Skip to main content

‘Tefillah’: Dienst van het Hart


‘Tefilah’: Dienst van het Hart

Pesach Haggada Spanish 14th century

“Hem te dienen met heel jullie Hart...”
(Deut. 11:13.)”Dit is door Tefillah” (Tal; Bav. 2:a)


Syllabus ‘Tefilah’


Machzor’ ( festival prayer book) Worms , Germany (1272)


Wat is ‘Tefilah’

  • Afgeleid van het werkwoord ‘pallèl’ – zichzelf kritisch beoordelen

  • Bij de ‘Ashkenasim’ spreekt men van ‘davvenen’ (afgeleid van het Latijnse woord ‘divina’ (heiligen)– dagelijks gesprek en communicatie met G’d.

  • Tefilah’ versterkt en geeft inhoud aan het ‘Joods zijn’

  • In de eerste plaats is ‘Tefilah’ bedoeld om een band met Hashem te creèren. Dit bedoelt ‘pallel’ als ‘kesher’.

  • Het woord’ tefilah’ daagt ons uit om ons gedrag regelmatig te controleren en af te stemmen op de gedragslijn die HIJ ons voorgeschreven heeft in de vier boeken van de Codex – de ‘Shulchan-Aruch’.


Tefilah’ loopt als een rode draad door de’Tenach’ heen:

Avram – Jacov – Moshe – Hannah – Koning David – Koning Salomon -De profeet Elia – de schriftgeleerde Ezra – de stadsgouverneur van Jeruzalem, Nehemia

Bidden in tijden van tegenspoed, maar er moet vooral gebeden worden in tijden van voorspoed.


Is ‘Tefilah’ een plicht of doet men dit vrijwillig?

  • Maimonides (1135-1204): plicht van de Torah, dagelijks en in tijden van nood.

  • Nachmanides (1194-1270): rabbinale plicht, bidden op stipte tijden, ’s avonds, ’ s morgens en ’s middags. De Grote Verzameling (‘Knesset Hagdola’) (444-333 v.d.g.j.) formuleerde het hoofdgebed ‘Shmoneh Esreh’ (Stille Gebed), die door de Rabbijnen gewoon ‘Tefilah’ wordt genoemd. Later heeft de autoritaire president Rabban Gamliël van Yavne (2e eeuw) als plicht ingesteld om driemaal per dag te bidden: ’s avonds, ’s ochtends en ’s middags (Koning David, Ps;55:18)

Het ‘Tefilah’ vervangt de publieke offers die gebracht werden ten tijde van de beide Tempels.

Het morgengebed (‘Shacharit’) werd geïntroduceerd door Avraham,het middaggebed (‘Mincha’) door Jitzchak en het avondgebed (Ma’ariv’) door Ja’akov.


Haggada shel Pesach Roma, 1399

De taal van het gebed

Bij voorkeur het ‘Lashon Hakodesh’ (Heilige Taal:Klassiek Rabbijnse Ivriet) en dit omdat:

  • De Heilige Taal waarin G’d met de stamvaders en profeten spreekt

  • In het bijbelse ‘Ievriet’ komen geen vloekwoorden of onreine taal voor

  • Het bewaren van de Joodse identiteit; een bolwerk tegen assimilatie

  • Vereniging van het volk Israel in één taal

Tefilah’ vormt een brug tussen G’d en mens!

Is G’d mannelijk of vrouwelijk?

  • G-d heeft geen geslacht; vrouwelijk noch mannelijk

  • We spreken G’d aan met U (‘Ata’) of Hij (‘Hoe’), omdat tijdens de vorming van het Israelistische volk in de tijd van de stamvaders, uittocht uit Egypte, Profeten enz. heeft men van de mannelijke vorm van G-d gesproken.

  • G’d als vader, dus mannelijk (‘Hashem’) – barmhartig en goedaardig

  • G’d als moeder, dus vrouwelijk (‘Shechina’) – vol liefde, zorg en geborgen, die ons op onze aardse weg trouw begeleidt zou als een trouwe vrouw haar man begeleidt


De ‘siddur’

  • Orde van de gebeden doorheen het hele jaar

  • Machzor’: speciale gebedenboeken voor de Torah-feestdagen

  • De eerste ‘siddur’ is ontstaan in Babylon rond het jaar 1000, toegeschreven aan Rav Nissim Gaon (990–1062)

  • Versies van de ‘siddur’ en ‘machzor’: Ashkenasisch, Sefardisch, Luriaans Kabbalistisch (‘Sefard’), Jemenitische en Oriëntaalse versies voor de Arabische en Maghreb landen.



Leipzig Machzor, 1300


De ‘Chazan’ of Cantor

  • Leider van het gebedsdienst van de gemeente

  • Kwaliteiten: bezitten van een mooie, melodische stem, een perfecte leesvaardigheid en kennis van Hebreeuwse grammatica, een hoge graad van religiositeit bezitten en aanvaard zijn door de meerderheid van de gemeente. Van belang is dat hij getrouwd is en kinderen heeft.

  • In de Ashkenasische gemeentschap leidt de ‘chazan’ de gemeente en reciteert het begin en eind van elk gebed; in de Sefardische gemeenschap vormen gemeente en ‘chazan’ één geheel.

  • De plaats van de ‘chazan’ bij de Ashkenasim is naast een lessenaar voor de ‘Heilige Ark’ en symbolisch is hij het dichtst bij de de Torah-rollen, omdat hij de hele gemeente vertegenwoordigt; bij de Sefardim is dat bij de ‘bima’, omdat dit het middelpunt is van de synagoge en vanuit deze plek heeft de gemeente het beste akoestieke en optische zicht op de ‘chazan’.


Bespreking van enkele gebeden

  1. Het ‘Shema-hoofdgebed’


  • het enige gebed waarvan de tekst helemaal uit de Torah komt en tevens een plicht is van de Torah.

  • het eerste deel is het erkennen en aannemen van het G’ddelijk koningschap en de eenheid van G’d.

  • In het tweede deel accepteert men de ‘mitzvot’ in het geheel (‘Kabbalat Mitzvot’). Ook het geloofsprincipe van beloning en straf wordt hier uitdrukkelijk benadrukt (een van de Dertien Geloofsprincipes van Maimonides).

  • In het derde deel komt de plicht de ‘tzitzit’ te dragen, en de uittocht van Egypte voor altijd te herdenken.


Het ‘Sjema-gebed’ bestaat uit 248 woorden, volgens de traditie staat voor elk bot van het menselijk lichaam een woord.

  1. Het ‘Shmonee Esree’-hoofdgebed

De Ashkenasim noemen dit gebed ‘Shmonee Esreh’, omdat 2500 jaar geleden de Grote Synode (‘Knesset Hagdola’) dit hoofdgebed uit 18 kleine gebeden (zegeningen) samengesteld heeft. De Sefardim noemen het ‘Amidah’, omdat wij dit hoofdgebed staand bidden.

Dit gebed wordt op werkdagen driemaal gebeden, op Shabbat, bijbelse Feestdagen en Yom Kippur zelfs meer. Men noemt het ook het ‘Stille Gebed’, (a) omdat we het gebed stil bidden, zodat de medemens geconcentreerd kan bidden en de nodige aandacht kan hebben en dat (b) nadien dit hoofdgebed door de ‘chazan’ luid herhaald wordt. Dit omdat:

  • Traditie onstond voor de uitvinding van de boekdrukkunst en de meeste mensen moesten uit het hoofd bidden.

  • Om analfabeten de mogelijkheid te geven de gebeden te volgen.

  • Om de nodige aandacht op te wekken door het luisteren van de gebeden en te antwoorden met ‘amen’.


  1. De ‘brachot’ of zegenspreuken

De concept van ‘brachot’ voor de meeste levenssituaties is typisch Joods en men vindt het bij geen enkel ander religie. Het woord zegenen heeft de stamletters ‘beth, reesh, chaf’ – wat betekent knieën,d.w.z. in bijbelse tijd een mens die gezegend werd, knielde en werd door de mens die hem zegende met de handen op het hoofd gezegend.
We onderscheiden de volgende groepen van ‘brachot’:

  • brachot’ over het genieten van voeding en goede geur

  • brachot’ over de geboden (‘Mitzvot’)

  • Dank-‘brachot’ voor blijvolle gebeurtenissen

  • Lof-‘brachot’ over natuur-fenomenen, zoals donder, bliksem, regenboog enz.


Torah-plichtig is het zeggen van het tafelgebed (‘Birkat Hamazon’) na het eten! Deze ‘brachot’ worden van jongsaf geleerd; en ook een Giyur-kanidaat zal bij het begin van zijn Giyur-proces deze uit het hoofd leren. In de Joodse scholen begint de dag met het gebed. De formules van alle ‘brachot’, inclusief het grootste ‘bracha’, het tafelgebed, worden toegeschreven aan ‘de Grote Verzameling’ (‘Knesset Hagdola’).

  1. de Psalmen

  • Volgens de traditie is de auteur koning David samen met 9 andere beroemde co-auteuren, waaronder Adam (de oermens) en Moshe Rabbenu.

  • Dit werk wordt als een van het meest belangrijke werken gezien en is het meest gedrukte werk in het Jodendom.
    Het boek ‘Psalmen’ is met ‘Ruach Hakodesh’ (G-ddelijke geïnspireerde Geest) en 70 van de 150 Psalmen zijn deels of geheel in onze ‘Siddur’ opgenomen.

  • Dit boek worden door sommigen wekelijks, door anderen elke maand gezegd. Velen zeggen het hele boek op de eerste dag van ‘Rosh Hasjana’ en Shavuot.

Psalmen worden veelal gezegd bij ziekte, bij hopeloze situaties, bij het bezoeken van graven en andere dramatische gebeurtenissen, maar ook bij blijvolle gebeurtenissen, zoals ‘Bar/Bat Mitzva’, huwelijk enz.

  1. Jizkor’ en ‘Kaddiesj’

  • Gebed voor onze dierbare overledenen, we vragen G’d hen te gedenken en eeuwige rust te geven in ‘Gan Eden’. Het is ook bedoeld dat wij enige momenten tijdens het ‘Jizkor’-gebed en ‘Kaddis’j aan onze dierbaren denken en hen niet te vergeten.

  • Jizkor’-gedenkgebed wordt gezegd op het eind van de drie welvaartsfeesten en vooral neemt het een bijzondere plaats in op ‘Jom Kippoer’. We bidden ook voor vergevenis voor onze dierbaren.

  • Het ‘Kaddish’ is een bijzondere vorm van eerbied, liefde en verbondenheid met de overledenen; is een looflied over ‘Hashem’ en Zijn grootheiid en acceptatie van het verdict; de dood en de doden worden geen enkele keer genoemd; het ‘Kaddish’ is in het Aramees geformuleerd, omdat de oorsprong van dit gebed in Babylon is, waar de landstaal Aramees was.

  • Kaddish’ wordt elf maanden gezegd tijdens het eerste jaar na de dood van een dierbare.


Marc Chagall (1887-1985), beroemde Joodse schilderuit de 20ste eeuw in het potretteren van koning David als mzikant die de harp bespeelt.

  1. Het ‘Alenu’-slotgebed

  • Elke goddienst sluit met ‘Alenu’-slotgebed die volgens de traditie geschreven door Joshua, de veroveraar van het land Kanaän, geformuleerd is na de overwinning op de pagaanse koningen en de heidense Kanaänieten.

  • Vier idealen van het Jodendom,verbonden aan de Messiaanse gedachten, worden in dit gebed uitgedrukt: (a) de hele mensheid zal geen afgoden meer dienen, (b) alle zullen in één G’d geloven, (c) de hele mensheid zal voor vrede kiezen eh al haar ressourcen om G)d beter kennen te leren en (d) G’d zal als Koning en Schepper van de wereld door allen erkend worden.


  1. Het gebed voor regen en dauw

  • Bidden voor regen en dauw voor het land Israël

  • Begin van het regengebed bij het slot van het Loofhuttenfeest (’Moesaf’van ‘Shemini Atzeret’), begin van het dauwgebed bij ‘Musaf’ op de eerste dag van ‘Pesach’.

Het belang van de landbouw in het ‘Heilige Land’ speelt hier een centrale rol.

  1. Het reisgebed

  • Te zeggen bij het verlaten van de stad, met de wagen, trein maar ook met het vliegtuig.

  • Ingevoerd waarschijnlijk door de ‘Tosafisten’ in Frankrijk in de 12de of 13de eeuw.



Het ‘Hassidisme’

  • Stichter: ‘Baal Sjem Tov’ (1698-1760)

  • Bidden uren lang en met veel extase, ‘sjokkelen’.

  • Belang van het dagelijks bezoeken van het ‘mikve’ en het rituele wassen van de handen voor het gebed.


Twee verhalen


Links: Rabbi Yisrael Baal Shemtov (1698-1760), stichter van de Chassidische beweging
Rechts: de oorspronkelijke synagoge van de ‘Baal Shemtov’ die in de ‘Shoa’ is vernietigd en tegenwoordig is geconstructeerd zoals in originele staat.


De mystieke koets met de paarden die de ‘Baal Shemtov’ op zijn vele reizen ter beschikking stond. Volgens de legende heeft de koetsier, Alixei, die met de rug naar de paarden toe zat en de paarden vlogen in record-snelheid (‘kevitsat ha’derech’) tnaar de eindbestemming.


Tefilah’: de Joodse dienst van het hart

met de Almachtige.





’Machzor’( festival prayer book) Worms , Germany (1272)


Wat is ‘Tefilah’?

Tefilah’ komt van het Hebreeuwse werkwoord ‘pallèl’ (zichzelf kritisch beoordelen). ‘Tefilah’ is zo oud als het Joodse volk! In de Middeleeuwen, in Elzas, noemden de mensen bidden ‘oren’, dit komt van het Latijnse ‘ora’.

In het Asjkenazische Jodendom spreekt men van ‘davvenen’. Dit komt van het Latijnse ‘divina’ (G’ddelijk). ‘Davvenen’ is ons dagelijks gesprek en communicatie met G’d. ‘Tefilah’ geeft spirituele inhoud en inspiratie aan het Joods zijn. De opdracht te ‘davvenen’ komt van G’d, van Hem alleen. Kritisch moeten we vaststellen dat Hashem als Vader van alle mensen wel plezier heeft als we onze wensen en zorgen tot Hem wenden, vergelijkbaar met een aardse vader. In de Talmud vinden we verwijzingen dat Hashem verlangend uitkijkt naar de gebeden van Israel en omgekeerd bidt en zegent Hashem het volk Israel.
Zo zegt de psalmist in Psalm 29 vers 11:’’ De Eeuwige zal geesteskracht aan Zijn volk verlenen, de Eeuwige zal Zijn volk zegenen met vrede’’.
Zo vinden we in Talmud traktaat ‘Berachot’ de volgende gebeurtenis die op Yom Kippur plaatsvond: de Hogepriester Rabbi Ishmael betrad op Yom Kippur het Allerheiligste en ontmoette Hashem die aan hem het volgende vroeg: ‘’Mijn zoon Ishmael, geef me een zegen’’ (Tal.Bav;Berachot 7A).
En volgens een ander verwijzing in de Talmud, staat er in de ‘Tefillin’ van Hashem: ‘’Wie is zo als Mijn volk Israel?’’ (Tal.Bav;Berachot 6A). Er zijn nog vele andere citaten te brengen, maar allen hebben iets gemeenschappelijks, namelijk de diepste wens van Hashem dat wij met hem communiceren, onze wensen en zorgen met Hem delen en ook niet te vergeten onze dankbaarheid uit te drukken voor alle dingen die Hij ons verleent inclusief ons leven (zegenspreuk’ shehecheyanu’).

Fourteenth Century German Haggadah

Tefilah’ loopt als een rode draad doorheen de ‘Heilige Schrift’ (Tenach).

  • Avraham bidt om de zondige stad Sodom te redden. (Gen; 18)

  • Jakov bidt om hulp tegen de woede van zijn vijandige broer Esau. (Gen; 32:10-13)

  • Moshè bidt voor het volk Israel bij de zonde van het ‘gouden kalf’.

(Ex.;33–34)

Hij vraagt vergeving voor de zonden van zijn volk en vraagt ook om genezing van zijn zus Myriam wanneer zij bestraft wordt met melaatsheid voor het roddelen tegen haar broer Moshe. (Num; 12-13)

  • Channah, de moeder van Shmuel bidt om een zoon te krijgen, die ze aan de Heer kan wijden. (Sam; I:1-2)

  • Koning David is wereldbekend door zijn psalmen (gebeden).

  • De profeet Elia vecht op de Karmel voor zijn G’d tegen de valse profeten van Jezebel. (Kon; I hoofdstuk 18)

  • Koning Shlomo bidt heel lang bij de inwijding van de Eerste Tempel. Hij vraagt dat de gebeden van alle volken daar verhoord zouden worden. (Kon; I hoofdstuk 8)

  • De Schriftgeleerde Ezra vraagt vergeving voor het zondige volk Judah.

(Ezra hoofdstuk 9)

  • De stadsgouverneur van Jeruzalem, Nechemia, vraagt G-d hulp bij de bouw van de muur en de stad Jeruzalem. (Nech 1)


Spijitg genoeg bidden de mensen vooral in tijden van tegenspoed, wanneer het slecht gaat. Ook in tijden van voorspoed moeten we tot G’d ‘davvenen’. Uit dankbaarheid, in de hoop dat G’d ons het goede zal blijven geven (levensonderhoud, gezondheid en vrede).


De dank-zegenspreuk ‘Hagomel’ voor de weldaden en allerlei goeds die Hashem ons bewijst.

Is ‘Tefilah’ een plicht of doet men dit vrijwillig?


  • Maimonides (1135-1204) spreekt over een plicht van de Torah. Je zal G’d dienen met je hele hart. Dienst van het hart kan alleen door ‘tefilah’. De plicht te bidden is volgens hem éénmaal per dag en in tijden van tegenspoed. Volgens Maimonides is de ‘Mitzva’ van bidden een niet tijdsgebonden ‘Mitzva’ en vrouwen zijn plicthig minstens 1x per dag te bidden. Toch kunnen ze zelf kiezen op welk tijdstip ze bidden, afhankelijk van haar huishoudelijke taken en familaire verplichtingen.

  • Nachmanides (1194-1270) spreekt van een rabbinale plicht om op bepaalde tijden van de dag te bidden, namelijk ’s avonds (‘Ma’ariv’), ’s ochtends (‘Shacharit’) en ’s middags (‘Mincha’).

  • De Grote Synode (‘Knesset Hagdola’) legde een orde en formulering van het hoofdgebed ‘Shmoneh Esreh’ vast die driemaal per dag gebeden zal worden. Driemaal omdat Daniel dit ook deed (Dan; 6:11). Algemeen in de Halacha als we spreken van ‘Tefilah’, bedoelen we het ‘Shmoneh Esreh’-gebed, ook bekend onder de volgende namen: het Stille Gebed (‘Tefilah B’lachash’) of ‘Amidah’ (de Sefardische benoeming voor ‘Shmoneh Esreh’). De naam ‘Shmoneh Esreh’ wordt meestal door de Ashkenasim gebruikt, zelfs het ‘Shmoneh Esreh’ korter is en geen 18 zegenspreuken heeft, zoals op Shabbat en Feestdagen. De naam ‘Shmoneh Esreh’ reflecteert voornamelijk het historisch aspect, namelijk dat in het begin er 18 zegenspreuken geformuleerd waren in het ‘Shmoneh Esreh’.


Manuscript Haggadah shel Pesach uit de Middeleeuwen


De Grote Synode is verantwoordelijk voor het formuleren van alle ‘Shmoneh Esrehs’, alle ‘brachot dat we geruiken,tafelgebed (‘Birkat Hamazon’), ‘Kiddush’ en ‘Havdalla’.

