gebruikelijke wijze heeft gereinigd).

 

Deze onthouding ondersteunt bruid en bruidegom over de eventuele moeilijkheden van het eerste intieme samen-zijn heen. Hun leven samen wordt door nog meer Joodse tradities goed begonnen. Gedurende de volgende ongeveer elf dagen kunnen zij elkaar beter leren kennen zonder enige sexuele verhouding. Het echtpaar blijft thuis en wordt daar door familie en vrienden verblijd gedurende in ieder geval zeven dagen. Gaandeweg wordt het echtpaar tot een harmonisch geheel gebaseerd op een diepere liefde en wederzijds begrip, met een hechtere grondslag dan alleen sexuele motieven.

 

Hoofdstuk 6: Het tellen van de dagen (op basis van VaJikra 15:28)

Een getrouwde Joodse vrouw telt zeven dagen, genaamd reine dagen, na het beëindigen van de menstruatieverschijnselen. Het tellen is geheel aan haar overgelaten. Men zou zich de vraag kunnen stellen waarom men moet wachten en moet tellen, en niet in vrijheid van het leven kan genieten en pas later, als men ouder is, kan wachten. Volgens Rav Simon Dasberg s.z.l. kan men echter de wedervraag stellen, of door het niet in acht nemen van de Joodse voorschriften het huwelijk gelukkiger en harmonischer is geworden. “Er zijn door de natuur opgelegde beperkingen, die ongevraagd periodiek terugkeren. Daar komt de Tora en voegt zeven dagen daaraan toe, en maakt het tijdelijk niet-verenigd zijn nog langer. En men zegt: is dit niet te moelijk, niet te hard?” “Niemand ontkent, dat het moeilijk is. Maar het gaat hier om levenslessen, en die zijn nooit makkelijk en zacht.”

Volgens Rav Simon Dasberg s.z.l. betekent tellen verlangen, dat een doel heeft. Het tellen houdt pas op als het doel is bereikt. Het doel is: “hereniging-in-reinheid”.

Het is goed en noodzakelijk dat men wat langer moet wachten voordat het doel is bereikt. Rav Simon Dasberg s.z.l. benadrukt dat het de Joodse vrouwen zelf waren, die deze bepaling op zich namen, omdat zij beter “in zuiver inzicht en fijn aanvoelen begrepen, dat zij alleen op deze wijze konden blijven waken over de reinheid en het geluk van het huwelijk.”

De psychologie van het huwelijk kan gerust de Joodse Wijsheid raadplegen. Ook genot en bevrediging worden immers, sneller dan men denkt, een gewoonte. Overvoldaan wordt al snel onvoldaan. Al te snel is het hoogtepunt bereikt omdat men immers niet genoeg kan genieten, als het leven jong is. Dan krijgt men echter genoeg van elkaar. “Men heeft niet leren wachten in stilvragend verlangen; men heeft niet leren tellen naar hereniging-in-reinheid. Over-verzadigd wordt men in het moderne huwelijk met al zijn erbarmelijke pogingen en proeven van samenzijn. En toch ligt bij man en vrouw nog zoveel leven te wachten ...”

Man en vrouw verlangen ook naar dagelijkse kameraadschap en geestelijke vereniging. Dit is ook een vorm van samen leven en één-zijn, te onderscheiden van maar ook samenhangend met de vereniging van de geslachten. De tijdelijke wederzijde afzondering is dan ook goed. “Enerzijnds blijft er een ingetogenheid, die niet in onverschilligheid vervlakt, maar tot hartelijke vertrouwelijkheid leidt; anderzijds blijft er de aldoor nieuwe bekoring, die niet in een hartstochtelijke roes ontaardt.”

De mentstuatieperiode is pas geheel over na elf of twaalf dagen. Dan is ook het vernieuwingsproces van het organisme van de vrouw voltooid. Gedurende die tijd heeft de vrouw grote behoefte aan rust. Parallel aan het vernieuwingsproces van de vrouw, loopt een vernieuwingsproces ingesteld door de Joodse Wet. Het is alsof het huwelijk opnieuw gesloten wordt na het lange wachten. Het verlangen keert steeds terug en blijft voortdurend, omdat het steeds in reinheid wordt bevredigd. De liefde blijft als op de dag van de Choeppa. Na haar onderdempeling is de vrouw gereed en bereid om in liefde mogelijk nieuw leven te ontvangen. Het zaad van de toekomst kan zo in reine bodem aarden. “Zulk een één-wording brengt man en vrouw nader tot G-d, wekt in hen het bewustzijn van het heilige der geslachtsdaad zelf.”