De Grote Synode dateert van 500 v.d.g.j. tot Alexander de grote (300 v.d.g.j.) en bestond uit 120 leden.
Ook het moderne Knesset in Israel bestaat uit 120 leden, maar is een profane areligieuze verzameling van volksvertgenwoordigers.
Volgens de Rabbijnen in de Talmud vervangt het gebed ‘tefilah’
de publieke offers die tijdens de tempelperiode dagelijks gebracht werden.

Er wordt in de Talmud gesuggereerd dat:

  • het morgengebed ‘Shacharit’ door Avraham geïntroduceerd werd,

  • het middaggebed door Jitschak en

  • het avondgebed door Ja’akov is ingesteld.


Avraham diende G’d met liefde (‘Chesed’), Jitschak met ontzag ‘(Jira)’ en Ja’akov met zowel liefde als ontzag (‘Emet’).

Natuurlijk kan een mens vrijwillig en spontaan zijn gebeden formuleren en uiten, maar de kader van ‘tefilah’ van het hoogdgebed ‘Shmoneh Esreh’ is verplicht. Persoonlijke wensen kan men aan het einde van de bracha ‘shomer tefilah’ in eigen woorden uitspreken.


Haggada shel Pesach uit de Middeleeuwen (oorsprokelijk uit Spanje 14
e eeuw)


De taal van het gebed

De Grote Synode besloot verder dat de taal van het gebed Bijbels-Rabbijns Hebreeuws (niet te verwisselen met modern Ivriet) moet blijven:

  • Het is de Heilige Taal omdat G’d met Adam, Noach, de stamvaders en de profeten in die taal sprak.

  • Er komen in het bijbelse ‘Ivriet’ geen vloekwoorden of schuttingtaal voor. (wel in het moderne Ivriet!).

  • Het idee het volk Israël te verenigen met het gebed en dit in dezelfde taal.

  • Ook wilden ze dat de Joodse identiteit en continuïteit bewaard bleef als bolwerk tegen assimilatie. De meeste mensen gaan het ‘Ivriet’ vergeten als ze niet in het Ivriet bidden.

Zelfs als je het niet begrijpt, is het doeltreffender te bidden in het ‘Ivriet’. (Volgens de ‘Halacha’, de Joodse wet).

De Mishna in Sotah 5:1&2 legt uit dat alle gebeden in elke taal gebeden mag worden, inclusief de hoofdgebeden ‘Shma’, ‘Shmoneh Esreh’ en ‘Birkat Hamazon’. De enige uitzondering hierop is de priesterzegen, die moet altijd in het Hebreeuws gebeden worden.
Toch vanuit vogelperspectief van de Joodse geschiedenis moeten we vaststellen waar men de gebeden in een vreemde taal en niet in de Heilige Taal uitvoerde, heeft dit feit tot assimilatie en ondergang van deze gemeente bijgedragen.
Het hoge percentage van assimilatie in ‘Reform’ en ‘Conservative’ stromingen is zeker te terug te voeren op het feit dat deze non-Halachische en niet Torah-getrouwe stromingen de Heilige Taal als hoofdgebedstaal hebben afgeschaft. En daardoor een katalysator van hun ondergang op zichzelf hebben afgeroepen.


(Amsterdam, 1695). Moses (right and above) and Aaron, his older brother and the founder of the Jewish priesthood, are depicted on the title page of the Amsterdam Haggadah.

Het bidden in de Heilige Taal dient ook als een ketting van traditie die ons met 4000 jaar Joodse geschiedenis verbiindt met de stamvaders, profeten, de Mishna-geleerden, de grote geleerden van de Talmud, de Middeleeuwse coryfeen Rashi (1040-1105), Maiimonides (1135-1204), Ibn Ezra (1089-1167), Nachmanides (1194-1270) enz en natuurlijk de Rabbijnen van de nieuwe tijd, zoals Rabbi Yosef Karo (1488-1575), Rabbi Moshe Isserles (1520-1572), ‘Ba’al Shem Tov’ (1698-1760), Gaon van Vilna (1720-1797), ‘Chazon Ish’ (1878-1953), Rabbi Moshe Feinstein (1895-1986) en Rav Avraham Yitzchak Hakohen Kook (1865-1935).
Rabbi Yehuda Halevi (1075-1141) is zijn beromede filosofische werk ‘Kuzari’ looft de Heilige Taal als bijzonders geschikt voor het Joodse volk en de spirituele intellectuele bezigheid met de Torah, Tefilah, Brachot enz. In onze tijd kan men natuurlijk aan Chofetz Chaim (1838-1933) denken, de grote Tzaddik die 80 jaar geleden leefde, die in zijn werk altijd onderstreepte dat bidden in de Heilige Taal van hoge waarde was en een grote verdienste voor ons is. Categorisch verneemt hij het idee te bidden in een vreemde taal om beter het gebed te begrijpen, maar primair en van immense belangstelling om te bidden in het taal van het Joodse volk.

Vandaag door de verbetering en verspreiding van de print hebben we bijzonder goede gebedenboeken (‘Siddurim’ en ‘Machzorim’) in interlineaire vertaling, zodat de lezer altijd onmiddelijk kan weten wat het Hebreeuwse zin of woord betekent.
Deze ‘Siddur’ en ‘Machzor’ is door Artscroll uitgegeven en is verkrijgbaar in de Ashkenasische en Sefardische versie. Deze ‘Siddur’ en ‘ Machzor’-serie wordt door mij aan al mijn studenten voor ‘Giyur’ aanbevolen en ook voor ons, veteranen in de Heilige Taal, is het een goede investering.


Illustrated by Arthur Szyk, edited by Cecil Roth (London, 1940)

Desalniettemin uit mijn langjarige ervaring van onderwijzen en mentorschap van mensen die ‘Giyur’ wensen, weet ik dat bij sommige oprechte kandidaten voor ‘Giyur’ het doel is om uit een ‘Siddur’ met Hebreeuwse letters en vocalen te lezen, praktisch niet te realiseren is. Ik spreek vooral over mensen met zware dyslectie-problemen, concentratie moeilijkheden en mensen met een zeer oude leeftijd. Ik persoonlijk heb deze mensen toegestaan om via fonetische tekst (Ivriet in Romeinse schrift, Cyrillische schrif of Georgische schrift te bidden, met uitzondering van ‘Birkot Hashachar’ (ochtendzegenspreuken) ‘Shma’ en ‘Shmonee Esree’ om zo mogelijk te lezen in Hebreeuwse letters en vocalen.

Ik persoonlijk ken geen Orthodoxe en Torah-getrouw gemeenten die de gebeden in de landstaal doen. Dit fenomeen komt alleen voor bij de zogenoemde liberaal-Reform en Masorti gemeenten.
David Eisenstein in zijn beroemde encyclopedie ‘Hotzar Israel’ schrijft dat alle gemeenten die gekozen hebben om ontrouw te zijn aan de ‘Lashon HaKodesh’ zijn ondergegaan en erdwenen zijn.
Die gemeenten die trouw bleven aan het bidden in ‘Lashon HaKodesh’ die bestaan nog altijd.
We laten de eer aan de liberaal-Reform en Masorti-gemeenten om in de landstaal te bidden, maar laten ze zich bewust zijn dat op lange termijn er ernstige consequenties zullen volgen voor de toekomst van hun gemeenten.


The Washington Haggadah (Central Europe, January 29, 1478). Known as the Washington Haggadah because of its presence in the Library of Congress in Washington, D.C., this manuscript is the Library's most important illuminated Hebrew manuscript.

Is de aanspraak van G’d in de ‘Siddur’ mannelijk of vrouwelijk?

  • We spreken Hasjem aan met U (‘Ata’): dit is de nabije G’d, G’d als Vader, het rechtstreekse gebed.

  • Soms spreken we G’d ook aan met Hij (‘Hoe’): men ziet hier meer G’d als Koning.

  • Verder ziet men G’d eigenlijk zowel als ‘Elokiem’ (mannelijk), vader (barmhartig) en

  • als ‘Shechina’ (vrouwelijk, moeder), de G’ddelijke aanwezigheid. (vol liefde en zorg)

  • G-d heeft geen geslacht, dius we mogen Hem zowel mannelijk als vrouwelijk aanspreken. In een traditie van 4000 jaar heeft men G-d altijd in de mannelijke vorm aangesproken, meestal als Vader, Koning, Redder enz. Het is wel op te merken dat sommige feministische groepen die waarschijnlijk een identiteitscrisis hebben en lesbische groepen een oneerbiedige verzoek hebben gedaan om overal G-d als vrouwelijk aan te spreken. Dit is een groffe overtreding tegen de Joodse wet, tradidite en geschiedenis en kan niet door het traditionele Jodendom goedgekeurd worden.
    In Amerika bestaan zelfs synagogen voor homosexuele en lesbische mensen. En zelfs in Nederland in een gemeente in het Westen worden ze geaccepteerd en geknuffeld. Het is overbodig om te zeggen dat dit tegen de Joodse wet gaat en dat deze mensen in zonde leven. Dit kan niet door Torah-getrouw Jodendom goedgekeurd worden.

Een andere vraag is, hoe kan men deze mensen helpen? Dit is boven mijn capaciteit.


Bijbelse namen voor G-d

Rabbijnse namen voor G-d

Hashem ( Adonai)

Hakadosh Baruch Hu

Elokim of Elohim

Hamakom

El

Shechinah

Yah

Hashem Yitbarach Shmo


Het Joodse gebedenboek: de ‘siddur’ (of ‘machzor’).

Het belangrijkste boek voor het bidden in het Jodendom is de ‘siddur’ (of ‘machzor’). ‘Siddur’ betekent ‘orde’, dus ‘orde van de gebeden’ (vergelijk ‘Seder’ van Pesach). Een ‘siddur’ bevat bijna alle gebeden voor het hele jaar, behalve voor de feestdagen. Het gebedenboek voor de feestdagen noemt men ‘machzor’, letterlijk ‘cyclus’. De feestdagen komen namelijk altijd in een cyclus terug. De eerste vorm van ‘siddur’ is reeds in 700 in Babylon ontstaan en is van Rabbi ‘Amram Gaon’ (gestorven 875). Later is de ‘siddur’ uitgebreid.

De ontwikkeling van de Joodse geschiedenis is in de samenstelling van de gebeden op te sporen.

Het Joodse volk heeft een spannende en lange geschiedenis van 4000 jaar. Gedurende 2000 jaar was het Joodse volk verspreid over alle mogelijke landen van de aarde, ofwel in ‘exil’ (gedwongen ballingschap, zoals Exil van Babylom en Exil van Rome), ofwel in diaspora (vrijwillige ballingschap, zoals tegenwoordig).
Een ‘siddur’ hoort in de bibliotheek van elke Joodse mens, zelfs in de auto of werkplaats zal men een exemplaar hebben. En natuurlijk elk lid van de familie zal zijn eigen ‘siddur’ hebben. Een ‘siddur’ is tegenwoordig absoluut betaalbaar, maar natuurlijk bestaan er verschillende kwaliteiten. Van mijn standpunt is het belangrijk een’ siddur’ te hebben met grote Hebreeuwse letters, zodat men het makkelijk lezen kan. Ook van belang is dat de’ siddur’ kwalitatief gebonden is, omdat het veel gebruikt en verplaatst wordt.
Als iemand niet Hebreeuws als moedertaal heeft zal diegene bij voorkeur een interlineaire ‘siddu’r gebruiken.
Ook het Psalmen-boek mag men zien als een gebedenboek. Zeventig Psalmen zijn helemaal of deels in de siddur geïntegreerd. Ook dit boek hoort thuis in een Joodse bibliotheek. Sommige Joodse mensen hebben overal een Psalmen-boek bij de hand op: kantoor, auto en natuurlijk thuis.


Kaligrafisch geïllustreerde ‘Shana Tova’ kaart, waarschijnlijk 1900.


Er ontstonden verschillende versies (‘Nusach’) van de ‘siddur’:


  1. De Asjkenazische versie van de Joden in centraal Europa, voornamelijk Joden in Duitsland, Nederland en Frankrijk, maar ook later in Oost-Europa en het Westen bij niet-Cassidim.
    Deze versie gaat terug volgens liturgische geleerden terug naar ‘Eretz Israel’ waar de Joden in deze versie hebben gebeden. Met de Romeinse ballingschais deze versie via Italië naar Ashkenaz gekomen en is voor lange tijd de dominante ‘nusach’ geweest.
    Deze ‘nusach’ kenmerkt zich door de kortheid en lange traditie die tot de vroege Middeleeuwen terug gat. Bekende religieuze dichters van de Ashkenasische versie zijn
    Yanei, Rabbi Elazar Hakalir (570-640) en Rabbenu Gershon (960-1040), ‘het Licht van de Exil’, Rabbi Shimon Hagadol (gestorven 1020) van Mainz en natuurlijk Rashi ((1040-1105). De Sefardische versie van de Joden die in Spanje en Portugal leefden. Deze versie bestaat alleen fragmentaal in de Portugese synagoges van Amsterdam en Londen en in sommige Balkan-gemeenten, zoals Sarajevo, waar de verdeven Joden uit Spanje en Portugal emigreerden.
    Deze versie is ook vaak met Ladino vermengd, het Jiddisch van de Sefardische Joden.
    Deze versie gaat terug naar Babylom, waar de immigranten van Babylon deze versie naar Spanje en Portugal brachten. Het is een versie die vooral door de lange formulering gekenmerkt is.
    Belangrijke religieuze dichters in deze Sefardische versie zijn Rabbi Shlomo ibn Gabirol (1021-1058), Rabbi Ibn Ezra (1089-1167), Rabbi Yehuda Levi (1075-1141), Rabbi Shalom Shabazi (1619-1720)

  2. In de 16de eeuw ontsond er een nieuwe versie: de Luriaanse versie genoemd naar de grote Kabbalist, de leeuw van de praktische Kabbala, Rabbi Jitschak Luria (1534-1572). (16de eeuw)

Deze versie is bekend als ‘Sfard’.

Deze versie is vooral door de beweging van de Baal Sjem Tov (1698-1760), stichter van het Chassidisme, overgenomen. Dit is de oriëntaalse versie, vooral van Joden uit de Arabische en Noord-Afrikaanse landen.
Tegen deze versie was een grote weerstand uit
niet-Chassidische kringen, zoals de ‘Gaon van Vilna’ (1720-1797), Rabbi Yechezkel Landau (1713-1793) van Praag vernoemd naar zijn responsawerk ‘Noda Biyhuda’ en van alle bekende Ashkenasische Rabbijnen in West-Europa.

‘Machzor’ Worms, 13e eeuw


In het synagogale ‘Ievriet’ bestaan hoofdzakelijk twee uitspraken:

  • de ‘Sefardische’, die ook het moderne ‘Ivriet’ geadopteerd heeft en die vooral in a-klank dominant is. (zoals Spaans of Italiaans)

  • de Asjkenazische of Midden-Europese uitspraak die vooral de o-klank heeft. (zoals Duits en Nederlands)

In mijn werk Halacha Aktuell schrijf ik in lengte over de controverse of men mag veranderen van traditionale uitspraak die men van huis uit mee kreeg.
Onder de vers ‘Hoor mijn zoon’, verlaat niet de traditie van je ouders’ pleiten
Halachisten van de 20e eeuw, zoals Rabbi Yitzchak Hakohen Kook (1865-1935). en Rabbi Benzion Chai Uziel (1880-1953), beide Hoofdrabbijnen van Israel, dat men zijn traditie niet verlaten zal en in zijn oorspornkelijke uitspraak bidden zal. Dus een Asknenasi zal in de Ashkenasische uitspraak bidden en een Sefardi in de Sefardische uitspraak.

Hier, in West-Europa, wordt vooral met de Asjkenasishe uitspraak gebeden. In Israël en ook Frankrijk wordt vooral met de Sefardische uitspraak gebeden.

In mijn werk “’Halacha Aktuell vol. I pag. 295-304 ‘Ist die Veränderung der Gebetsaussprache zulässig’?’ behandel ik deze thematiek en na lang overleg concludeerde ik dat iedereen zich moet aanpassen aan de overheersende uitspraak van de synagoge. Privé kan natuurlijk het gebed ‘gedavvend’ (gebeden) worden in de taal die binnen het gezin gebruikelijk is.
Voor ‘Gerim’ ( mensen die tot het Jodendom zich aangesloten hebben) bestaat niet het probleem van ‘Hoor mijn zoon, verlaat niet de traditie van je ouders’, want zij hebben geen traditie van bidden thuis wat betreft de ‘tefilah’ en zij mogen kiezen of de Ashkenasische of Sefardische uitspraak te gebruiken.
Persoonlijk leer ik mijn studenten voor het opname in Het Jodendom de Sefardische uitspraak, omdat het gemakkelijker is te leren en subjectief vind ik dat dit de mooiere uitspraak is.


Siddur manuscript, Duitsland, eind 15e eeuw

De ‘Chazan’ of Cantor


Je kan alleen thuis bidden of in gemeenschap in de synagoge. Het Jodendom acht het gemeenschappelijk gebed het krachtigst en meest belangrijk. Volgens de Talmud houdt G’d van het bidden in of met de gemeenschap, omdat Israël solidair en verbonden in eenheid moet zijn.

Een belangrijke rol in het gemeenschappelijk gebed wordt ingenomen door de cantor of ‘chazan’. De ‘chazan’ is een vertegenwoordiger van de gemeente en moet een perfecte leesvaardigheid bezitten, een mooie melodische stem hebben en vooral een religieus man met smetteloze reputatie zijn. De ‘chazan’ moet bovendien geaccepteerd zijn door de meeste leden van de gemeente, iets wat niet altijd vanzelfsprekend is. ‘Chazan’ en gemeente vormen samen een team. In de Asjkenazische gemeenschap leidt de ‘chazan’ de gemeente in die zin dat hij de liederen en gebeden begint en eindigt, zodat de gemeente kan volgen.

In de Sefardische gemeenschap vormen ‘chazan’ en gemeente één geheel. Dit betekent dat iedereen alle gebeden en liederen samen zegt en –zingt, alleen is de stem van de ‘chazan’ luider. Op die manier duurt de dienst veel langer.


‘Chazan’ Yossele Rosenblat ‘Chazan Zevulun Kwartin ‘Chazan’ Benjamin Muller
(1882-1933) (1874-1952) (1948-)


De ‘chazan’ staat in de Asjkenasische gemeente direct voor de ‘Heilige Ark’, om zo dicht mogelijk bij de Torah-rol te staan. In vele historische synagogen zoals de synagoge van Rashi in Worms (10de eeuw) of de synagoge van Praag (12de eeuw) staat de ‘chazan’ iets dieper. Dit omdat er staat in psalm 130: ‘Vanuit de diepte roep ik voor U’. Bij de Sefardische synagoge is de plaats van de ‘chazan’ aan de ‘bima’ (waar de Torah-lezing gebeurt). Dit is akoestisch en optisch de beste plaats.

Alle synagogen zijn gebouwd richting het oosten, omdat wij het hoofdgebed ‘Shmoneh Esreh’ in de richting van Jeruzalem bidden. Dit is gebaseerd op het gebed van koning Shlomo die, bij de inwijding van de Eerste Tempel, G’d vraagt alle gebeden die de mensen richten naar dit huis te accepteren. Interessant is te vertellen dat in Babylon en in de land op het zuidelijk halfrond bdit men richting het westen, omdat Jeruzamem vanuit deze locaties gezien in het westen ligt.

Ook bestaan er niet professionele voorzangers, bekend als ‘ba’al tefillah’ (meester van het bidden) en ‘shliach tzibur’ (gezante van de gemeenschap). Deze mensen doen het bidden vrijwillig zonder salaris te ontvangen. Vele van hen hebben een goede melodische stem en dienen als vervangers voor ‘Chazan’ of Cantor en meestal zijn ze bekend als ‘Chazan Sheni’.
Een aparte functie is die van de Torah-voorlezer (Ba’al Koree’). Deze taak verlangt een goed herinneringsvermogen en veel tijd om te herhalen, omdat de tekst van de Torah geen vocalen, punctuaties en zangnoten heeft .