Rav Simon Dasberg s.z.l. sluit dit hoofdstuk af met het citeren van Tehilliem/Psalm 90:12 ‘’Leer ons zó onze dagen tellen, een hart vol wijsheid dragen wij dan mede’’.

Hoofdstuk 7: Ouders en kinderen

 

Alleen het goede voorbeeld zal de kinderen de ouders doen volgen. Het reine huwelijksleven en de zedelijke ernst van de ouders zullen de kinderen beïnvloeden, het gezin beveiligen en moeilijke opvoedingsproblemen voorkomen.

Het gebod om de ouders te eren is niet slechts tot de kinderen gericht. Het bevat ook een bevel aan de ouders, “steeds zo te handelen, dat zij eerbied en respect afwingen.” Uit het verhaal van Jozef blijkt, dat het beeld van zijn vader hem redde van de zonde en verleiding.

Ouders kunnen verantwoordelijk worden voor tekortkomingen van hun kinderen, als zij hun huwelijksleven geen religieuze wijding geven, omdat kinderen alles ondergaan wat uit het ouderlijk huwlijksleven te voorschijn komt. “Wanneer iemand het onschatbare geluk verlangt, kinderen te hebben, die hem achten en eren, moet hij zich die achting en eer waardig maken. Door een rein, Joods familieleven.”

Ouders moeten ook de verantwoordelijkheid op zich nemen om de vragen van hun kinderen over het geslachtsleven op een fijne en natuurlijke manier te beantwoorden.

Het vroege huwelijk van Joodse kinderen als ideaal kan onrust onder de jongeren voorkomen. In gezinnen waar de Joodse huwelijkswetten worden nageleefd, wordt ontwakend geslachtsbewustzijn van kinderen gematigd door een “natuurlijk, rein verlangen” dat “normaal uitgroeit tot een zegen en een voorrecht.”

De Joodse huwelijkswetten zorgen al voor de bevruchting voor een te ontstaan kind door alle maatregelen die de vrouw neemt. Dit beïnvloedt tot op zekere hoogte het karakter en de moraliteit van het nageslacht. Ouders moeten dan ook ter dege goed overwegen, of zij door hun eerbare huwelijksleven, gedisciplineerd door de Joodse wetten, hun kind(eren) de beste levenskansen willen geven.

Ouders kunnen ervoor kiezen tevreden over zichzelf te zijn door zelfbeheersing of beschaamd door gebrek daaraan en zwakheid.

 

In Devariem/Deutronomium 30: 15-19 geeft Mozes advies bij het maken van keuzes: ‘’kies het leven, en daarmee het goede, zodat jijzelf en je kinderen mogen leven.’’

Hoofdstuk 8: Weest vruchtbaar en vermeerdert u

Geboorteregeling is het voorkomen van zwangerschap en daamee geboorteverhindering, die tot kinderarmoede in plaats van kinderrijkdom van Joodse gezinnen leidt.

In een verkeerd opgevat egoïsme grijpt men naar geperfectioneerde maar onnatuurlijke anti-conceptiemiddelen. De redenen kunnen zijn een afname van godsdienstige moraal, van nationaal gevoel, van geloof in de toekomst en van vertrouwen op G-d.

Rav Simon Dasberg s.z.l. riep in 1939 de Joodse mannen en vrouwen op, ook in die tijd van nood en zorg, moediger te zijn en kinderen te krijgen en vertrouwen te hebben in de Schenker en Schepper van het Leven.

Rav Simon Dasberg s.z.l. is bekend met de motieven voor geboorteregeling, maar wil deze niet of nauwelijks als voldoende zwaarwegend aanvaarden en wil ze eerder afwijzen als een voorwendsel.

Het economische motief is niet alleen onvertandig, maar gebaseerd op een gebrek aan vertrouwen in G-d en in de geestkracht van de komende generatie. “Ëen grote kinderschaar is als een vast kapitaal met vele goede aandelen.” Er is wederzijdese steun en ook hulp in de ouderdom. Een klein kinderaantal kan ook psychische spanningen veroorzaken.

Kunstmatige voorbehoedsmiddelen zijn en blijven als onnatuurlijk en onjoods verboden.

Het gezondheidsmotief wordt volgens Rav Simon Dasberg s.z.l. vaak schromelijk overdreven en daarbij wordt vergeten dat gebruik van anti-conceptie het huwelijk onherstelbaar kan beschadigen en een nieuwe zwangerschap juist nodig kan zijn voor de vernieuwing van het organisme van de vrouw. “Het aangeboren verlangen naar moederschap, de natuurlijke plicht van de vrouw, kan men op den duur niet ongestraft met geweld onderdrukken. Bovenal ook is het een grote fout, het huwelijk met geboorteverhindering te beginnen.”

De enig mogelijk te overwegen oplossing, hoewel moelijk, is, door volledige onthouding voor enige tijd achtereen, in bepaalde gevallen de vrouw haar krachten te laten herwinnen. In uitzonderingsgevallen, bij grote gevaren voor leven en gezondheid, zijn naast gesprekken tussen het echtpaar en respectievelijk hun arts en hun Rabbijn, gesprekken tussen (een G-dvredzend) arts en Rabbijn noodzakelijk. In deze situatie kan een Rabbinale autoriteit beslissen of slechts onthouding of een andere methode gebruikt mag worden. Ook de methode is, vanuit Joods-G-dsdienstig perspectief, van belang. Halachische beslissingen moeten per geval, gebaseerd op de specifieke omstandigheden, worden gegeven. “... de Joodse Leer is niet stug of onbuigzaam. Met volle handhaving van de vaste ethisch-religieuze regelen der Joodse traditie staat de Halacha, heden evenzeer als dit vroeger het geval was, open voor de levensconflicten, die zich kunnen voordoen.” Dit betekent echter niet, dat Rabbijnen concessies zouden willen doen. Er bestaat een plicht tot samenleving na de onderdompeling (Tevila) van de Joodse vrouw.

Rav Dasberg Simon s.z.l. is stellig dat men aanvallen op het voortbestaan van het eeuwige Joodse Volk die van het gezin uitgaan en uit het huwelijk voortkomen, niet mag ondernemen. Zeker ook niet naast de vreselijke aanvallen van buiten af.

“G-d geeft ons de mogelijkheid en het geluk nieuw leven te wekken. … Laten wij dan onze plicht doen en het aandurven. Laten wij niet kleinmoeidg zijn” en bouwen aan een Joodse Toekomst. Het gevaar bestaat dat als men doorgaat op de ingeslagen weg, het Joodse gezin en het huwelijk hun heilige betekenis zullen verliezen. Rav Simon Dasberg s.z.l. roept op deze gevaren te bestrijden in eerlijk G-dsvertrouwen en met Joodse moed. Hij verwijst hierbij naar Tehilliem/Psalm 127:3,’’ naar kinderen als een geschenk van G-d’’. 

Hoofdstuk 9: G-ddelijke wijsheid

In de Joodse reinheidswetten zijn meer grote waarden verankerd, die nog onverklaarbaar zijn gebleken. De wetten zijn modern, want in overeenstemming met hedendaags denken. Dit betekent echter niet dat Tora wetenschappelijke goedkeuring nodig zou hebben. De Tora is van alle tijden; wetenschappelijke inzichten continu onderhevig aan wijziging.

De Tora is door G-d aan het Joodse Volk gegeven en daarom ook “een dwingende plicht, die op ieder Joods echtpaar rust.”. Verklaringen voor alle bepalingen van de Joodse huwelijkswetten zijn niet mogelijk maar ook niet nodig. Dat doet niet af aan het belang van de voorschriften. “Wij zijn niet geschapen om alles te weten .... Boven het verstandelijke staat het gevoel, dat ons voert naar gebieden van geloof, schoonheid en hoop. Het is het mysterieuze, dat … het leven boeiend maakt.” Dit geldt ook voor het onderwerp van de Joodse huwelijkswetten. De Tora bevat “ G-ddelijke Wijsheid”, die pas kenbaar worden voor de zoeker, wanneer deze nadert met de vereiste eerbied. “Ons gehele leven is een Wonder; het hele levensproces is in dieptste wezen onverklaarbaar”. De Tora is evenzeer een mysterie als alle wonderen om en in ons.