Algemeen eten we niet voor het bidden, alleen een koffie of een koek mag genuttigd worden.


Bespreking van enkele gebeden


In het kader van dit essay is het niet mogelijk de talrijke gebeden te bespreken. Daarom beperken we ons tot een paar bijzondere gebeden die we benaderen vanuit vogelperspectief.

De belangrijkste gebeden in het Jodendom zijn het ‘Sjema’ en het ‘Shmoneh Esreh’. Het ‘Shema’ is een Torah-plicht, het ‘Shmoeh Esreh’ een rabbijnse plicht.

Het ‘Shema’-gebed is het enige gebed dat in zijn geheel in de Torah staat m.u.v. van 2 kleine zinnen. Het ‘Shema’gebed is tevens het enige gebed wat een plicht is van de Torah (Deut;6:7); ’s avonds (als je zich neerlegt) en (als je opstaat).
De Rabbijnse interpretatie van deze twee uitdrukkingen is dat de plicht van ‘Shema’ ‘’als de mensen zich gewoon neerleggen’’ geldt voor de hele avond tot middernacht en ‘’als je opstaat’’ geldt voor de hele morgen tot een bepaalde tijdstip, die men in een goede Joodse kalender kan vinden.

Het eerste deel van het ‘Shema’-gebed is het erkennen van een goddelijke koninkrijk (‘Malchut Shamayim’) en de eenheid van G-d.
Het eerste deel is in het enkelvoud geschreven en richt zich tot het individu. Het ‘Shema’-gebed kan zowel in de synagoge als privé gebeden worden. Als men het in privé bidt dan begint men met de drie woorden: G-d, betrouwbare Koning.
De reden hiervoor is dat het ‘Shema’-gebed uit 248 woorden bestaat, voor elk bot van de mens één woord. Als we niet alleen bidden, missen we de drie woorden die de ‘chazan’ aan het eind van het gebed herhaalt. Daarom worden deze drie woorden als we privé bidden aan het begin van het ‘Shema’-gebed gezegd.

De sleutelzin van het ‘Shema’-gebed is ‘’Hoor Israel, de Eeuwige is onze G-d, de Eeuwige is Een’’ (Deut;6:4). Deze zin is de geloofsbelijdenis van het Joodse volk.
Niet alleen bij het ‘Shema’-gebed wordt deze zin gezegd, maar ook bij de besnijdenisceremonie van een baby en bij het laatste moment van een mens op aarde en verder bij de ‘Kedusha’ van Shabbat Musaf. Toen de Romeinen verboden om Torah te leren, hebben de Joodse mensen deze ‘key sentence’ van het Jodendom in het gebed toegevoegd.
Het is interessant om te vermelden dat deze zin in het Hebreeuws exact 6 woorden bevat. Dat doet ons denken aan de 6 miljoen slachtoffers van de ‘Shoah’ die in de gaskamers of bij andere gruwelijke doodsmethodes van de nazis, deze 6 woorden hebben uitgesproken. Dit was hun laatste zin vlak voor dat ze op geweldadige wijze om het leven zijn gebracht
.

Bij het eerste woord ‘Shema’ is de letter ‘ayin’ groot geschreven en bij het laatste woord ‘Echad’ is de ‘dalet’ ook groot geschreven.
De twee letters samengevoegd geeft het woord ‘ed’ en betekent getuigenis.
Het woord ‘Echad’ betekent dat Hashem de Enige is in deze wereld en kosmos.

Wie heeft deze zin gesproken?
Volgens de meeste commentatoren was het Moshe zelf en zei: ‘’Hoor Israel, onze G-d is Een’’.
Het woord ‘Shema’ kan ook anders geïntrepreteerd worden: ‘’Begrijp Israel, onze G-d is Een’’. We vinden ook dat het woord ‘horen’ de connontatie heeft van het woord ‘begrijpen. ‘’We zullen doen en horen’’ Ex.
Hier is de betekenis van ‘horen’ te verstaan als ‘ begrijpen’.

Volgens de Rabbijnen in Midrash: wanneer stamvader Yakov voor het sterven zijn zonen verzamelde en vroeg: ‘’Geloven jullie in één G-d?’’ antwoordden ze allen samen: ‘’Hoor Israel (erenaam van Yakov), onze G-d is Een’’ (Tal.Bav Yuma 35B;Ta’anit 16B en Rashi op Deut;32:3).
Daarop sprak Yakov uit dankbaarheid dat al zijn kinderen in één G-d geloven: ‘’ Geprezen de Naam van Zijn koninklijke Majesteit voor alle eeuwigheid’’.
Deze zin staat in het ‘Shema’ en daarom wordt het zachtjes uitgesproken. Op Yom Kippur spreken we het luid uit, omdat op Yom Kippur we als engelen zijn aangezien we op deze dag alle fysische behoefts op het minimum houden.
Deze zin is volgens de Kaballah de hoofdzin van de engelen.

In de eerste afdeling van het ‘Shema’ komen meerdere basis-‘Mitzvot’ van het Jodendom aan bod:

  1. De absolute liefde van Hashem: ‘’ U moet de Eeuwige uw G-d houden met heel je hart, met heel je ziel en met al je bezittingen’’ (Deut;6:5).
    De grote exegeet Rashi (1040-1105) verklaar deze zin als volgt:
    ‘Met heel je hart’ de goede neiging (‘yetzer hatov’) laten heersen over de slechte neiging (‘yetzer hara’).
    ‘Met heel je ziel’ bereid zijn om te sterven voor het geloof in één G-d.
    ‘Met al je bezittingen’ zelfs als een mens zijn vermogen meer waardeert dan zijn lichaam, hoeft hij niet al zijn toebehoringen te houden.
    De klassieke commentatoren stellen de klassieke vraag: ‘’Hoe kan men liefde bevelen?’’ Als dat bij mensen niet kan, dan zeker niet bij G-d.
    Het antwoord dat ik van mijn Rebbe en leraar hoorde, is dat er twee soorten van liefde bestaat: liefde op het eerste gezicht en liefde dat zich ontwikkelt.
    Hier spreekt de Torah van laatstgenoemde liefde.
    Als je zich bezighoudt met Torah en Mitzvot zal dat zeker leiden dat je van Hashem gaat houden op alle niveaus.

  1. De Torah spreekt van de plicht ‘je moet deze woorden voor je kinderen telkens weer herhalen en overspreken’ (Deut;6:7). Dus hier is de plicht van ons, als ouders, te zorgen dat onze kinderen de woorden en geboden van de Torah kennen en vervullen en zodoende voor continuïteit zorgen.
    Onze grote exegeet Rashi (1040-1105) verklaart dat kinderen niet
    alleen je biologische kinderen zijn, maar ook je leerlingen.
    Het liefst zal iedereen zijn kinderen Torah leren, maar niet iedereen is een geboren leraar of onderwijzer. En daarom schrijft Rashi: ‘Je kinderen, je leerlingen’.

    Mijn vader zaliger, Rabbi Shmuel Yosef Daum (1924-2003), s.z.l., een gerenommeerde uitstekende pedagoog, vertelde mij altijd het volgende:
    Er zijn drie soorten van kinderen
    1. Je eigen biologische kinderen, kun je niet kiezen en zijn een geschenk van G-d, maar niet altijd beleef je vreugde van hen. Soms vervullen zij niet je verwachtingen.
    2. Je leerlingen en studenten, deze kan je wel kiezen en vooral geestelijk vormen, zodat zij in hun verdere leven een deel van je geestelijke erfenis met zich meedragen.
    3. Boeken of ‘Seforim’ die door jezelf geschreven zijn voor ‘de eeuwigheid’, namelijk je leer, ideën en gedachtegoed zal lang nadat je niet meer op deze wereld bent nog verder mensen beïnvloeden en in de geest van de Torah vormen.


Het gaat om de plicht van de ouders om te zorgen dat hun kinderen in geest van Torah en Mitzvot opgroeien en zich ontwikkelen. Dit bevordert het opbouwen van Joodse scholen en Joods les. Joods onderwijs is niet gratis. Mensen hebben geld voor paardrijden, muziekles en sport, maar als het aankomt op elementaire basis Joods onderwijs, verwacht men dat dit gratis zal zijn. Spijtig is in onze wereld niks voor gratis. Dit geldt voor religieus onderwijs voor kinderen, maar ook voor volwassenen.


  1. Verder staat in het ‘Shema’ geschreven: ‘’Je zult van de Torah spreken thuis, als je onderweg bent, als je gaat slapen en als je opstaat’ (Ibid). Met andere woorden vraagt de Torah van ons om in alle levenssituaties Torah te leren. Het leren van Torah is omonstreden de belangrijkste Mitzva van het Jodendom. Het gaat hier niet om een intellectuele discipline. Het gaat vooral om het feit dat als de mens Torah kent, kan hij de Mitzvot juist vervullen. Daarom staat ook in de Mishna die we elke dag citeren: ‘’En Talmud Torah (het bestuderen van de Torah) weegt op tegen alle Mitzvot (Mishna Pe’Ah 1:1).
    Het grootste gevaar van het Jodendom is ontwetendheid, dit is de hoofdreden voor assimilatie en verwatering van het Jodendom.
    Dit is de ‘stille Shoah’, dat sinds W.O. II meer slachtoffers heeft gemaakt dan de ‘Shoah zelf.
    Alleen met het idee van de profeet Yechezkel: ‘’En al je kinderen zijn geleerden Gods’’ kunnen we zeker zijn dat onze erfenis continuïteit heeft, ook na ons.


D. ‘’Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd’’ (Deut;6:8).
Het gaat hie rom de basis-‘Mitzva’ van gebedsriemen die de religieuze Joodse man elke dag, behalve Shabbat en Feestdagen, bindt om zijn arm en op zijn hoofd draagt.
Deze gebedsriemen noemen we ‘Tefillin’, omdat men ze tijdens ‘Tefillat Shacharit’’ (ochtenddienst) draagt. De zaak wordt Tefillah en in Rabbijns Hebreeuws in het meervoud, Tefillin.
De Torah spreekt hier van binden (‘ukshartim’). Binden is een metafoor van iets dat altijd bij ons blijft.
Koning Shlomo als hij over de G-ddelijke wijsheid spreekt, zegt hij: ‘’Schrijf mij op Uw hart’’ (Spreuken 3:3).

We binden de ‘Tefillin’ op de linkerarm tegenover ons hart. Zo laten we zien dat al onze gevoelens en emoties (hart) tijdens het leggen van Tefillin aan Hashem zijn gewijd.
De linkerarm is normaal gesproken de zwakkere arm. Naast bovenstaande verklaring brengt de ‘Shulchan Aruch’ nog een andere verklaring: na de stoelgang, gebruiken we de recherarm om ons proper te maken, en niet de linkerarm.
Hand is ook een symbool voor actie en doen. Met het leggen van ‘Tefillin’ zeggen we dat al onze acties aan Hashem zijn gewijd.
De Torah noemt de Tefillin op de arm een teken (‘Ot’). In het Ivriet kan men het woord ‘Ot’ ook met het woord getuigenis vertalen.

De Joodse man is altijd met twee getuigen omringd:
1. Met de ‘Brit’ (besnijdenis) vanaf de 8
ste dag na de geboorte, omdat de ‘Brit’ een teken (‘Ot’) is tussen Hashem en het volk van Israel
2. Op werkdagen draagt hij ‘Tefillin’, die in de Torah ook wel ‘Ot’ genoemd wordt.
3. Shabbat wordt in de Torah als ‘Ot’ tussen Israel en G-d genoemd.
Daarom is de Joodse man altijd begeleid met 2 getuigen die zijn verbondenheid met G-d onderstreept.

De ‘Tefillin shel Rosh’ (Tefillin voor het hoofd) wordt gelegd op het voorhoofd, op de plek waar onze hersenen zich bevinden.
De hersenen zijn het symbook van intellect, denken en gedachten.
Met het dragen van ‘Tefillin’ voor het hoofd geven we te verstaan dat al ons denken tijdens het leggen van Tefillin aan Hashem gewijd is.
Het is opmerkelijk dat de Torah begint met het gebod van het leggen van ‘Tefillin’ op onze arm en dan het leggen van ‘Tefillin’ op ons hoofd.
De Torah wil ons zeggen dat daden (hand) een duidelijkere taal spreken dan mooie woorden en gedachten (hoofd).

De plicht om ‘Tefillin te leggen begint met ‘ Bar Mitzva’, vanaf de tijd dat de jonge mens zijn lichaam en gedachten rein kan houden.
Het is de tweede Mitzva van de Torah die hij als religieus volwassene vervult. De eerste is het lezen van ‘ Shema’ ’s avonds.
De Lubavitcher Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneersohn (1902-1994), heeft zijn ‘Chassidim’ opgedragen om elke Joodse man de verdienste te geven om minstens 1x in zijn leven Tefillin te hebben gelegd.
De reden is duidelijk, omdat in de Talmud staat dat Joodse mensen die nooit ‘Tefillin’ in hun leven hebben gelegd ‘Poshim’ (opzettelijke zondige lmensen) worden genoemd en dat die geen aandeel hebben in de ‘toekomstige wereld’.
Daarom kan men Lubavitcher jonge mannen overal zien in straten, stations, vliegvelden enz. die proberen mensen met een Joods uiterlijk proberen over te halen om ‘Tefillin’ te leggen.
‘Tefillin’ is ook een basis-Mitzva om de graad van religieuze betrouwbaarheid af te lezen.
Naast Shabbat en Kashrut is het 3
de Mitzva die tot de zogenoemde kern-Mitzvot behoort.
Een laatste gedachte: als we ‘Tefillin’ dragen dan dragen we op ons lichaam een belangrijke deel van de Torah.

E. De laatste Mitzva in de eerste afdeling is: ‘’Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad’’ (Deut;6:9).
Deze Mitzva noemen we ‘Mezuza’ en dit betekent deurposten.
De eerste keer dat we ‘Mezuza’ in de Torah tegenkomen, is in Exodus
Daar vraagt de Torah om de deurposten (‘Mezuzot’) met het bloed van het Pesach-lam te markeren, zodat de Doodsengel de huizen van de Israelieten overslaat en de Israelitische eerstgeborenen gered worden.
Dus primair zien we dat de functie van ‘Mezuza’ hier fysische bescherming is.
De Zohar verklaart de ‘Mezuza’ als bescherming tegen spirituele en fysisch gevaar en ziet in het woord ‘Shaddai’, wat op elke ‘Mezuza’ te zien is in de vorm van de letter ‘shin’, een accroniem voor: ‘
Shomer Daltot Yisrael’, wat in het Nederlands ‘de bewaker van de poorten van Israel’ betekent.

De ‘Mezuza’ is verplicht voor de ingangsdeur en voor elke kamerdeur, behalve toilet en badkamer. Het wordt aangebracht aan de bovenste deel van de linker deurpost in een diagonale positie (Askenasim) of recht (Sefardim).

Naast de beschermde functie van de ‘Mezuza’ is natuurlijk ook het idee dat een belangrijke deel van de Torah in elke kamer met ons is.
Het is belangrijk om te verlden dat Mezuzot bij een betrouwbare ‘Sofer’ of handelaar moet worden gekocht. Net als bij ‘Tefillin’ zijn er ‘Mezuzot’ in omloop die niet kosher zijn en met als gevolgd dat men de Mitzva niet vervuld heeft.
Spijtig moeten we erop wijzen dat er vervalsingen bestaan, dankzij bedrijgers en geldzuchtige mensen.

Tweede afdeling van Shema ‘Vehaya Im Shamoa Tishmu’

Deze afdeling gaat over ‘Kabbalat Mitzvot’ (opname van alle Mitzvot van de Torah). Dit is ook een van de drie non-plus- qua voorwaarden dat we vragen van elke ‘Ger’/’Giyoret’ die zich wil aansluiten bij ons geloof en volk.
Opvallend is dat de hele afdeling in het meervoud is geschreven. Dus richt deze afdeling aan de gemeenschap en niet aan het individu.
De belangrijkste notie is ‘loon en straf’, wat ook te vinden is in de ‘Dertien Geloofprincipes van Maimonides’.


De Torah belooft loon als we de Mitzvot volgen, bijvoorbeeld belooft de Torah genoeg eten voor en onze dieren, genoeg regen op zijn tijd enz. Omgekeerd als we niet de Torah volgen of als we afgoden dienen dan zal Hashem ons verbannen van ons land, omdat we alleen recht hebben op het land van Israel standpunt van Hashem en de Torah als we de Torah en ‘Mitzvot’ naleven.
Het is belangrijk hier te onderstrepen dat de verbanning en de exil van het Joodse volk in het jaar 70 n.d.g.j. een straf was van het niet volgen van Torah en ‘Mitzvot’. Andes dan conservatieve christenen ons doen willen geloven dat het een straf was van het niet accepteren van Jezus en de christelijke leer, we moeten benadrukken dat dit een onzinnige hypothese is. Voor echte kenners van het Jodendom is het evident dat de exil naar Rome kwam door grove overtredingen en immoraliteit aan het eind van de Tweede Tempel. Trouwens kan men in vraag stellen of de exil naar Europa een straf was. Volgens mij door de exil van de Joden naar Europa en de rest van de wereld hebben vele concepten van de Torah de volkeren der wereld beinvloed, zoals het Shabbat-idee, ouderering, niet moorden, liefdadigheid en mensenliefde enz.
Volgens de Talmud is de exil ook bedoeld dat ‘Gerim’ de gelegenheid zullen hebben zich aan het Joodse volk te sluiten.
Objectief gezien, zouden wij niet in exil zijn geweest dan zal waarschijnlijk het lot van ons volk hetzelfde zijn als dat van Levatinisch volkeren die geen component van hun glorijke verleden representeren, zoals Egypte, Phoenecié, Arameeérs, Filistijnen. Deze volkeren zijn helemaal geassimileerd en men kan zich moelijk voorstellen dat 2000-3000 jaar geleden deze volkeren een grote culturele en wetenschappelijke rol hebben gespeeld.


Wat betreft loon, zo leert de Mishna ons dat we Hashem niet zullen dienen om het loon te krijgen voor het doen van een Mitzva, maar om puur om de ‘Mitzva’ zelf. Omgekeerd zegt de Mishna dat we geen ‘aveira’ (overtreding) doen niet vanwege de mogelijke straf van de overtreding, maar wegens de overtreding zelf.

Men vertelt over de legendarische ‘Gaon van Vilna’ dat een keer kort voor Sukkot er een tekort aan ‘etrogim’ (belangrijkste fruit van van het feestboeket van Sukkot). Overal heeft de gemeente van Vilna gezanten gestuurd om een ‘etrog’ voor de ‘Gaon van Vilna’ te bezorgen, maar tevergeefs. In de allerlaatste minuut voor het feest vond men een prachtige ‘etrog’ bij een zakenman die in een hotel verbleef. Men vroeg de bezitter van de ‘etrog’ het te verkopen voor een zeer hoge prijs, om de ‘Gaon van Vilna’ een ‘ etrog’ voor Sukkot te bezorgen, maar de zakenman weigerde. Hij stond erop dat de loon voor de vervulling van de ‘Mitzva’ van het feestboeket (‘etrog’) zal geheel aan hem toegeschreven worden. Zonder een andere keus te hebben, hebbend e gezanten toegestemd met deze voorwaarde. Als men de prachtige ‘ etrog’ aan de ‘Gaon van Vilna’ bracht en hem van de voorwaarde van de oorspronkelijke bezitter vertelde, was de ‘Gaon’ blij en vrolijk. Hij zei deze Sukkot zal ik de ‘Mitzva’ van ‘etrog’ alleen voor de ‘Mitzva doen’, maar niet om het loon.


De derde sectie begint met de zin ‘Vayomer Hashem el Moshe lemor’. Deze afdeling staat in Numeri 15:37-41 en spreekt over twee belangrijke ‘Mitzvot’: over ‘Tzitzit’ en het gedenken van de uittocht uit Egypte.
Het woord ‘Tzitzit’ wordt algemeen met de numerische waarde van de totaliteit van alle ‘Mitzvot’, 613 aangezien.
Als we de numerische waarde van het woord ‘Tzizit’ berekenen, komen we uit op 600. Hoe is het mogelijk dat bij ‘Tzitzit’ we van het getal 613 spreken?
Inderdaad het woord ‘Tzizit’ heeft een numerieke waarde van 600, maar elke van de 4 hoeken van de ‘Tzitzit’ heeft 8 draadjes en 5 knopen. En zo wordt het woord ‘Tzitzit’ correct geassocieerd met het getal van 613.
De Torah spreekt dat aan elk hoek van witte draadjes een ‘Techelet’ (hemelsblauw draadje) aangebracht zal worden. In de loop van de 2000 jaar ballingschap van het Joodse volk is de traditie van de hemelsblauwe kleur ‘Techelet’ die van een slak genomen wordt, is verloren gegaan. 150 jaar geleden heeft een grote Chassidische Rebbe, Rabbi Gershon Chanoch Leiner (gestorven 1890 ), bekend als de Radziner Rebbe, heeft zich de moeite genomen deze slak met de ‘Techelet’ te vinden. Hij vond het aan de Italiaanse Middenlandse Zee en hij heeft daarover een grote Halachische werk geschreven, genaamd ‘Techelet’.


Zijn Chassidim droegen een draadje van ‘Techelet’ aan elke hoek van hun ‘Tallit’ en ‘Tzitzit’.
Ook het moderne Zionisme heeft zich bediend met de ‘Tzitzit’ en ‘Techelet’. Op de zesde Zionistische Congres zochten ze een passende vlag en kleur voor de nieuwe beweging en de latere staat van Israel. De voorzitter van het Zionistische Congres, David Wolffsohn (1856-1914), kwam op het idee dat de kleur van de vlag van de beweging en later de staat Israel, blauw en wit zal zijn, dezelfde kleur als ‘Tzitzit’ wat ons aan Hashem herinnert. Zo is het geschreven bij de afdeling van Tzitzit: ‘’wanneer jullie die zien, zullen jullie denken aan alle geboden van de Eeuwige en ze ook volbrengen’ (Numeri, 15:39).

De ‘Tzitzit’ worden ook wel ‘Arba Kanfot’ (vier hoeken) genoemd of ‘Tallit Katan’ ( kleine Tallit). Elke volwassen Joodse man is verplicht om dagelijk de ‘Tzitzit Katan’ te dragen. Ook jongens vanaf drie-jarige leeftijd zijn verplicht ‘Tzitzit’ te dragen, vanwege de religieuze opvoeding (‘Chinuch’), natuurlijk aangepast aan hun lengte. Sommige Joodse mensen dragen hun ‘Tzitzit’ open, dit waarschijnlijk is te verklaren dat in samenhang met ‘Tzitzit’ is de uitdrukking: ‘u zult zien’. Deze letterlijke opvatting worden door velen niet gedeeld en zo dragen modern-orthodoxe mensen de ‘Tzitzit’ onder de hemd. We willen ook hier een beroemde ware gebeurtenis geven: Als de ‘ Gaon van Vilna’ kort voor zijn sterven stond, weende hij bitter. Zijn leerlingen dachten dat hij zo sterk weende omdat hij vrees had om te sterven. Ze probeerden hem een beetje te troosten, maar de ‘Gaon van Vilna’ verklaarde zijn wenen als volgt: ‘’ in deze wereld kan ik voor een paar ‘ roebels’ een ‘Tzitzit’ kopen en elk minuut dat ik dit draag, kan ik een belangrijke ‘Mitzva’ doen, maar in de ‘komende wereld’ kan ik geen enkele Mitzva meer doen. En daarom ben ik triestig en ween ik zo jammerlijk’’.



De derde sectie sluit met het belangrijke gebod om altijd zich te herinneren dat Hashem ons uit Egypte verlost en bevrijd heeft. Deze ‘Mitzva’ komt meermaals voor in de Torah en is een fundament van het Jodendom. We hebben een van ons belangrijkste feesten, Pesach’, gewijd aan deze ‘Mitzva’ om de uittocht uit Egypte te herbeleven en niet te vergeten.
Naast de lezing van ‘Shema’ met de opmerking van het gedenken van de uittocht uit Egypte, en bij elke Kiddush op Shabbat en Feestdagen herinneren we ons de uittocht uit Egypte. Een van de redenen waarom we Shabbat vieren, is om ons te herinneren dat we verlost zijn van de slavernij uit Egypte. Ook het leggen van ‘Tefillin’ is verbonden met de uittocht uit Egypte. Zo staat de exodus uit Egypte in alle 4 afdelingen van de Torah die zowel in de ‘Tefllin’ van de hand als het hoofd te vindenzijn. Men mag de kritische vraag stellen waarom neemt de uittocht van Egypte zo een dominante plaats in het Jodendom?
In de exodus uit Egypte heeft G-d geinterveneerd op een zo intensieve wijze tegen de wetten van de schepping en de natuur in, om het volk Israel te redden van een totale assimilatie. We kunnen in de exodus uit Egypte de geboorte van het volk Israel zien. We zijn een volk geworden bij de ontvangst van de Torah op de berg Sinaï, maar zeker was de exodus uit Egypte een voorwaarde om de Torah op berg Sinaï te ontvangen. Als gevolg van de exodus hebben we de Torah ontvangen en later ook ‘Eretz Israel’.
De herinnering aan de eerste verlossing uit Egypte geeft ons hoop en vooruitzicht op de toekomstige Messiaanse verlossing. In de ‘Haggada’ van Pesach wordt vastgelegd dat het een plicht is om elke dag ’s avonds en ’s morgens aan de uittocht uit Egypte te herinneren: ‘’opdat jij je zult herinneren de dag van je uittocht uit Egypte, al de dagen van je leven’’ (Deut;16:3)


Het ‘Shmoneh Esreh’

Dit Rabbijnse hoofdgebed wordt algemeen in de Rabbijnse literatuur ‘Tefilah’ genoemd. De Grote Synode heeft dit gebed 2500 jaar geleden samengesteld. De formulering baseert zich meermaals op uitdrukkingen in de Heilige Schrift, maar meestal is het Rabbijns Hebreeuws van de hoogste kwaliteit. Elk woord is bedacht en geen enkel uitdrukking of woord is overbodig.
De betekenis ‘Shmoneh Esreh’ gaat terug op de historische 18 zegeningen. Eigenlijk zijn het niet 18 zegeningen, maar 18 gebeden die of met het woord ‘Baruch’ (gezegend) beginnen en eindigen of soms alleen eindigen met het woord ‘Baruch’. Ook de term ‘Shmoneh Esresh’ (18) is misleidend omdat met de komst van de Judeo-Christenen en andere afsplitsingen van het Torah-getrouw Jodendom was het noodzakelijk dat de Rabbijnen nog een extra gebed ( de 19
e) tegen de afvalligen,ketters en verraders toevoegden. Dus correcter wijze zal men spreken van 19 gebeden of ‘brachot’, maar de historische benoeming heeft zich doorgezet.
Op Shabbat en Feestdagen hebben we alleen 7 zegeningen of gebeden. Op Mussaf van Rosh Hashana hebben we 9 zegeningen/gebeden en toch spreken we van ‘Shmoneh Esreh’ van Shabbat, ‘Shmoneh Esreh’ van Feestdagen en ‘Shmoneh Esreh’ van Rosh Hashana en Yom Kippur.
De term ‘Shmoneh Esreh’ wordt meestal door Ashkenasische Joden gebruikt.

Sefardische Joden gebruiken de term ‘Amidah’, dit verwijst naar de belangrijkheid van het ‘Shmoneh Esreh’ dat het staand gebeden wordt door gezonde mensen.
Vele belangrijke gebeden, zoals ‘Kiddush’ en ‘Kaddish’ worden staand gebeden. Net zoals we horen te staan voor een wereldse rechter, moeten we ook staan voor de hemelse Rechter.

Een andere term is ‘het stille gebed’ of ‘Tefillah Be’lachash’. Deze term gaat terug op Chana, de moeder van de profeet Shmuel. Als zij een gebed bij de Tabernakel aan G-d richt, staat het volgende geschreven: ‘’ze bad namelijk in stilte: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet te horen’’ (Samuel I, 1:13).
De Rabbijnen hebben van deze vers geleerd dat we het hoofdgebed in stilte moeten bidden, om onze medemens niet te storen hun aandacht.

Het was me gegund om grote Rabbijnen te zien hoe zij het ‘stille gebed’ uitvoerden. Mijn Rebbe en mentor, Rav J.B. Soloveitchik (1903-1993) en de laatste Lubavitcher Rebbe, Rav Menachem Mendel Schneersohn (1902-1994) als zij het ‘stille gebed’ uitvoerden, stonden zij zoals een soldaat voor zijn koning. Ze stonden kaarsrecht en alleen de lippen bewogen zich en altijd hebben ze uit een Siddur gebeden, ofschoon ze natuurlijk ‘Smoneh Esreh’ uit het hoofd kenden, wilden ze zelfs niet één woord of letter missen.
Voor meer informatie over deze twee persoonlijkheden, bekijk onze essays:
http://www.bestjewishstudies.com/sites/all/P1/Rabbi%20Joseph%20Ber%20Soloveitchik.pdf en
http://www.bestjewishstudies.com/sites/all/P1/LubavitcherRebbe.pdf


Behalve het avondgebed (‘ Ma’ariv/’Arvit’) als we in gemeenschap bidden (‘minyan’) wordt ‘Shomeneh Esreh’ herhaald. De Hebreeuwse term is ‘Chasarat Ha’shatz’, de herhaling van het ‘Shmoneh Esreh’ door de voorbidder.

Waarom wordt dit gebed door de ‘chazan’ herhaald?

  • Voor de uitvinding van de boekdrukkerij was er slechts een ‘siddoer’/’machzor’, dit was voor de ‘chazan’. Niet alle mensen konden echter het ‘Shmoneh Esreh’ van buiten zodat de ‘chazan’ dit herhaalde.

  • Er kwam, hoewel zelden, soms een analfabeet en daarom koos men een ‘chazan’ die de gebeden voor die mensen voorlas. Analfabeten kwamen bijna niet voor in het Jodendom vanaf de tijd van de Mishna (200) doorheen de middeleeuwen, omdat het leren lezen en schrijven van het Hebreeuws daar als fundamenteel gezien wordt.

  • Soms hebben de mensen niet de nodige aandacht in het stille gebed en het luisteren naar de ‘chazan’ en het antwoorden met ‘amen’ kan dit tekort weer goedmaken.



De Rabbijnen zijn bij het hoofdgebed ‘Shmoneh Esreh’ uitgegaan van de conceptie dat ‘Shmoneh Esreh’ een ontmoeting is tussen de Joodse mens en de Koning aller Koningen, Hashem.
Bij een sterfelijke koning is de gewoonte eerst de koning te loven, dan een verzoek in te dienen en om dankwoorden uit te spreken aan het eind van de audi
ëntie.Bovendien was het de gewoonte om te bukken voor een sterfelijke koning.
Volgens dit schema hebben de Rabbijnen het hoofdgebed ‘Shmoneh Esreh’ samengesteld en geformuleerd.

De Mishna in traktaat ‘Berachot 30B’ vertelt ons dat de eerste vromen (‘chassidim’) een uur aan het mediteren waren voor het hoofgebed ‘Shmoneh Esreh’. De meeste van ons zijn dit niet in staat en hebben ook niet de nodige tijd om te mediteren voor het ‘Shmoneh Esreh’. Misschien, en dit is alleen mijn aanname, dienen de zogenaamde ‘Pesukei D’Zimrah’ (selectie van lofpsalmen) om ons in de juiste stemming te brengen voor het hoofdgebed ‘Shmoneh Esreh’.

We beginnen elke ‘Shmoneh Esreh’ met een vers uit de psalmen: ‘’Heer, open mijn lippen en mijn mond zal loof over u verkondigen’’. (Ps.51:17)
In de tien dagen van ‘Teshuva’ komen er nog in ‘Smoneh Esreh’ 5/6 toevoegingen, die wij zowel in het ‘stille gebed’ als in de herhaling door de ‘chazan’ zeggen.

De eerste drie zegeningen/gebeden zijn lofzegeningen. Aan het begin en einde van de eerste ‘bracha’ zal men bukken.
De eerste ‘bracha gaat over de bond tussen Hashem en onze stamvaders Avraham, Yitzchak en Ya’akov. G-d wordt hier geloofd, omdat hij rekening houdt met de weldaden van onze voorvaderen.
De eerste ‘bracha’ eindigt met de woorden: ‘Gezegend U Hashem, de Schild van Avraham’. Twee opmerkingen over deze ‘bracha’:

Hier wordt onderstreept dat Hashem de G-d is van Avraham, de G-d van Yitzchak en de G-d van Ya’akov. Waarom is het niet eenvoudiger om te zeggen de G-d van Avraham, Yitzchak en Ya’akov? Het klassieke antwoord op deze vraag is dat elke van de stamvaders G-d op zijn eigen manier heeft gediend. Avraham diende G-d door liefdadigheid (‘chesed’), Yitzchak diende G-d door ontzag en eerbied voor Hashem en Ya’akov diende Hashem door de waarheid (‘emet’).

De eerste ‘bracha’ eindigt dat Hashem de Schild van Avraham is. We kennen natuurlijk ook Hashem als de Schild van David (‘Magen David’). Deze formulering wordt gebruikt voor de zegening van de profetenlezing (‘haftarah’).

De Rabbijnen van de Talmud en Rashi verklaren dat Avraham de eerste mens was die Hashem erkende en die deze boodschap ook overal verkondigde en bovendien is hij de stichter van ons geloof en volk. Daarom eindigt de eerste ‘bracha’ met de ‘Schild van Avraham’.

De tweede ‘bracha’ spreekt over de machtigheid van G-d. In hoofdzaak het brengen van regen voor flora, fauna en mensen, het essentiéle levenselement om te kunnen bestaan, en de opstanding van de doden.
Volgende de Rabbijnen is de sleutel van regen en de sleutel van de opstanding van de doden alleen in handen van G-d. De mens heeft in deze meest essentiéle domeinen geen zeggenschap.
De regen is de herbeleving van de natuur. Zonder water zal de hele natuur en het bestaan van de mens niet mogelijk zijn.
In de Tenachvinden we minsten vier keer over opstanding van de doden. (I Koningen 17,II Koningen 4, Ezechiel 37 en Daniel 12:2)
Het opstaan van de doden is een van de Dertien Geloofsprincipes van Maimonides. Als gevolg daarvan is dat crematie verboden is in het Jodendom en zijn Joodse graven onbeperkt en mogen niet opgeruimd worden na een bepaalde tijd. Als een mens niet in dit geloofsprincipe gelooft, is hij een ketter, agnost of volgens de Rabbijnen een ‘apikores’ (aanhanger van een Griekse filosofie dat het voorbestaan van de ziel na de dood ontkent).

De derde loofbracha gaat over de heiligheid van G-d. Het gaat over het concept dat heiligen G-d loven. Wie zijn deze heiligen? De gewone interpretatie is dat dit de engelen zijn, die heilig genoemd worden. De tweede, meer moderne interpretatie is dat dit het volk Israel is, een heilig volk (‘goy kadosh’), die het Torah-gebod hebben om ‘heilig’ te zijn naar het voorbeeld van G-d.
We eindigen deze ‘bracha’ met de heilige G-d, maar tijdens de Hoge Feestdagen en de tussenliggende dagen, eindigen we de ‘bracha’ met de heilige Koning, omdat in deze periode het volk van Israel Hashem als Koning der wereld verklaart en daarom eindigen de ‘bracha’ met ‘Hamelech Hakadosh’.

Er volgen nu 13 ‘brachot’/gebeden. Zes zijn voor persoonlijke verzoeken en zeven zijn van nationaal belang.

Het vierde gebed/zegening gaat over verstand. We vragen G-d om verstand (‘haskel’=’sechel’), wijsheid (‘chochmah’), intiutieve en analytische verstand (‘bina’) en kennis/intelligentie (‘da’at’).
De beroemde chassidische ‘Chabad’-beweging is een accroniem voor
Chochmah, Bina en Da’at.
Het bidden voor het schenken van verstand is cruciaal voor al onze handelingen, ondernemingen en verdiepingin in de leer van de Torah. De mens kan nog een hoge IQ hebben, toch verzaakt zijn verstand vaak. Op een bepaald moment neemt hij niet altijd de juiste beslissing of heeft niet een passend antwoord.
We zien dagelijks het verstand als een geschenk van Hashem en dit geldt voor alle domeinen in het leven, de zakenman, de medicus, de rechter en natuurlijk de Torah-geleerde.
De Rabbijnen hebben in de vierde ‘bracha’ een extra gebed toegevoegd, die we aan het eind van Shabbat zeggen. Dit is de gebed voor ‘havdallah’; een onderscheiding tussen de zevende dag en de zes werkdagen, tussen licht en duisternis, tussen Israel en de volkeren en tussen heiligheid en profaan.
De reden is dat zonder verstand we niet in staat zijn om te onderscheiden en daarom bidden we voor verstand in de vierde ‘bracha’, zodat we ‘havdallah’ kunnen onderscheiden.



Volgens de Talmud Jerushalmi (Berachot 5:2) voegen we de ‘havdallah’ in de ‘bracha’ over verstand, omdat we op Shabbat geen persoonlijke verzoeken mogen uitspreken. Op ‘Motzei Shabbat’ (uitgang van Shabbat) de eerste ‘bracha voor persoonlijke verzoeken is voor verstand en daarom heeft men de ‘havdallah’ in dit ‘bracha’ geplaatst.

Het vijfde gebed/zegening gaat over ‘Teshuva’ (terugkeer naar Hashem).
De meeste Joodse mensen associeren ‘Teshuva’ met de Hoge Feestdagen en de tien dagen van berouw. De Rabbijnen leren ons dat de poorten van ‘Teshuva’ altijd open zijn en alleen als de mens verstand heeft, erkent hij dat hij ‘Teshuva’ moet doen.
Het concept van ‘Teshuva’ is volgens onze geleerden nog voor de schepping van onze wereld geïntroduceerd. Zonder ‘Teshuva’ zal er voor ons geen bestaan kunnen zijn.
Drie keer per dag, behalve op Shabbat, bidden we voor ‘Teshuva’.
Terugkeer tot Hashem is altijd mogelijk en is de voorwaarde voor de volgende ‘bracha’, gebed voor vergeving.

De zesde ‘bracha’/gebed gaat over vergeving.
Het is vanzelfsprekend als we doordrongen zijn van ‘Teshuva’ (terugkeer tot Hashem) dan zullen we ook om vergeving van onze zonden vragen. Twee uitdrukkingen gebruiken de leden van de Grote Synode voor het woord zondigen: ‘chatanu’ (het doel missen) meer onopzettelijk een zonde begaan en ‘vasanu’ (overtredingen die moedwillig en met opzet zijn gedaan). Het is de gewoonte om bij beide Hebreeuwse woorden lichtjes met de rechtervuist op de linkerborst te slaan. De reden is dat op deze plek onze hart zich bevindt en volgens onze Rabbijnen is het de hart die ons verleidt te zondigen. Ook de synoniem ‘slach’ (vergeven) en ‘mechal’ (uitwissen) zijn ook te vinden, net zoals de vorige twee woorden in het ‘Viduy’-gebed (zondebekentenis) en ‘tachanun’ (boetegebeden) op werkdagen.