Het voortbestaan van het Joodse Volk is een boven ons begrip liggend wonder. Ook anderen zien hierin een overtuigend bewijs voor het bestaan van G-d. Volgens Rav Simon Dasberg s.z.l. is dit ook de gehele waarheid. Ondanks alles wat het Joodse Volks is aangedaan, is zij niet te onder gegaan. “Hier kunnen wij niet anders dan geloven in de Heer der wonderen, door Wie wij worden geleid. … Hetzelfde geldt voor ons onderwerp. Hygiëne en zindelijkheid zijn slechts nevenverschijnselen. … de voornaamste reden blijft: een geheim van G-d. Zijn Gebod is ons voldoende...”.

Rav Simon Dasberg s.z.l. sluit af met Tehilliem/Psalm 25:14: “G-ds geheim is bij Zijn vromen. Zijn verbond maakt Hij hun bekend¨.

Korte samenvatting van de voorschriften (geheel overgenomen)

De ‘Nidda’-toestand duurt minstens vijf dagen. Deze worden gevolgd door zeven onafgebroken reine dagen, waarna de vrouw haar “reinheid” herkrijgt door zich geheel in het ‘Mikve’ onder te dompelen.

Gedurende deze tijd van minstens twaalf dagen is elke huwelijksgemeenschap verboden. Het ophouden van de verschijnselen moet volgens voorschrift onderzocht en vastgesteld worden. De zeven reine dagen dienen voortdurend en onafgebroken te zijn. De ‘Tevila’ mag normaal pas na donker plaatsvinden. Deze handeling is een Joodse daad, een ‘Mitswa’, een plicht en voorrecht tegelijk. Zij wordt gewijd door het uitspreken van een lofzegging.

De ‘Tevila’ moet zo geschieden, dat het water van het ‘Mikve’ geheel met het lichaam, dus zonder een enkele scheiding van een kledingstuk of iets anders, in aanraking komt en wel in één en hetzelfde ogenblik. Alles wat niet tot het lichaam behoort moet dus verwijderd zijn, zodat het water bij de ‘Tevila’ geen enkele belemmering ontmoet.
Bovendien is niet alleen gedurende de ‘Nidda’-toestand tot aan de ‘Tevila’ toe de huwelijksgemeenschap verboden, maar ook op de dag en in de nacht, waarin de periode verwacht wordt. Daartoe heeft onze codex een stelsel van berekeningen gemaakt.
Afzonderlijke bepalingen gelden voor de tijd vóór het huwelijk en na de bevalling. Vóór de choeppa dient de bruid haar volle reinheid door ‘Tevila ‘te hebben verkregen. Wanneer dit niet mogelijk is geven onze voorschriften in deze omstandigheden nadere voorzieningen.

Hoofdstuk 13: De bruidstijd

De voorschriften voor het Joodse huwelijk zijn al van toepassing voor het huwelijk. De Joodse vrouw stelt zich op de hoogte van haar plichten als Joodse vrouw. De Joodse man moet ook gereed en bereid zijn offers van zelfbedwang te brengen en religieuze zedelijk te handhaven.

Bij het bepalen van de dag van het huwelijk wordt rekening gehouden met de menstruatiecyclus van de vrouw. Gebruikelijk is dat de bruid Tevila verricht voor de Choeppa, uitzonderingen daargelaten.

Rav Dasberg s.z.l. haalt tot slot voor de lezer Tehilliem/Psalm128 aan.

Literatuuropgave De voorschriften van het Joodse Huwelijksleven

Huwelijksvoorschriften

Misjna en Gemara, tractaat Nidda.

Maimonides' codex, Isoeré Biea, Hoofdstuk 4-11.

Sjoelchan Aroeg, Jor'e Dea, Hoofdstuk 183-200.

              Men vergelijke de Franse vertaling in:

Rituel du Judaisme, trad. par A. Neviasky, deel X en XI (1912) en de Engelse uitgave:

The law of Israel, compiled an arranged by Bern. Abramovitz, transl. by Sam. Dav. Aronson (1950), 2e deel, hoofdstuk 35-46.