De zevende ‘bracha’/gebed handelt over de verlossing.
We moeten wel onderscheiden tussen een persoonlijke verlossing van elk individu, zoals problemen, zorgen, angsten enz en de verlossing van het volk Israel van zijn ‘galut’ (exil). De verlossing in het Hebreeuws is ‘Geulah’. Het is opmerkeljk dat ‘galut ‘(exil) en ‘Geulah’ (verlossing), twee tegenpolen, beginnen met de Hebreeuwse letter ‘gimmel’.
De afsluiting van ‘deze bracha’ is ‘go’el Yisrael’. Deze formulering is ons ook bekend van de ‘Haggada shel Pesach’ en de’ sluiting van de laatste ‘bracha’ voor het hoofdgebed ‘Shmoneh Esreh’, die met de woorden ‘ga’al Yisrael’ (verloste Israel in het verleden) sluit. In het ‘Shmoneh Esreh’ is het opvallend dat de leden van de Grote Synode de tegenwoordige tijd gebruiken ‘go’el Yisrael’, er is hier een achterliggende gedachte, namelijk dat Hashem altijd het volk Israel en de Joodse individu verlost.
Volgens Rashi is deze ‘bracha’ vooral voor het individu, maar toch mogen we als we over deze ‘bracha’ spreken, denken aan het volk Israel.

De achtste ‘bracha’/gebed handelt van genezing en herstel (‘refua’).
Dit gebed begint met een bekende vers uit Jeremia 17:14: ‘’Geneest mij Eeuwige dan zal ik gezond zijn, red mij, dan zal ik veilig zijn’’.
De instelling van het Jodendom is dat ofschoon de ziektes van een mens wel van Hashem komen en voor ons uit metafysische redenen niet altijd te beseffen, is dat de volledige genezing (‘refua shlema’) alleen van Hashem komt.
De arts handelt alleen in opdracht van Hashem, maar de echte genezing ligt in de handen van Hashem.
Mijn zaliger vader in zijn drie-bandige werk, ‘Rabbinische Weisheiten zum Pentateuch’, citeert uit de Talmud (TalBav; Kiddushim 82a) een rare statement over de artsen: ‘de beste artsen verdienen ‘gehennom’ (hel), waarlijk geen compliment voor de artsen.
Hoe is deze uitspraak te begrijpen? Het woord beste is in Hebreeuws ‘tov’, als een arts zich als de beste acht, die niet meer van anderen te leren heeft, verdient hij de hel. Het woord ‘tov’ heeft de numerieke waarde van 17, als een arts het gebed van genezing weglaat en dus alleen 17 ‘brachot’ bidt, dan verdient hij ook de hel.

Beroemde middeleeuwse Rabbijnen en artsen


Links: Maiminides ((1135-1204) , vader van de preventieve en
prophylaxis geneeskunde
Rechts: Nachmanides (1194-1270), grote kenner van psychische ziektes en auteur van het beroemde werk ‘Torat Hanefesh’ (Leer van de Ziel).



Als we bidden voor een specifieke zieke mens, spreken we zijn naam en de naam van zijn moeder. Anders dan bij het opgaan voor de Torah, roepen wij hem bij het gebed voor genezing met de naam van zijn moeder. Waarom? Ik wil niet speculeren dat de moeder van elk mens om begrijpelijke reden niet in vraag gesteld kan worden, maar waarschijnlijk is de reden dat we in de Torah vinden dat Moshe voor de genezing van zijn zus Mirjam bidt: ‘’Ik smeek U, G-d, genees haar!’’ (Numeri 12:13). Het is waarschijnlijk de enige keer in de Torah dat we een gebed voor de zieke vinden, en dit is bij een vrouw.
We hebben de gewoonte eerst te bidden voor de genezing van de ziekte van een ziel en daarna voor de ziekte van het lichaam. Dit past goed met de beroemde Rabbijn en arts, Maimonides, die in zijn medische schriften en Codex Maimoni schrijft dat er veel meer ziektes van de ziel zijn in verhouding met ziektes van het lichaam. En ook de genezing van de psychische ziektes zijn moeilijker dan de genezing van de fysische ziektes.
Wij bidden voor de genezing van de zieke persoon dat hij moge genezen tussen alle zieke mensen van Israel. Hier komt de Joodse solidariteit en collectieve verantwoording het best naar voren. We bidden niet alleen voor een bepaalde familieliid, vriend of voor ons zelf, maar voor alle zieke mensen van het volk Israel.
Natuurlijk kan dit gebed ook voor een niet-Jood gebeden worden als deze vraagt voor hem/haar om genezing te bidden.

De negende ‘bracha’/gebed gaat over levensinkomen (‘parnassah’).
Wel spreekt men hier vooral van een vruchtbare jaar wat de landbouw betreft en genoeg regen voor flora, fauna en mensen, maar essentieel daar de meeste van ons niet zich bezig houden met landbouw wordt het voor de meest gebgrepen als een gebed voor ‘parnassah’ of levensonderhoud. De Talmud (Tal.Bav; Ta’anit 2A) spreekt dat onder de drie of vier sleutels die alleen in de handen van G-d liggen, ligt ook de sleutel van ‘parnassah’ (levensonderhoud’). De Talmud neemt dit uit een psalm die we drie keer per dag zeggen: ‘Gul is Uw hand geopend, U vervult het verlangen van al wat leeft’ (Psalm 145:16). Onze Sefardische broeders die prachtige gewoontes en een rijke traditie hebben, openen bij het zeggen van dit vers hun handpalmen.
Afsluitend over de moeilijkheid om een levensonderhoud te vinden, vinden we in de Talmud/Midrash de volgende statement: ‘Het vinden van levensonderhoud voor elk mens en het vinden van een levenspartner is zo moeilijk als splitsing van de Rode Zee’’ (Tal.Bav;Sanhedrin 22A, Tal.Bav;Pesachim 118A)’
Vele van onze gebeden draaien om ons levensonderhoud/’parnassah’. Het is niet dat de Joodse mens materialistisch is, zegt Rabbi Levi Yitzchak van Barditchev: ‘het is de mens die de vele Mitzvot wil vervullen, geven van ‘Tzedekkah’, het leren van Torah ‘Yeshiva), die benodigt ‘parnassah’.

De volgende ‘brachoit’ gaan over nationaal belang.

De tiende ‘bracha’/gebed gaat over de verzameling en verlossing van het Joodse volk uit de exil.
In de tekst van de ‘bracha’ staan twee belangrijke zinnen voor onze intpretatie.
‘’Blaas op de grote bazuin/’shofar’ voor onze bevrijding.
‘’Breng ons allen samen van de vier steken der aarde’’.
De grote ‘shofar’ (‘shofar gadol’) is een directe verwijzing naar de Messiaanse verlossing. Zo zegt de profeet Jesaja in hoofdstuk 27:13: ‘’Op die dag wordt op de grote ramshoorn geblazen. Zij die verbannen waren naar Assyrié of verdreven naar Egypte zullen tot terugkeren en zich neerbuigen voor de Eeuwige, op de heilige berg in Jeruzalem.’’


Links: Rabbijn Mensashe ben Israel (1604-1657), de enige potret van een Rabbijn die door een grote schilder is gemaakt, namelijk door zijn vriend, Rembrandt van Rijn (1606-1669).
Rechts: het pleidooi voor de terugkeer van de Joden naar Engeland, die Rabbijn Menashe ben Israel aan Oliver Cromwell (1599-1658) voorgelegd heeft.


De grote Portugese-Nederlandse Rabbijn, Mensashe ben Israel (1604-1657), heeft Oliver Cromwell ((1599-1658) overtuigd de Joden naar Engeland terug te laten keren. Op grond van valse beschuldigen zijn de Joden in York gemassacreerd en op bevel van koning Edward I zijn de Joden in Engeland in 1290 voorgoed verbannen. Zijn pleidooi en zijn werk ‘Esperance de Israel’ was dat de Messiaanse verlossing alleen plaats kan vinden als de Joden in alle vier hoeken van de aarde zich bevinden. Dus beargumenteerde hij, dat de Joden ook in Engeland moesten wonen, voor de realisatie van de verlossing. Zodoende was Cromwell akkoord dat de Joden weer in Engeland mochten vestigen. Persoonlijk heb ik meerdere keren het graf van Rabbijn Menashe ben Israel bezocht in de oudste Joodse kerkhof van Nederland, Ouderkerk a/d Amstel.
Naast zijn graf bevindt zich een grote gedenkmonument van het Britse Jodendom.


Een oude Joodse nieuwjaarskaart met het motief van de Messiaanse verlossing.

De profeet Eliyahu verkondigt de komst van de Mashiach door middel van het

blazen op de grote Shofar. De Mashiach rijdt op een witte ezel als teken van

bescheidenheid.

De elfde ‘bracha’/gebed gaat over het herstel van justitie en rechtsysteem volgens het model van het ‘Sanhedrin’.
Het Jodendom heeft altijd een oncorrupte rechtsysteem ondersteund; ja zelfs een van de zeven Noachidische wetten is dat men overal zorgt voor rechtbanken, anders zal er een totale anarchie zijn. Volgens de Mishna zal anders de ëén de ander verslinden, net zoals vissen dat doen.
We hebben twee ‘parashot’ die over justitie en rechtsysteem handelen: ‘parashat Mishpatim’ (Exodus 21-23:7) en ‘parashat Shoftim’ (Deut. 16:18-19:21).
De profeet Jesaja spreekt duidelijk hoe belangrijk een juiste Torah-confrom rechtsysteem is: ‘’ Ik breng je rechters en raadgevers tot inkeer, het zal weer worden als voorheen. Dan zul je deze naam dragen: stad van gerechtigheid en stad van trouw, Tzion zal verlost worden doo recht en wie zich bekeert door gerechtigheid’’ (Jesaja 1:26-27). Op basis van deze versen is het gebed voor het herstel van de Torah-rechtsysteem geformuleerd.
We hebben een Mishna en Talmud-traktaat, Sanhedrin, daarin wordt in eerste lijn het Hooggerecht die 71 rechters bevatte en die gerechtig was om zelfs doodstraffen te geven, maar dit in praktijk niet uitgevoerd werd.
Daarnaast handelt het Talmud-traktaat ‘Sanhedrin’ over wiie gekwalificeerd is om als Dayan te fungeren en nog andere belangrijke procedures van het hooggerecht ‘Sanhedrin’. Het is noemenswaardig dat de locatie van het ‘Sanhedrin’ naas de ‘Beth Hamikdash’ (Tempel) was. Meerdere keren heeft men geprobeerd om het ‘Sanhedrin’ te herstellen, zoals onder Napoleon in 1806 en ook in het begin van de staat Israel door het initiatief van Rabbi Yehuda Levi Maimon (1875-1962), de eerste minister van Religie van de staat Israel.
De meeste Rabbijnen weigerden en verwierpen het idee om hun machtspositie niet te verliezen. In plaats daarvan hebben we vandaag een Hooggerecht die absoluut anti-religieus is en voor religieuze belangen geen begrip heeft en is bereid zelfs om Yeshiva-studenten als het nodig is naar de gevangenis te sturen.
Persoonlijk denk ik dat als religieuze Hooggerecht ‘Sanhedrin’ zou bestaan, dan zal de religieuze belangen beter vertegenwoordigd zijn. Dit is een persoonlijke mening die zeker veel ultra-Orthodoxe Rabbijnen niet delen.
Een oude Joodse nieuwjaarskaart met het motief van de Messiaanse verlossing. De profeet Eliyahu verkondigt de komst van de Mashiach door middel van het blazen op de grote Shofar. De Mashiach rijdt op een witte ezel als teken van bescheidenheid.


Links: een illustratie van de oude Sanhedrin tijdens de Tempel II in Jeruzalem. Deze bevond zich direct naast de Tempel.
Rechts: de gloednieuwe gebouw van het Hoggerecht in Israel (‘bakatz’), berucht om zijn anti-religieuze houding en wetgeving

De twaalfde ‘bracha’/gebed is tegen verraders.
Het is de verdienste van de Mishna-geleerde, Shmuel Hakatan (eerste eeuw), die de formulering en introducering van dit gebed tot stand heeft gebracht. In dit tijdperk waren er vele verraders in vorm van Essenen, Judeo-christenen en apostaten, mensen die het Jodendom de rug toekeerden en bittere vijanden van het Jodendom zijn geworden om zo sympathie en begrip te winnen bij hun nieuwe geloof.
De profeet Jesaja schrijft: ‘’dat je verwoesters, vernielers zullen van u zelf voortkomen’’ (Jesaja 49:17). Het is ons lot als een klein volk, die zijn identiteit voor ieder prijs wil bewaren onder zeer moeilijke omstandigheden in de ‘exil’ om tegen nestbevuilers en zelfhatende Joden te strijden. De ergste tegenstanders die tegen het Jodendom een compromisloze strijd voerde, waren apostaten. Ik wil alleen twee bekende noemen, Rabbi Yechiel van Parijs (13
de eeuw) voerde een dispuut met de apostaat Nicholas Donin; het was hem verboden iets tegen de kerk en tegen hun praktijken te zeggen, zelfs niet tegen de valse interpretatie van bepaalde verzen uit de Tenach door christenen en mocht niet een Joods tegenargument in brengen tegen de valse inpretatie. Als gevolg verbrandde men in de plaats Place de Notre-Dame 24 wagons met Talmud manuscripten en daarmee was Frankrijk, centrum van Talmudisch leren zonder leerboeken.
Nachmanides (1194-1270) moest ook een dispuut aangaan met de apostaat Pablo Christiani en heeft dat briljant gewonnen. De Dominicanen die achter Pablo Christiani stonden, vroegen de koning van Catalonié dat Nachmanides het land verlaten zou en zo maakte Nachmanides ‘aliyah’ naar Israel. Feitelijk is hij de eerste grote middeleeuwse Rabbijn die Aliyah naar Israel maakte en die onmisverstandelijk de interesse van wonen in Israel onderstreepte.


Een middeleeuws dispuut tussen Rabbijnen en kerkvertegenwoordigers. Kenmerkend voor de vernedering van de Joden (rechts) die bijzondere hoeden moesten dragen, de voorloper van de gele jodenster van de nazis.
Opmerkelijk is ook dat de kerkvertegenwoordigers de bijbel heel open houden, terwijl de Joden hun bijbel bijna moeten verbergen.


De dertiende ‘bracha’/gebed gaat over de rechtvaardigen. De ‘bracha’ spreekt in algemene taal over ‘tzadikkim’ (rechtvaardigen). We mogen hier bij toevoegen dat volgens de ‘Zohar’ dat deze wereld bestaat wegens de verdiensten van de 36 verborgen ‘tzadikkim’. De term ‘chassid’ heeft niks te doen met de aanhangers van de Chassidische beweging, gesticht door de ‘Baal Shem Tov’. We vinden de term ‘Chassidim’ zelfs bij de Chasmoneeën en in de Mishna. En natuurlijk kennen we ook het begrip ‘chaside ashkenaz’ uit de vroegere middeleeuwen, zoals Rabbi Yehuda Ha’Chassid (1140-1217) uit Regensburg. De term ‘chassid’ in deze samenhang is het best te vertalen met vrome piétisten.
Er wordt verder gesproken van ‘pletat sofrehem’ (de overgbleven rest van de geleerden). Wanneer de Sefardische Joden de eerste synagoge in New York stichtten in 1654, noemden ze deze synagoge ‘She’erit Yisrael’, wat de overgeblevenen van Israel betekent.


De eerste Spaans-Portugese synagoge in Manhattan, New York, 1654.

De liturgust spreekt verder van ‘geree hatzedek’ (oprechte proselieten). Dit zijn mensen die tot het Jodenkom komer zonder altruïstische motieven, maar alleen uit liefde voor Hashem en het volk van Israel.
De beroemde Talmudische regel is dat de laatstgenoemde in elke lijst, is het belangrijkste. Spijtig genoeg hebben sommige ultra-Orthodoxe een afwijsende houding tegen oprechte proselieten. Dit is tegen de geest van de Torah, die ons 42 keer in de Tenach ons ter herinnering roept: ‘’je zult houden van de ger, omdat u zelf gerim bent geweest in Egypte’’ (Deut;10:19). En in Psalmen 146 bidden we elke dag dat Hashem ‘shomer et gerim’ (Hashem beschermt de proselieten). We willen er aan herinneren dat Rabbi Akiva, de grootste Mishna en Talmud-geleerde, zelf een zoon van proselieten was.


‘Waar u gaat, zal ik gaan; uw volk is mijn volk en uw G’D is mijn G’D.’ (Ruth 1:16)


De veertiende ‘bracha’/gebed gaat over de opbouw van Jeruzalem.
Jeruzalem is de hoofdstad van het Joodse volk sinds koning David het als hoofdstad van zijn konkrijk heeft verklaard. Het word ‘de heilige stad’ genoemd, volgens Daniël 9:24.
Jeruzalem is vandaag een pracht stad; uitgebreid en meer inwoners dan ooit.
De Midrash spreekt van twee Jeruzalems, namelijk ‘Yerushalayim shel Matta’ ( de gewone fysieke Jeruzalem), die we met onze ogen waarnemen, maar er bestaat ook een ‘Yerushalayim shel Malla’ (de spirituele en goddelijke Jeruzalem). De laatstgenoemde uitdrukking verwijst vooral naar (a) dat Hashems residentie is in ‘Yerushalayim shel Malla’ en (b) vooral het spirituele religieuze wat we vandaag in Jeruzalem vinden, meer dan in de rest van het moderne Israel.
Op ‘Tisha b’Av’ in Mincha spreken we bij dit ‘bracha’ het gebed ‘Nachem’ (troost de rouwenden van Tzion in Jeruzalem). Dit ingrijpende gebd eindigt met de woorden: ‘’U, God, heeft de Tempel met vuur vernietigd en U zal de Derde Tempel met vuur herstellen’’.
In Mussaf van de Pelgrimsfeesten spreken we in ‘Shmoneh Esreh’ de volgende woorden: ‘’ we kunnen dus niet in bedevaart voor u verschijnen, voor U neerbuigen, noch onze plichten vervullen in het huis van Uw keuze, in het Heilige, grootste huis waarvoor Uw naam genoemd werd vanwege de macht tegen Uw heiligdom gericht’’
Nog altijd staat een moskee op de plaats van onze Allerheiligste en onze Tempel. En zolang dit blijft staan, zullen we natuurlijk rouwen over de vernietigde Tempel, dat het centrum van het religieus Jodendom was. De Messiaanse verlossing zal zeker zorgen dat deze binnendringer verwijderd zal worden en de Derde Tempel op zijn juiste plaats hersteld zal worden. Het is interessant op te merken dat de naam ‘Yerushalayim’ meer dan 650 keer in de Tenach vermeld wordt, maar in de Koran verschijnt ‘Yerushalayim’ nul keer. Dit alleen spreekt boekdelen over de relatie van het Joodse volk met ‘Yerhushalayim’.

De vijftiende ‘bracha’/gebed gaat over het herstel van de koningschap van het huis van David.
Kenners van de Tenach en de geschiedenis van Israel weten dat het volk Israel eigenlijk republikeins gezind is. Zo zien we hoe vehement de profeet Shmuel tegen de monarchie zich verzette. We hebben toch de beste Koning, namelijk Hashem, zegt Shmuel. Waarom zullen we een sterfelijke koning nodig hebben? De grote Tenach commentator, Don Isaac Abrabanel (1437-1505), in zijn introductie tot de profeten spreekt uit eigen ervaring als minister van financien van de Spaans-Portugese koningen, dat de republiek de beste vorm van regeren is. En inderdaad alle koningen van het koninkrijk van Israel waren verdorven en dienden afgoden. En zelfs bij het vromere koninkrijk Judah was maar 1 op 3 koningen vroom en rechtvaardig. De anderen waren spijtig genoeg goddeloos en lieten het volk zondigen. Maar 1 koning is voor het volk Israel onsterfelijk, hij leeft met ons en hij van hem zal ook de Messias voortkomen. Koning David is de ideale koning van het volk Israel, vroom en moedig, maar ook die bereid was om fouten te bekennen en boete te doen. Dus daarom de slogan die elk Joods kind zingt: ‘Koning David leeft en bestaat’.


De Messianse verlossing uit het huis David wordt hier met een plant vergelijken ‘tzemach, die groeit langzaam, maar zeker.
Het woord Messias betekent ‘gezalfde’. Het was een speciaal welreukende zalfolie, wat zich bevond in een hoorn en hiermee werd de nieuwe koning van het huis David gezalfd en ingehuldigd als koning. De Messiaanse koning zal ook met diit zalf-olie gezalfd en ingehuldigd worden. In sommige versies van dit gebed is nog toegevoegd dat we ‘verlangend wachten op de verlossing’. Dit gaat zeker samen met Maiminides ‘ twaalfde geloofsprincipe over de Messiaanse verlossing ‘we zullen altijd naar de Messias uitkijken, zelfs als hij op zich laat wachten. Ik wacht elke dag op hem’

De zestiende ‘bracha’/gebed gaat over de aanname van onze gebeden.
In dit speciale gebed die begint met de bekende woorden ‘ hoor onze stem’, vragen we Hashem om onze gebeden aan te nemen. Bij de behandeling van Pesach hebben we een identieke fenomeen dat aan het einde van de ‘Seder’ spreken we van ‘nirtzah’, dat betekent dat we Hashem vragen om onze Seder met de vele mitzvot, zoals de vertelling uit Egypte, te aanvaarden.
Bij deze ‘bracha’/gebed mogen we in onze eigen woorden bidden over alles wat we wensen Hashem te vragen, zoals ‘parnassah’ (inkomsten), kinderwens, vinden van een ‘shidduch’ (levenspartner). We mogen dat met eigen woorden in welke taal dan ook formuleren. Als we vasten op een Rabbijnse vastendag dan voegen we het gebed ‘anenu Hashem’ (hoor ons Hashem) toe. In de Hoge Feestdagen en ‘Slichot’, een van de belangrijkste ‘Slichot’, begint met de woorden ‘shma kolenu’ (hoor onze stem). Bij deze ‘slicha’ staat de hele gemeente op en de ‘aaron hakodesh’ (heilige ark) wordt geopend.
Kenmerkend voor dit ‘bracha’/zegening is de afsluiting ‘shomea tefilla’, dat Hashem luisters naar onze gebeden.

De drie afsluitende ‘brachot’ zijn dankgebeden, zoals bij in het voorwoord uitgelegd dat we staan voor Koning der Koningen en het is passend om met dankwoorden ons gebed te beëindigen.


De Derde Tempel in Jeruzalem bij de verlossing door de Messias

De zeventiende ‘bracha’/gebed gaat over het herstel van de dienst in de Tempel.
Kenmerlend is het woord ‘avodah’ afkomstig van de stamletters ‘eved’ en gewoonlijk betekent het slaaf, maar in dit geval betekent het dienaar.
Moshe wordt in Jozua 1:1 ‘Eved Hashem’ genoemnd en dit betekent ‘dienaar van God’.
Dus ‘avodah’ is de dienst in de Tempel. Natuurlijk in de Rabbijnse literatuur wordt ‘avodah’ gelijkgesteld als ‘tefillah’, aks vervanging van de offerdienst.
Deze ‘bracha’/gebed sluit met de woorden ‘’en mogen onze ogen het aanschouwen dat U in ontferming naar Tzion terugkeert’’. De Rabbijnen van de Grote Synode hebben het woord ‘vetechezena’ gekozen, wat van het woord ‘chazon’ komt en betekent visie. Het gaat hier niet alleen om fysische zin, maar vooral om spirituele zin. Mogen wij met onze spirituele ogen zien de terugkeer naar Tzion.
Bij Feestdagen, ‘Rosh Chodesh’ en‘Chol Hamoed’ wordt in deze ‘bracha’ een belangrijke gebed ‘ya’ale veyavo’ toegevoegd. Dit gebed mag men zien als een soort welkomstgebed voor de betreffende Feestdagen of ‘Rosh Chodesh’. Als men dit gebed helemaal is vergeten, moet men terugkeren tot het begin van ‘Shmone Esreh’. Als we voor het einde van de laatste ‘bracha’/gebed over vrede herinneren om dit gebed te zeggen, dan keren we terug naar de uitgangsbracha over het hertstel van de dienst (retzee’). Als we dit gebed vergeten tijdens ‘Ma’ariv’ (avondgebed) hoeven we niet terug te keren, omdat het avondgebed oorspronkelijk facultatief was.
Waarom is de Halachat zo strikt als men vergeet ‘ya’ale veyavo’ te zeggen?
Wij persoonlijk zijn zeer blij als iemand ons verwelkomt na een lange reis. Ook de Feestdagen en ‘Rosh Chodesh’ komen perodisch na een lange tijd terug en daarom leggen onze Rabbijnen grote waarde om deze dagen te verwelkomen.
Het gebed beïnhoudt dat Hashem aan het volk van Israel, de stad Jeruzalem, de Messias, zoon van David en ons persoonlijk herinnert. Dat Hashem ons een goed leven, vrede, barmhartigheid en verlossing schenkt.

De achttiende ‘bracha’/gebed is een dankgebed. We bukken bij het begin van dit gebed. We danken Hashem dat Hij onze G-d is en de G-d van onze stamvaders. We danken voor ons leven dat in Zijn handen ligt Aan de dagelijkse wonderen die ons overkomen. We gaan onze dank ’s avond uitspreken (‘Arvit’), ’s morgens (‘Shacharit’) en ’s middags (‘mincha’). Dit is ook de juiste volgorde van onze ‘tefillot’, omdat de Joodse dag begint met de avond. Als de ‘chazan’ ‘Shmoneh Esreh’ herhaalt is het de gewoonte dat de gemeente een korte versie van het dankgebed zegt die bekend is als ‘ Modim deRabbanan’. De bekende commentator over liturgie, Rabbi David Abudirham (14e eeuw), verklaart in zijn werk ‘Abudirham’ over Siduur en liturgie, dat danken niet door een vertegenwoordiger (in dit geval de ‘chazan’) gedaan kan worden, maar alleen door ons zelf. En daarom danken wij Hashem persoonlijk in de herhaling van ‘Shomeh Esreh’ als we ‘Modim deRabbanan’ zeggen.
Tijdens Chanukkah en Purim zeggen aan het einde van ‘Modim’ het dankgebed ‘Al Hanissim’ met de betreffende sectie over Chanukkah of Purim.
De dankbracha ‘Modim’ eindigt met de woorden: ‘’ en allen die leven, zullen U altijd danken en in oprechtheid met loof Uw naam vermelden, G-d onze hulp en bijstand voor altijd’’.
Bij de afsluiting van dit gebed bukken wij nogmaals.

In Israel tijdens ‘Shacharit’ op werkdagen en Shabbat Mussaf wordt de priesterzegen door de ‘kohanim’ gezegd. Bij ons Ashkenasim wordt het alleen op Feestdagen tijdens ‘Mussaf’ door de ‘kohanim’ gereciteerd. Als Shabbat op een Feestdag valt, zijn er verschillende ‘minhagim (gewoonters) of de priesterzegen gezegd wordt of niet. De priesterzegen wordt op deze plek voorgedragen, omdat de priesterzegen eindigt met de zegen van vrede (‘shalom’). En ook del laatste ‘bracha’ gaat over vrede.

Een oude Joodse nieuwjaarskaart met het motief van de Messiaanse verlossing. De profeet Eliyahu verkondigt de komst van de Mashiach door middel van het blazen op de grote Shofar. De Mashiach rijdt op een witte ezel als teken van bescheidenheid.Een oude Joodse nieuwjaarskaart met het motief van de Messiaanse verlossing. De profeet Eliyahu verkondigt de komst van de Mashiach door middel van het blazen op de grote Shofar. De Mashiach rijdt op een witte ezel als teken van bescheidenheid.

De negentiende ‘bracha’/gebed is vrede.

Het woord vrede is ‘shalom’ en komt van het stamwoord ‘shalem’.
Dus perfectie en volledigheid kan de mens alleen met vrede bereiken. Volgens de Rabbijnen is ‘Shalom’ één van de namen van Hashem, omdat perfectie en volledigheid alleen bij Hashem mogelijk is. Zelfs als we dit met ons begrensde verstand niet altijd begrijpen. Deze ‘bracha’/gebed sluit zich direct aan de priesterzegen, dat met het woord ‘shalom’ eindigt.
We onderscheiden vele soorten vrede: tussen mens en zijn medemensen, vrede tussen echtgenoot en echtgenote, vrede onder de volkeren, maar vooral dat elk mens met zichzelf vrede sluit. De Midrash zegt: ‘’Shalom/vrede overweegt alles’’ (Bamidbar Rabba,11:16). Een van de grootste commentatoren, Sforno zei: ‘’Als we vrede hebben, hebben we alles’’ (Numeri 6:27).
In Psalmen schrijft koning David: ‘’Hashem zal Zijn volk met een spirituele kracht (‘oz’) geven en met vrede zegenen’’ (Psalm 29:11).
Gebaseerd op dit vers eindigt ‘Shmoneh Esreh’ met de woorden: ‘’Hashem die Zijn volk met vrede zegent’’.



Het woord ‘shalom’ is een begroetingswoord van het Joodse volk. De moslims hebben dit overgenomen en groeten elkaar met ‘salaam aleikum’, wat in het Hebreeuws ‘shalom aleichem’ is. Het is toch voor een buitenstaander verbluffend dat twee Semitische volkeren dezelfde begroeting gebruiken, maar altijd in oorlog en ruzie met elkaar bevinden. Men kan zijn familie niet kiezen en ook zijn eigen buren niet.
Interessant is nog te vermelden dat de voornaam ‘Shalom’ halachisch problematisch is. Men mag deze naam niet uitspreken in de badkamer, toilet en in de ‘mikveh’. Er zijn zelfs sommige zeer religeuze mensen wanneer zij het woord ‘shalom’ schrijven, leggen ze een apostrof na de letter ‘vav’ en zo schrijven zij het hele woord niet voluit.

Deze ‘bracha’/gebed is eigenlijk het einde van ‘Shmoneh Esreh’ en zo eindigt de voorzanger of ‘chazan’ hier het ‘Shmoneh Esreh’-gebed.
Er wordt nog in het ‘stille gebed’ afgesloten met een gebed tegen kwaadspreken en roddelen. De oorsprong van dit gebed vinden we in Tal.Bav; 17A.

Tachtig jaar geleden leefde een van de grootste ‘tzadikkim’ (rechtvaardigen) van de 20ste eeuw, de ‘Chofetz Chaim’(1838-1933). Hij kreeg zijn naam naar het vers in Psalmen: ‘’Wie is de mens die leven wil?’’ (Psalm 34:13-14).
De ‘Chofetz Chaim’ heeft twee boeken geschreven over kwaadsprekerij en roddelen over iemand (‘lashon hara’): ‘Shmirat Halashon’ (bewaken van onze tong) en ‘Chafetz Chaim’ (levenslust).
Tegenwoordig zijn we doordrongen met de leer van ‘Chofetz Chaim’ en zijn ze bewust welke schade we kunnen veroorzaken met ons spreken. Misschien is dit ook de reden waarom we op Yom Kippur beginnen met ‘Kol Nidree’, dat over valse beloftes en andere overtredingen die we doen tijdens het spreken gedurende het jaar. De gedachte hier achter is waarschijnlijk dat de grootste activiteit op Yom Kippur is het spreken van gebeden, kortom spreken. En zoals we met Yom Kippur de diensten beginnen, wensen we een nieuwe (blanco) start te maken op het gebied van spreken.

In de Tenach komen we meerdere keren de zonde van kwaadsprekerij tegen. Zo hebben de verspieders een heel slecht bericht over het land Israel verteld wat het volk ontmoedigd heeft en zelfs een opstand tegen Moshe en Aharon veroorzaakt heeft. De hele generatie van de uittocht uit Egypte moest sterven tijdens de 40-jarige zwerftocht in de woestijn, behalve Jozua en Kaleb, die een positief bericht brachten.

Koning Salomo zegt in Spreuken:’’Wie zijn tong in toom hpudt, bespaart zich in zijn leven allerlei ellende’’ (Spreuken 21:23)

Volgens de Rabbijnen is melaatsheid de straf voor kwaadsprekerij en roddelen en in het Ivriet vertaald is dit ‘metsorah’. De Rabbijnen verklaren dat de melaatsen buiten het kamp van Israel moesten wonen, zodat ze niet meer konden kwaadspreken.

Het beroemdste geval van kwaadsprekerij is Miryam, zus van Moshe, die tegen Moshe gesproken heeft dat hij zich van zijn vrouw Tzipporah afgezonderd heeft. Ze werdt bestraft met melaatsheid en moest zeven dagen buiten het kamp van Israel blijven, totdat ze door het gebed van Moshe wordt genezen.
De meeste mensen denken dat ‘lashon hara’ over leugens gaan, maar dat is niet waar. Miryam heeft de waarheid gesproken en toch werd ze gestraft. De profeet Jesaja bij zijn levende visie van de troon van G-d
zegt: ‘’Ik zit midden in een onrein volk en wordt direct bestraft’’ .Toen nan een van de Seraphs met een tang een gloeinde kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. Hij raakt mijn mond ermee aan en zei: ‘’Nu zijn je lippen gereinigd’. Je schuld is geweken, je zonden zijn teniet gedaan’’(Jes 6:5-7).

We eindigen ‘Shmoneh Esreh’ met ‘oseh shalom’.
We gaan drie stappen achteruit, vergelijkbaar wanneer een mens op audiëntie is bij een sterfelijke koning, is het de gewoonte om drie stappen achteruit te gaan. Als we ons spreekuur met Hashem beëindigen, gaan we ook als teken van eerbied drie stappen achteruit. Van mijn vader, zaliger, herinner ik mij de volgende ‘bonmot’ (mooi woorden): ‘’ als we vrede willen sluiten, moeten we van onze eisen afstappen; dan pas kan men vrede sluiten’’.
Bij het zeggen van de woorden ‘oseh shalom’ bukken we naar rechts en naar links. We zijn altijd omringd door engelen, zoals het in Psalmen staat geschreven; ‘’Hij zal Zijn engelen sturen om u te beschermen op al uw wegen’’ (Psalm 91:11).
Het bukken naar rechts en links is een soort eerbied aan de engelen die ons beschermen.
We eindigen ‘Smoneh Esreh’ met de wens van de bouw van de Derde Tempel en het herstel van de tempeldienst. Dit doen we minsten drie keer per dag en nog vaker. Wat is de boodschap van deze veel gevraagde wens? In tegenstelling tot niet Torah-getrouwe afsplitsingen van het Jodendom, zoals de ‘Masorti-Conversative’ of ‘Liberaal-Reform’, die niet meer geloven in de bouw van de Derde Tempel en zelfs hun gebedshuizen geen synagoges noemen, maar tempels. Volgens het Torah-getrouw Jodendom bestaat er maar één Tempel en richten we onze aandacht en gebeden op de herbouw van de Derde Tempel.


De ‘brachot’ of zegenspreuken

In loop van mijn 63 jaar heb ik kennis opgedaan van vele religies en geloven. Nergens is het concept van zegenspreuken (‘brachot’) zo dominant als in het Jodendom.
In de musical ‘Fiddler on the Roof’ vraagt een van de bewoners van Anatevka de Rabbi of er een zegenspreuk is voor de tsaar van Rusland en hij antwoordde: ‘’ja, moge G-d de tsaar een lange tijd van ons vandaan houden’’.
Van de Talmud wordt van elk Joods individu verwacht hij elke dag 100 zegenspreuken zegt, gebaseerd op het vers: ‘wat vraagt Hashem van u?’’ (Deut;10:12).
Het woord wat is in het Hebreeuws ‘mah’ en de Rabbijnen zeggen dat Hashem 100 zegenspreuken van ons verlangt.
Als we drie keer per
dag ‘Shmoneh Esreh’ bidden plus de ochtenbrachot en ‘Birkat Hamazon’ en het doen van ‘mitzvot’, zoals ‘Tefillin’, ‘Tzitzit’ dan is het helemaal niet moeilijk om 100 ‘brachot’ te zeggen.
Vanwege een tekort aan ‘brachot’ op Shabbat, omdat ‘Shmoneh Esreh’ dan 7 ‘brachot bevat is het een ‘mitzva’ om meer te eten om zo toch 100 ‘brachot’ te zeggen. Sommige mensen zijn zich zeer bewust van dit voorschrif.

Het woord ‘bracha’ komt van het woord ‘burach’ (knie) met de stamletters ‘beth’, ‘resh’ en ‘chav’. In de Bijbelse tijd was het de gewoonte dat als men iemand zegende, knielde hij op zijn knieën en de persoon die zegende, legde zijn handen op het hoofd van de persoon die gezegend wenst te worden. Vergelijk de zegening van Yitzchak aan Yaakov en de zegening van Yaakov aan Efrayim en Menasse.

Bij Hashem vinden we ook de voorstellen van zegening dat Hashem aan mensen vraagt om Hem een zegen te geven. Zo is bekend dat de hogepriester Rabbi Ishmael wanneer hij op Yom Kippur het Allerheiligste betrad, ontmoette hij Hashem hoogst persoonlijk. G-d vraagt aan hem: ‘’Mijn zoon Ishmael, zegen Mij’’ en Rabbi Ishmael antwoordde: ‘’Moge de wil van U, Hashem, zijn als uw toorn heeft over Israel dan zal het in barmhachtigheid veranderen’’ (TalBav;Berachot 7A)
Op een ander plaats in de Talmud vinden we het volgende gesprek tussen G-d en Moshe Rabbenu. Toen Moshe Rabbenu kwam om de Torah op te halen, vond hij Hashem bezig met de Torah. Hashem vraagt aan Moshe: ‘’is het niet de gewoonte bij u met shalom te begroeten? ‘’ U zult Mij steunen in Mijn ondernemingen om de Torah aan het volk van Israel te geven’’ (Tal.Bav;Shabbat 89A)
Zulke berichten in Talmud en Midrash geven ons de voorstelling en idee dat Hashem onze zegeningen wenst en waardeert

Er zijn de volgende categorieën van zegeningen:

  1. Over het genieten van voeding en geur (‘Birkot Ha’senin’); voor- en nabrachot.

  2. Brachot’ over de meeste ‘mitzvot’ (behalve op ‘mitzvot’ die geen beperking hebben of met leed zijn verbonden).

  3. Brachot’ over goede of slechte momenten.

  4. Brachot’ over natuurfenomenen.

  5. Dankbrachot.


A. ‘Brachot over genieten van voeding en geur; voor- en nabrachot:
Het is een oude Rabbijnse wijsheid dat een mens van alles mag genieten wat binnen het Jodendom geoorloofd is. De Rabbijnen leren ons dat een Nazireeër (man die zich van wijn onthoudt) moet na zijn Nazireeërschap een offer brengen, omdat hij niet van druiven en wijn genoten heeft.
Eten is niet alleen een middel om te overleven, op die manier is de mens gelijkgesteld op het niveau van een dier, omdat een dier ook moet eten om te overleven.
Ik citeer hier het idee van de Zohar en Kabbalah we eten om Hashem te kunnen dienen (godsdienst). De mens heeft kracht nodig om Hashem te dienen, dus de mens zelf wordt een dienaar van G-d (‘kohen’/priester), het gegetene is het offer en de tafel is het altaar.
Indien de mens ‘brachot’zegt en Torah-gedachten, verhoogt hij het vegetatische of carnivorische voedsel tot het allerhoogste niveau, namelijk om Hashem te kunnen dienen.


Bij eten speelt het verteren ook een rol, d.w.z. dat het voedsel door de tanden, mond, keel en slokdarm verteerd wordt. Als dit niet het geval is, zegt men geen ‘bracha’, bijvoorbeeld kauwgom, snuiftabak of sigaretten (afgezien dat het tegen de Halacha is, omdat het schadelijk is voor de gezondheid).



Volgens de Talmud kan men de ‘brachot’ voor het genieten van voeding ziens als:

1. Alles behoort tot Hashem, maar na de ‘bracha’ behoort het tot de mensen en
2. Als dank voor Hashem dat Hij ons verzorgt met voeding.