Abr. Danzig, Chogmath Adam, Hoofdstuk 107-122.

Salomo Granzfried, Kitsoer Sjoelchan Aroeg, Hoofdstuk 150-162 (aanvulling: nu beschikbaar in het Nederlands) Rabbijn Sjlomo Granzfried Kitsoer Sjoelchan Aroech, Compacte Joodse Codex, vertaling drs. H. Goldberg, NIK, Amsterdam 2006/5766, hoofdstuk 150-162, p. 780-833.

Men vergelijke de Duitse vertaling door:

Sel. Bamberger, deel III. Hoofdstuk 150-162 (1936)

Izak Aboab, Menorath ha-Maor, 3e boek, 6e afd.

Men verglijke de Duitse bewerking door S. Bamberger (1920), pag. 257-273.

Sel. Bär Bamberger, Amira le-bet Jakob (1930).

L. Münz, Torath Nasjiem, Ein Buch für die jüdische Ehefrau (1935).

Hilchoth Benoth Jisrael, Leitfaden durch das jüdische Eheleben. Hrsg. von “Komitee für Taharas-Hamischpochoh Wien, z.j.

 

Verdere literatuur

M. Ascher, Sexuelle Fragen vom Standpunkt des Judenthums (1922).

Joseph Breuer, Am Heiligtumsquell de jüdischen Ehelebens (1923).

S. Carlebach, Sittenreinheit (1917).

S. Carlebach, Pele Jo'ets, Ratgeber für das jüdische Haus. Ein Führer für Verlobung, Hochzeit und Eheleben (1918).

M. Eschelbacher, Die Frau in Judentum (in “Soziale Ethik im Judentum, pag. 71 vv. 1914).

Hans Goslar, Sexualethik der jüdischen Wiedergeburt (1919).

Max Grünwald, Hygiene der Juden (1911), (in het bijzonder de opstellen van Baneth, Bamberger en Jeremias).

J. H. Hertz, Sermons, addresses an studies, deel III (1938), pag, 53-69: Marriage, divorce and the poition of woman in Judaism.

S. R. Hirsch, Versuche über Jissroel's Pflichten, hoofdstuk 65, 66, 67, 80, 81 en paragraaf 464 (en verklaring op Lev. 11:46-47).

Hygiene und Judentum, Eine Sammelschrift (1930) (in het bijzonder de opstellen van Löffler, Else Rabin en Segall).

Leo Jung, The Jewish library, 3rd series (1934), (in het bijzonder pag. 353-365: Taharah, a way to married happiness).

Jacob levy, Die sexuelle Not in jüdischer Schau (1932) en diens opstellen in Jeschurun en Nachlath Zwi.

David Miller, The secret of the Jew, Sod Netsach Jisrael (1930).

M. Perlman, Midrasj ha-Refoea, deel III, pag. 1-72 (1934).

J. Preuss, Biblisch-talmudische Medizin, in het bijzonder pag. 138 vv., 434 vv., 523 vv. (1921).

S. Ph. de Vries, Joodse Riten en Symbolen II. Pag. 107-151 (1932).

Een afzonderlijke bibiographie over de Joodse vrouw geeft:

B. Wachstein, Literatur über die jüdische Frau (1931).

 

Bovengenoemde werken zijn aanwezig in de Bibliotheca Rosenthaliana (Universiteitsbibliotheek, Amsterdam).

 

Colofon

 

Prof. Rabbijn Ahron Daum, B.A, M.S., Emeritus Opperrabbijn van Frankfurt am Main

Nederlandse bewerking:
Mattityahu Akiva Strijker

14 Nisan 5774 / 14 april 2014

Foto’s en special effects:
Mattityahu Akiva Strijker & Angelo (Malachi) Prins, Antwerpen

‘Levende water’ van Rav Aryeh Kaplan, s.z.l. samenvatting en bewerking:
Hendrik en Heleen van Silfhout, Middelburg

Samenwerking en nieuwe vormgeving van ‘Huwelijkswetten’ van Rav Simon Dasberg,s.z.l.:
Margreet Westbroek, Utrecht –Nederland

Webmaster en designer:
Yitzchak Berger, Melbourne/Antwerpen, Australië
Schoonzoon van Rav Ahron Daum, Shlita

 

 

Share this

Counter