De ‘brachot’ zijn Rabbijns en niet plichtig van de Torah en daarom als de mens twijfelt of hij een ‘bracha’ gezegd heeft of niet dan hoeft hij het niet (opnieuw) te zeggen. Als een mens vergeten is om een ‘bracha’ te zeggen en zich nog in het proces van eten bevindt, zal hij met eten stoppen, de ‘bracha zeggen en vervolgens verder eten.
De belangrijkste ‘bracha’ is de ‘bracha’ over het brood. Deze ‘bracha’ vraagt om vooraf ritueel de handen te wassen met een gietbeker, het drogen van de handen en de ‘bracha’ over het handen wassen (‘netillat yadayim’).
Tussen ‘netillat yadayim’ en de ‘bracha hamotzi’ mag men niet spreken om de volgende redenen:
-Dit geldt als een onderbreking en vraagt opnieuw ‘netlillat yadayim’ en was dus een onnodige ‘bracha’ en G-ds naam werd onnodig genoemd.
-Verlies van aandacht en concentratie en daarom geldt het als een onderbreking.


Links: Opperrabbijn van Israel en Tel Aviv, Rabbi Israel Meir Lau, Shlita, brengt een ‘Mezuza’ aan bij een Joods instituut.
Rechts: het is de gewoonte om bij het verlaten van het huis een symbolische kus te geven en de volgende woorden te spreken: ‘Moge Hashem op mijn gaan en mijn komen wachten van nu tot in eeuwigheid’ (Psalm 121:8)

Men kan het ook vergelijken met spreken tussen de ‘Tefillin shel yad’ (Tefillin voor de arm) en ‘Tefillin shel Rosh’ (Tefillin van het hoofd), dat om dezelfde redenen verboden is.

De ‘bracha hamotzi’ maakt alle andere ‘brachot’ overbodig, behalve voor voeding wat normaal gesproken niet geserveerd wordt, zoals appel met honing op Rosh Hashana of een desert dat normaal niet geserveerd wordt. Het eten van brood geldt als een vaste maaltijd en vraagt als ‘nabracha’ het ‘tafelgebed’ dat ‘Birkat Hamazon’ genoemd wordt.
Deze ‘bracha’ is een plicht van de Torah en als men niet zeker of het helemaal vergeten is te zeggen, moet men het nog een keer zeggen.
Voor het ‘tafelgebed’ gebruiken we het Jiddische woord ‘bensjen’ van het Latijnse en Franse woord ‘benir’, wat zegenen betekent.

Als men de maaltijd met 3 volwassen Joodse mensen en zeker met 10 mensen dan volgt de ‘zimmun’, dat inhoudt dat dat één iemand van het gezelschap wordt geëerd met het leiden van het ‘tafelgebed’.

Volgens de traditie hebben leden van de Grote Synode (‘Knesset Hagdola’) het tafelgebd geïntroduceerd
Het tafelgebed bestaat uit 4 ‘brachot’.
De eerste zegening gaat terug op Moshe Rabbenu. Met deze ‘bracha’ danken we Hashem die alleen van voedsel voorziet.

De tweede ‘bracha’ gaat terug op Jozua en eindig met de dankzegging aan Hashem voor het land en voor het voedsel.
De derde ‘bracha’ gaat terug op koning David en koning Salomo en eindigt met dank aan Hashem die Yerushalayim met barmhartigheid herbouwt.
De vierde ‘bracha’ gaat terug op de Rabbijnen na de catastrofe van Betar, de slachting van meer dan een miljoen Joden door keizer Adrianus na de nederlaag van Bar Kochba en is bekend als de ‘bracha’ van ‘hatov hametiv’.

Voor het eten van gebak en patisserie van de 5 graansoorten (tarwe, gerst, rogge, spelt en haver) volgt de ‘bracha’ ‘boree minee mezonot’).
Deze ‘bracha’ vraagt na afloop de zogenoemde ‘bracha me’ein shalosh’, een dankgebed na het gebruik van gebak, wijn en de 5 speciale vruchten waarvoor het land Israel geprezen wordt (dadels, druiven, vijgen, granaatappels of olijven).

De volgende ‘bracha’ gaat over wijn, druivensap of champagne.
Vanzelfsprekend mag de ‘bracha’ alleen gezegd worden als deze soorten kosher zijn (onder Rabbinaal toezicht), ongeacht of het voor gourmet of sacrementeel gedronken wordt. Dan volgt de ‘bracha’, ‘boree pri hagafen’ (Sefardim zeggen ‘hagefen’).
De ‘nabracha’ is ook ‘me’ein shalosh’, met het gedeelte over wijnstoken de vruchten ervan.
Overigens is het de enige drank wat een eigen ‘bracha’ heeft en alle andere dranken (inclusief alcoholische dranken) hebben de algemene ‘bracha’ ‘shehakol niye bidvaro’ (alles is volgens het woord van Hashem geschapen).

De volgende ‘bracha’ is voor het genieten van boomvruchten en is ‘boree pri ha’eetz’.
Deze ‘bracha’geldt voor alle vruchten die aan een boom groeien. De Halachische definitie van een boom is dat het een stam heeft die continu bestaat (uitzondering is de bananenboom dat elk jaar van stam wisselt) en dat ieder jaar de vruchten automatisch groeien aan de boom (uitzondering zijn de meloensoorten en ananas, die gezaaid worden en op grond groeien en niet in bomen).
De ‘nabracha’ voor alleen de 5 speciale vruchten (ook in gedroogde vorm) waarvoor het land Israel geprezen wordt, is ‘me’ein shalosh’.
Voor de andere vruchten volgt de ‘nabracha’: ‘boree nefashot’, een algemene ‘nabracha’ voor alle voeding, behalve de speciale vruchten en alle brood. Het is een dankgebed aan Hashem, die alle levende wezens in leven houdt.
Over alle groentes wordt de ‘bracha’ ‘boree pri ha’adama’ gezegd. Ook over groentes die herkenbaar zijn in een soep, bijvoorbeeld groentesoep of bonensoep zeggen we ‘boree pri ha’adama’. Wanneer de groentes niet herkenbaar zijn in een soep dan zeggen we ‘shehakol niye bidvaro’.
Ook over gekookte groentes, zoals spinazie en aardappelen zeggen we ‘boree pri ha’adama’. Over rijst zeggen sommigen ‘boree mine mezonot’ en anderen zeggen ‘boree pri ha’adama’.
De ‘nabracha’ van groentes is in ieder geval ‘boree nefashot’.

Er volgt nog een laatste ‘bracha’, de algemene ‘bracha’: ‘shehakol niye bidvaro’ (alles is in Zijn woord geschapen).
Deze ‘bracha’ wordt over voedsel gezegd wat niet direct op aarde groeit, bijvoorbeeld vlees, vis, eieren, dranken, kaas, niet herkenbare verwerkte voeding, zoals snoep en over alle sappen en soepen dat niet een deel van de vrucht bevatten. Ook zeggen we ‘shehakol niye bidvaro’ als we niet zeker weten welke ‘bracha we moeten zeggen’.
Ook hier geldt de nabracha ‘boree nefashot’.

De ‘voorbrachot’ en de nabracha ‘boree nefashot’ moet men uit het hoofd kennen. Men kan niet altijd een ‘siddur’ bij zich hebben en afgezien daarvan is het niet zo moeilijk om en paar ‘brachot’ uit het hoofd te leren. Zeker verwacht elk Torah-getrouw Rabbinaatsgerecht dat men deze ‘brachot’ uit het hoofd kent.

Zegenspreuken van het genieten van goede reuk.

Ons allen is bekend dat einde van Shabbat bij de ‘Havdalla’-ceremonie tijdens afscheid nemen van de Shabbat zeggen we eerst een ‘braha’ over het ruiken van ‘besanim’ (welruikende specerijen) en dan ruiken we de ‘besamin’.
De reden die in de bronnen gegeven wordt, is dat op Shabbat als we dit volgende Halacha observeren, begeleidt ons een extra ziel (‘neshama yettera’). We begrijpen deze extra ziel als een spirituele verrijking en revatilisatie van onze ziel, geborgenheid, zorgenloosheid en en genieten van een beetje paradijs op aarde. Deze extra ziel verlaat ons aan het eind van Shabbat en onze ziel is triestig om het verlies van de ‘neshama yettera’. Volgens de Talmud (TalBav) op het vers in Psalmen: laat alles wat adem heeft G-d loofliederen zingen! Halleluya! 150


De Talmud stelt vast dat de enige wat ons ziel geniet, is een goede geur.
‘Boree minee besamin’ is een algemene ‘bracha’ voor alle soorten van goede geur van kruiden, bloemen, specerijen enz., vergelijkbaar met voeding met de ‘bracha’ ‘shehakol’. Ook hier kunnen we onderscheiden en meer specifiek zijn over goed ruikende kruiden, zoals roosmarijn, lavendel, mint, dan is de ‘bracha’ ‘boree ishvee besamin’ of goedruikende fruitsoorten, zoals etrog en andere goedruikende fruit dan zeggen we ‘hanotem reach tof baperot’ vertaald diegene die goede geur in fruiten verleent.
We is interessant Halachisch vast te stellen dat men op Yom Kippur niet mag genieten van elke soort voedsel of drank, maar toch het genieten van een goede geur, bijvoorbeeld een appel met kruidnagel, mag wel op Yom Kippur met de passende ‘bracha’ over geur. Als we dat beoordelen dan zien we dat een goede geur een directe verbinding met onze ziel heeft. Yom Kippur heeft een directe relatie met ziel en spiritualiteit en misschien mag men daarom op Yom Kippur goede geuren tot zich nemen.

B. ‘Brachot’ over de ‘mitzvot’ (geboden).

Over vele van onze ‘mitzvot’ (geboden) zeggen we een ‘bracha’ voor het vervullen van de ‘mizva’.
De formulering van de ‘brachot’ gaat terug op Talmudische en Gaonitische tijd. Zelfs over Rabbijnse ‘mitzvot’ zeggen we aan ‘bracha’, bijvoorbeeld het aansteken van de Chanukkah-kaarsen, lezeing van de ‘Megillah’ en aansteken van de Shabbat-kaarsen. In elke ‘ bracha’ over de ‘mitzvot’ is de formulatie over de koningschap van Hashem (‘melech ha’olam’) en dat we geboden worden om de ‘mitzvot’ van Hashem uit te voeren (‘asher kidshanu be’mitzvotav vetivanu’).
Dit geldt zelfs voor Rabbijnse ‘mitzvot’, omdat Torah en Hashem ons gebieden onze wijzen te volgen in al hun beslissingen en niet naar links of rechts te wijken
(Tal.Bav;Shabbat 23A).


Drie ‘mitzvot’ zijn een uitzondering waarbij we de ‘bracha’ na de uitvoering van de ‘mitzva’ uitspreken:
a. Aansteken van de Shabbat-kaarsen.
Shabbat begint met het uitspreken van de ‘bracha’ over de Shabbat-kaarsen, dus kan meestal de vrouw de ‘bracha’ eerst spreken na het aansteken van de kaarsen. Omgekeerd als we eerst de ‘bracha’ zeggen dan staan we voor het probleem dat de Shabbat al begonnen is en we nogen dan niet meer de Shabbat-kaarsen aansteken.
b. Handen wassen (‘netillat yadayim’)
We zeggen de ‘bracha’ over het handen wassen pas na het gieten van water over onze handen, omdat voor die tijd onze handen niet proper zijn en als gevolg daarvan zijn we niet in staat de ‘ bracha’ over handen wassen te zeggen.
De algemene gewoonte is dat we de ‘bracha’ zeggen tijdens het afdrogen van onze handen.
c. ‘Tevilah’ (onderdompeling) in de ‘mikvah’ voor ‘ger’/’giyoret’ en voor een ‘nidda’ na haar reiniging.
Bij ‘ger’/’giyoret’ kan de ‘bracha’ over de onderdompeling in de ‘mikvah’ (
‘al hatevila’) pas gezegd worden als beide Joods zijn geworden. De beslissende handeling van elke ‘giyur’ is de onderdompeling in de ‘mikvah’ in aanwezigheid van eenn Halachisch erkende Beth Din. Dus kan men voor de onderdompeling geen zegenspreuk zeggen.
Bij een vrouw na haar ‘midda’-periode plus 7 reinheidsdagen, is de onderdompeling in de ‘mikvah’ een plicht vand e Torah. Haar status van ‘tahora’ ontvangt zijn pas na de onderdomoeking in de ‘mikvah’. Pas dan is zij geschikt de ‘ bracha’ over de onderdompeling te zeggen.

De ‘mitzvot’ van ‘Channa’.
Drie ‘mitzvot’ hebben de Rabbijnen gereserveerd voor de vrouwen:
1. ‘
Challah’
Bij het bakken van een cake bestaand uit een meelmassa van 1,2 kg is het een Torah—gebod een kleine stukje van het deeg af te zonderen, ‘challa’ genaamd en daarbij een ‘bracha’ te zeggen
: ‘asher kidshanu ..... lehafrish challa min ha’isa’. Deze ‘ bracha’ wordt 1 keer gezegd ongeach de hoeveelheid vn deeg dat gemaakt wordt. Als een man aan het bakken is, moet hij natuurlijk de ‘bracha’ zeggen.


2. ‘
Nidda’
De belangen van de wetten betreft de reinheidswetten van de familie (‘Taharat Hamispacha’) hebben onze Rabbijnen in de handen van de vrouw gelegd. Zij genieten het vertrouwen van de Torah en onze wijwzen.
Het is vanzelfspreken dat deze wetten door de echtgenoot gerespecteerd moeten worden. Daarom is het voor een bruidegom en bruid verplicht lessen te volgen bij een Rabbijn of Rebbetzin over ‘Taharat Hamispacha’.
3.’
Hadlakat nerot’ van Shabbat
Het privilege om de Shabbat en Feestdagen-kaarsen hebben Rabbijnen aan de vrouw overgedragen. Dit is omdat
a. Zij is meestal thuis en kan goed ervoor zorgen voor de uitvoering van deze ‘mitzva’.
b. Zij zal het licht van Shabbat als een soort ‘wiedergutmachung’ voor haar rol in het verleiden van Adam om van het verbodene vrucht te eten. Dit bracht dood in de wereld. Licht is het tegenovergestelde van donkerheid en dood.
Het is vanzelfsprekend dat als een man vrijgezel is en niet meer bij zijn ouder woont, hij verplicht is om kaarsen voor Shabbat aan te steken.

Bij de volgende ‘mitzvot is het een plicht om een ‘ bracha’ te zeggen:

  • Bracha’ over het leren van Torah (3 ‘brachot in de ochtendzegening)

  • Brachot’ over het aanleggen van ‘Tzitzit’ en het omhullen met een ‘Tallit’

  • Brachot’ over het aanleggen van ‘Tefillin’.
    Volgende Ashkenasische gewoonte zeggen we staand een ‘bracha’ voor de ‘Tefillin shel yad’ en een andere ‘bracha’ over ‘Tefillin shel rosh’. We mogen tussen deze twee ‘brachot’ niet spreken, dit geldt als onderbreking en verlies van aandacht. De Sefardische gewoonte is om zittend alleen een ‘ bracha’ over ‘Tefillin shel yad’ te zeggen.

  • Bracha’ over het vastleggen van een ‘Mezuza’.
    Als we meerdere ‘Mezuzot’ op hetzefde tijd vastleggen dan zeggen we maar één ‘bracha’.

  • Brachot’ over ‘Brit Millah’ (besnijdenis).
    Zowel de ‘Mohel’ als de vader zeggen een ‘bracha’.
    Ook bij de besnijdenis van een ‘Ger’

  • Bracha’ over ‘Pidyon Haben’ (verlossing van de eerstgeborene)
    Na de verlossing zegt de vader van het kind een ‘ bracha’ over de voltrokken verlossing.

  • Bracha’ over de plicht van het eten van ‘Matzah’ (‘kezayit’ ca. 40gram) in de ‘Seder’-nacht(en) van Pesach

  • Bracha’ over het eten van ‘Maror’ in de ‘Seder’-nacht(en) van Pesach

  • Bracha’ over het blazen vand e ‘Shofar’

  • Bracha over het wonen/eten in de ‘Sukkah’

  • Bracha’ over de ‘Lulav’ tijdens Sukkot

  • Bracha’ over het aansteken van de Chanukkah-kaarsen

  • Bracha’ over de lezing van de ‘Megillah’

  • Bracha’ voor het vernietegen van ‘Chametz’ (‘Biur Chametz’)

  • Bracha’ over de telling van de ‘Omer’

  • Bracha’ voor de ‘Shechita’

  • Bracha’ over ‘Truma’ en ‘Ma’aser’ (over groente en fruit van ‘Eretz Israel’)

  • Bracha’ over de verschillende ‘Eruvin’, in het bijzonder ‘Eruv Tavshilin’

  • Brachot’ van ‘Kiddush’ en ‘Havdallah’

  • Brachot’ van ‘ Lechem Mishne’ (broden van Shabbat)

  • Bracha’ over Hallel (loofgezang aan alle Feestdagen en Rosh Chodesh)

  • Bracha’ over de priesterzegen, welke de ‘kohanim’ zeggen voor de priesterzegen

Over ‘mitzvot’ die geen beperking hebben, wordt geen ‘bracha’ gezegd:

  • Het vertellen over de uittocht van Egypte in de ‘Seder’-nacht(en)

  • Ouderering

  • Ziekenbezoek

  • Gastvrijheid

  • Weldadigheid

  • Begeleiden van de doden (‘Gemillut Chassidim’)

Er wordt geen ‘ bracha’ gezegd als we bij het uitvoeren van de ‘mitzva’ afhankelijk zijn van een ander persoon:

  • Alle talrijke soorten van ‘Tzedekka’

  • Trouwen met een vrouw of man

  • Voortplanting


Dankbrachot’


  • De ‘bracha’ ‘Asher Yetzar’ (‘Hashem die de mens met wijsheijd gevormd heeft en in hem geschapen heeft velerlei openingen en velerlei holle organen’).
    Deze ‘bracha’ zeggen we in de ochtenzegenspreuken, ‘ morgens als we optstaan en elke keer als we onze behoeften hebben gedaan, ongeacht de kleine of grote behoefte. Wij nemen niet vanzelfsprekend dat de mens altijd zijn behoeftes gemakkelijk en zonder moeite verrichten kan. De mens zal niet kunnen bestaan, zonder zijn behoeftes te doen. Na het toiletbezoek danken we Hashem dat we opgelucht zijn indien we onze behoeftes gedaan hebben.
    Deze ‘ bracha’ moet men uit het hoofd kennen, omdat we natuurlijk niet met een ‘siddur’ het toilet binnen kunnen gaan. Het wordt door alle Rabbinale gerechten verwacht dat de kandidaat deze ‘ bracha’ uit het hoofd kent.

  • De ‘ bracha’ van ‘Hagomel’ (bij de genezing van een zware ziekte, bij de redding van een zwaar ongeval, na een geboorte, na een vliegreis over een oceaan langer dan 72 minuten.
    Bekijk mijn essay over dit thema ‘Halacha Aktuell Volume pag.373-380(Soll man den Segenspruch ‘Hagomel’ nach einer Flugreise sprechen? Sollen Frauen den Segenspruch ‘Hagomel’ nach der Entbindung sagen? waar volgens mijn geëerde leraar en mentor, Rav J.B. Soloveitchik (1903-1993) de ‘bracha alleen gezegd wordt als er echt gevaar bestond voor het toestel en de passagiers. Ik persoonlijk volg deze Halachische beslissing.


  • De ‘bracha’ ‘shehecheyanu’ (dat we mogen beleven een feest of gebeurtenis).
    Deze ‘ bracha’ wordt bij alle Torah en Rabbijnse (Purim en Chanukkah) Feestdagen gesproken, bij het geboorte van een kind, bij het publiceren van een werk (zonder de naam van G-d), bij het bereiken van een ronde jubileumsverjaardag van 70, 80 enz (ook zonder de naam van G-d), bij aankoop van een belangrijk object, bijvoorbeeld een huis, auto en natuurlijk bij het aantrekken van een nieuwe dure kleidingstuk (uitzondering schoenen, wordt geen ‘bracha’ gezegd, omdat leer verbonden is met de dood van dieren).


  • De ‘ bracha’ van ‘hatov vehametiv’ (De goed voor ons is en Die ons altijd altijd goeds heeft bewezen°
    Deze ‘ bracha mag gezegd worden bij het geboorte van een kind en bij aankoop van objecten waarvan ook andere familieleden van kunnen gieten, bijvoorbeeld wasmachine, auto, computer etc.

  • In de lente als de boomvruchten beginenn te bloeien (meestal in de maand Nisan) zeggen we een dankbracha dat een keer per jaar gezegd wordt.Zie ‘Halacha Aktuell’ Vol. I pag. 335-338 ‘Am kleinen die Grö?e Gottes erkennen’ Vom tieferen Sinn einer weltenen ‚Bracha‘.


  • Bij de dood van éën van de zeven eerstegraads verwanten ( vader, moeder, zoon, dochter, broer, zus, echtgenoot, echtgenote)
    Deze ‘ bracha’ wordt gezegd met de kongingschap en de naam van G-d.
    Bij andere verwanten, bekenden, vrienden enz zegt men de ‘ bracha’ zonder de koningschap en naam van G-d, (dus alleen ‘Baruch Dayan Hamet’)
    De Rabbijnen zeggen dat de mens Hashem moet danken voor zowel het goede als wat door de mens als slecht gezien wordt.
    Het is deel van onze absolute liefde van G-d dat wij in moeilijke omstandigheden de uitspraak van G-d accepteren en een dankzegening zeggen. Persoonlijk heb ik dit ervaren als ëën van de moeilijkste ‘brachot’ die ik ooit heb gezegd bij het overlijden van mijn zaliger vader, moeder en jongste broer Baruch.


Lofbrachot’, zegeningen over natuurfenomenen en zegen ter gelegenheid voor bijzondere gebeurtenissen.

Elke ochtend zeggen we in de ochtenzegenspreuken 14 ‘loofbrachot’., zowel voor mannen als voor vrouwen. Sommige zijn ons heel begrijpelijk:

  • Hashem geeft ons na de slaap onze ziel terugDat we ons mogen aankleden

  • Dat we beschikken over ons ziensvermogen

  • Dat we kunnen lopen

  • Dat we genoeg rust rust en slaap hadden om Hashem weer te kunnen dienen.

Er is een verschil in volgorde en formulering van deze zegenspreuken in de Ashkenasische en Sefardische ‘siddur’.




We hebben ‘brachiot’ voor bijzondere natuurfenomenen:

  • Bracha’ over bliksem, donder en regenbogen.
    Deze drie ‘brachot’ hoeft men maar eenmaal per dag te zeggen als die verschijnen.

  • Er is een bijzondere ‘ bracha’ over de grote oceaan, als men meer dan een jaar het niet gezien heeft.

  • Er is een ‘bracha’ over hoge bergen, als men die lange tijd niet gezien heeft.

  • Er is een ‘ bracha’ als men een vulkaan met eigen ogen ziet uitbarsten.

Bij een ontmoeting van een grote Torah-geleerde.
Bij een ontmoeting van een grote niet-Joodse geleerden, zoals wetenschappers.
Bij een directe onmoeting van een koning/koningin

Het concept van ‘bracha’ (zegening) is typisch Joods. Het woord ‘bracha’ komt van de stamletters ‘bet, raish, chaf’ en betekent ‘knieën’. Als men vroeger een zegening ontving, knielde men. In de ‘Misjna’ en Talmud is een volledig tractaat met de naam ‘brachot’.



Links: Koning Filip en koningin Mathilde van Belgiè
Rechts: Koning Willem-Alexander en koningin Maxima van Nederland

De ‘brachot’ beïnvloeden het denken, de sfeer thuis en in de gemeenschap en worden als barometer van vroomheid gezien. Kinderen leren de ‘brachot’ op jonge leeftijd (vanaf het beginnen praten, natuurlijk op hun niveau) en zo wordt dit een automatisme om voor en na het eten de bijbehorende ‘brachot’ te zeggen.

In alle Joodse scholen begint de dag met het gebed. Dit is een bewijs hoe belangrijk het gebed in het Jodendom is.

Persoonlijk bemerking:
Een Joodse religiositeit moet ontplooien in de familie en als dit niet binnen de familie gegeven wordt, is dit moeilijk te behalen.


De Psalmen = ‘Tehellim’

De hoofdauteur van het boek ‘Psalmen’ is volgens de Joodse traditie koning David. Koning David was De koning van Israël. Hij was een kleurrijke en controversiële persoonlijkheid, een heel populaire koning, in die mate dat de Messias een nakomeling van deze koning zal zijn, maar vooral is hij bekend als de zanger van Israël die de lofgezangen ‘tehiliem’ geschreven heeft.
Volgens de Talmudische traditie waren nog 10 andere auteurs van de antieke tijd die ook een Psalm in het Psalmenboek hebben. Het meest beroemde is ‘Adam Harishon’ (de eerste mens) die Psalm 92 samengesteld heeft als hij samen met zijn vrouw Chava de eerste Shabbat in het Paradijs verbracht heeft. Deze Psalm begint met de woorden: ‘’Een Psalm, een lied voor de Shabbat. Het is goede de Eeuwige te loven, Uw naam te bezingen, Allerhoogste’’.

Psalm 90 heeft Moshe Rabbenu samengesteld. Het begint met de woorden: ‘’Een gebed van Moshe, de G-ds man.....Leer ons onze dagen te tellen, dat wijsheid ons hart vervult......Laat ons Uw genade zien, Heer, onze G-d. Bvestig het werk van onze handen, het werk van onze handen, bevestig dat’’.

Naast de Pentateuch is het psalmboek het meest populaire boek van de Bijbel. Het is ook het meest gedrukte boek, nog meer dan de ‘Chumash’ en het wordt door zowel Joden als Christenen vereerd en geheiligd. Een groot deel van onze ‘tefilot’ is direct of indirect op het psalmenboek terug te voeren.

Elke werk- en feestdag zeggen wij enkele selectieve psalmen die ons voorbereiden op het eigenlijke gebed (‘Pesukei ‘d’Zimra’).
Bij feestdagen en het begin van de maand( ‘Rosh Hodesh’) bidden en zingen wij het
‘Hallel’-gebed (loofgebed). Dit zijn de Psalmen 114 tot 118 die allemaal inhoudelijk getuigen van lof over G’d, over het privélege om G’d te dienen, het volk Israël, het innigste gebed voor nationale en persoonlijke succes en redding.



Elke werkdag, elke ‘sjabbat’ en feestdag hebben we een speciale psalm van de dag (‘Shir shel Yom’). Religieuze vrome Joden zeggen gedurende de maand het hele boek ‘Tehiliem’, andere doen dit over een week en de ultra-orthodoxen zeggen dit boek elke ‘sjabbat’.
De Lubavitcher-beweging heeft een extra boek voor de ‘Chassidim’ met de naam ‘Tatat’, wat staat voor Torah, Tehillim en het werk van de oude Rebbe, de Tanya. Elke week wordt de hele boek van Tehellim op Shabbat beëindigd, de wekelijks Torah-lezing met Rashi-commentaar op Shabbat hememaal geleerd en ook een belangrijke van het werk ‘Tanya’.

Op Sjavoe’ot (het wekenfeest), volgens de traditie de geboorte- en sterfdag van koning David, reciteren duizenden mensen aan zijn graf het volledige boek Psalmen (150 Psalmen). Volgens een oud Joodse traditie zal men op de eerste dag van het Joodse jaar de hele dag niet slapen, anders zal men zich het hele jaar verslapen. Ook deze dag wordt het volledige boek Psalmen door vele Joodse mensen gezegd. Vooral is het psalmboek een troost en hulp bij moeilijke levenssituaties. Bij zware ziekte van een verwante, bij hopeloze situaties gaan vele Joden psalmen bidden. Ook bij het bezoek van graven van verwanten en ‘tzadikim’ (heiligen) is het de gewoonte Psalmen te reciteren.

Jizkor en Kaddish’

Het Jodendom heeft grote aandacht voor onze gestorven dierbaren. Zo is een van de centrale gebeden op de drie bedevaartsfeesten en ‘Jom Kippoer’ het ‘Jizkor’-gebed. We vragen hier G’d om de zielen van onze dierbare overledenen te gedenken en eeuwige rust onder Zijn vleugels te geven in ‘Gan Eden’ (het paradijs) onder de rechtvaardigen van het volk Israël en de rechtvaardigen van de mensheid. Op Yom Kippur zelf bidden zwe om vergeving voor onze dierbaren. Het achterliggen idee hiervan is dat op het moment van de hoogste vreugde op de drie bedevaartsfeesten, tegen het eind van deze feestdagen, brengen we een gedachte en gebed aan onze lieve gestorvenen en we vergeten hen niet.
Het woord ‘Jozkor’ betekent gedenken en naast de wens dat Hashem onze lieve in goedheid gedenken zal, is het ook een appèl aan ons, om onze dierbaren niet te vergeten!
Deze gedenkdienst trekt ook vele niet-religieuze mensen naar de synagoge om respect voor hun overleden dierbaren te tonen. Vooral ‘Jom Kippur’ ziet het Jodendom als een dag voor het vragen van vergiffenis niet alleen voor onszelf, maar ook voor onze overledenen.


Shmuel Yosef Agnon (1888-1970), Nobel-prijswinnaar voor Hebreeuwse literatuur

Het ‘Kaddiesj’-gebed is een bijzondere vorm van eerbied, liefde en verbondenheid met onze overledenen. Volgens de ‘Halacha’ zal de zoon of een andere verwante tijdens de eerste 11 maanden na de dood het ‘kaddiesj’-gebed bij alle drie hoofdgebeden reciteren. Het ‘kaddiesj’-gebed is in het Aramees en van een zeer oude kabbalistische oorsprong, dit van toen het Aramees nog een gesproken taal onder het gewone Joodse volk was.
A. Het gebed is een lofhymne voor G’d. Het is tevens een rotsvaste verklaring van de loyaliteit tegenover G’d, Israël en een geloof in een betere wereld.
B. Shmuel Yosef Agnon (1888-1970), Nobel-prijswinnaar voor Hebreeuwse literatuur , een vrome en grote geleerde van Jodendom, schrijf dat het ‘Kaddish’-gebed beïnhoudt dat de leegte dat ontstaat door het overlijden van een dierbare verwante of goede vriend, vullen we als we samen nader tot elkaar komen.
C. In Talmud staat ook in naam van Rabbi Akiva dat als een zoon het ‘Kaddish’-gebed reciteert, kan hij de ziel van de overleden vader of moeder, op een hoger niveau brengen of redden van een strafmaat.

Het enige dat je kan doen voor je overleden dierbaren is getrouw het ‘kaddiesj’-gebed regelmatig (elke dag) tijdens de diensten te reciteren, minstens eenmaal per dag. Dit vergt een grote inzet en offer van de betrokkene want de synagoge wordt het dagelijkse uurrooster.. Het ‘kaddiesj’-gebed heeft namelijk een ‘minjan’ (een forum van minstens 10 volwassenen Joodse mannen) nodig, privé kan dit niet gezegd worden.

Persoonlijk: Als mijn vader en moeder overleden was, heb ik regelmatig, bijna een volledig jaar, het ‘kaddiesj’-gebed gereciteerd en dit heeft me veel troost gegeven en gesterkt, alhoewel het een zeer grote inzet vergt.


Het ‘Alenoe’

Het slotgebed van elke privédienst of synagogale dienst is het ‘Alenoe’-gebed. Volgens de Talmud heeft Joshua, de grote opvolger en trouwe leerling van Moshe, dit geschreven toen hij als generaal het land Israël veroverde. Het is aan onze G’d te danken dat wij geen afgodendienaars zijn, maar dat we De Koning der koningen mogen dienen, De Schepper van het Al.

In dit korte imposante en monumentale slotgebed van het Jodendom komen vier idealen Messiaanse aspecten naar voren:

  • De gehele mensheid zal geen afgoden meer dienen.

  • Het monotheïstische idee dat alle mensen in één G’d geloven.

  • De gehele mensheid zal kiezen voor vreedzame doeleinden

  • De mensheid zal G’d als Koning van de wereld erkennen.


Het was nooit het streven van het Jodendom geweest dat de hele mensheid Joods zou worden. De verwachting van het Jodendom tegen zichzelf zijn zo rigoreus en verlangend dat voor de gewone mensen dit praktisch niet haalbaar is. Het Jodendom zal meer dan tevreden zijn als alle mensen de 7 Noachidische geboden observeren en op die manier bijdragen dat onze wereld leefbaar wordt.

In oude versies van het ‘Alenu’-gebed stond de volgende zin: ‘’Dat wij dienen en bukken voor een levende G-d en zij (?) dienen en bukken tot een niet-bestaande G-d, zoals lucht , leegte en nietig is.
Sommige onwetende Joden spuugden bij het spreken van deze zin, want ze verwisselden het woord ‘rik’ (nietig) met ‘rok’ (spuug). En daarom heeft de kerkelijke censuur deze zin uit de ‘siddur’ verwijderd in de aanname dat deze zin zich op Jezus en de Christenen richtte.
Vandaag staat in de meeeste ‘ siddurim’ deze zin in haakjes.

Volgens (niet-bevestigde) legenden hebben de Joden in Praag tijdens het voorbijgaan van de Maria- en Jezusbeeld aan de Karlsbrug gespuugd naar het beeld. Als gevolg hebben de kerkautoriteiten besloten een kruis bij dit beeld te zetten met de Hebreeuwse zin: ‘’heilig, heilig is de eeuwige Tsefaot’’ (Jesaja;6:3). En zo dachten ze dat het spugen van de Joden richting het Jezus-beeld zou stoppen, maar tegenwoordig staat bij het momument een verklaring van de Praagse autoriteiten dat dit verhaal een antisemitische oorsprong heeft en niet gebaseerd is op historische feiten. Dit beeldenis staat tot op vandaag op de Karlsbrug en is een van de meest bezochte Jooodse bezienswaardigheid van Praag.


Karlsbrug in Praag: crucifix met Hebreeuwse bijbelse zin uit Jesaja 6:3.


Het gebed voor regen en dauw

In elk ‘Shmoneh Esreh’ wordt voor regen (in winter) of dauw (in zomer) gebeden. Het gebed voor regen bevindt in zeg in de tweede ‘bracha’/gebed en het gebed voor dauw bevindt zich in de negende ‘bracha’/gebed.Het vragen naar regen en dauw is niet bedoeld voor onze Belgisch-Nederlands klimaat, maar we bidden voor regen en dauw in Israël. Het is namelijk zo dat het in ‘Eretz Israel’ alleen regent in de winter, wat van essentieel levensbelang is voor de bewoners van ‘Eretz Israel’. Bij het slot van het Loofhuttenfeest, ‘Shemini Atzeret’ (herfst) beginnen we het regengebed te zeggen vanaf ‘Mussaf’. Op de eerste dag van Pesach (lente) zeggen we het dauwgebed vanaf ‘Mussaf’. In de Ashkenasische traditie hebben we prachtige regen- en dauwgebeden in religieus poètische gedichten die de middeleeuwse poeet, Rabbi Elazar Hakalir en Rabbi Yannai samengesteld hebben. Deze poètische geidchten wordt door de ‘chazan’ op een bijzonder cantoraal muzikale manier voorgezongen endit wordt door de gemeent herhaald. De ‘chazan’ draagt een ‘kittel’ (wit gewaad met een witte cantorshoed) net zoals op Rosh Hashana en Yom Kippur, om de ernst van het moment weer te geven.


Het is interessant op te merken dat de Hogepriester éèn keer per jaar het Allerheiligste betrad en hierbij een gebed dat het geen droog jaar zou worden, maar ook niet een jaar met teveel wateroverlast.
Dat de bewoners van het Sharon-dal niet door het water overstroomd zullen worden en hun huizen niet hun graven worden (Tal.Jer;Yuma5:2)).
We hebben een complete traktaat in de Talmud (traktaat ‘Ta’anit’) dat de procedure bespreekt als er geen regen tot ‘Rosh Chodesh Kislev’ is gekomen.
Men heeft 13 openbare vastendagen geïntroduceerd, elke vastendag strikter dan de voorgaande.
De Talmud bericht ons dat eens bij een regentekort men aan Rabbi Akiva vroeg om te bidden voor regen; hij ging staan bij de ‘bimah’ en bad
: ‘’Onze Vader, onze Koning, we hebben alleen U’’ (Tal.Bav;Ta’anit 25A) en volgende Talmud begont het te regenen. Hier ligt ook de oorsprong van het gebed ‘Avinu Malkenu’ (Onze Vader, onze Koning’).
Tenslotte willen we erop wijzen dat het ‘Tal’-gebed in Ashkenas niet in het ‘Shmoneh Esreh’ gebeden wordt, omdat volgens de Talmud de dauw vanzelf komt, ook zonder te bidden. In de Sefardische ritus wordt zwel gebeden voor dauw, maar bij de herhaling van ‘Shmoneh Esreh’ wanneer de ‘chazan’ over dauw spreekt, antwoordt de gemmente met de wooorden: ‘lifracha’ (voor zegen).

Oorspronkelijk was het Joodse volk een boerenvolk. Een blik doorheen de Torah en de verschillende geboden en feestdagen i.v.m. landbouw geeft ons een inzicht hoe belangrijk het bewerken van land, agricultuur in het Joodse gebed inneemt. In de loop van de lange ‘exil’ konden Joden door de omstandigheden niet actief het land bewerken. Gelukkig vandaag is in het moderne Israël een boeiende en bloeiende landbouw. De inwoners van Israël zijn immers afhankelijk van regelmatige regen, anders komt honger, inflatie en achteruitgang over dit Heilige Land


Het reisgebed – ‘Tefilat haderech’

De Jeruzalemse Talmud leert ons dat ‘’alle wegen zijn potentieel gevaarlijk’’ (Tal.Jer;4).
De Mishna leert ons dat iemand die reist of wandelt in een gevaarlijke plaats een kort gebed bidt, d.w.z. het reisgebed (Mishna Berachot 4:4).
De Jeruzalemse Talmud bericht ons dat de Talmud-geleerde, Rabbi Yannai,een testament geschreven heeft bij het reizen van de ene naar de andere stad, vanwege het gevaar dat onderweg gebeuren kan.
Zels in de Torah vinden we dat stamvader Yaakov weigert om zijn jongste zoon Benjamin saamen met zijn broers naar Egypte te sturen, omdat hij vreesde dat een catastrofe onderweg zou gebeuren en dit het leven van zijn jongste zoon Benjamin zou kosten (Gen;44:18-34)

De Rabbijnen hebben verordend dat mensen die onderweg in woestijnen of op zee zijn het ‘Hagomel’-dankgebed moeten zeggen als ze terug gekomen zijn zonder lichamelijke of materiele schade.
We moeten bedenken dat in de oudheid, middeleeuwen en zelfs tegenwoordig de wegen gevaarlijk zijn, vanwege gevaar van rovers, piraten, ‘wilde dieren’ (agressieve verkeersdeelnemers die zeer vaak hun eigen leven dat van anderen in gevaar brengen) en voor mogelijke ongevallen.

Als men de verkeerstatistieken van het land Israel bekijkt, zijn de cijfers van dodelijke slachtoffers of van mensen die levenslang invalide zijn geworden hoger dan mensen die gesneuveld zijn tijdens het verdedigen van het land Israel.
We begrijpen zeer goed waarom de Talmud erop staat het reisgebed voor vertrek te zeggen.

We bidden Hashem dat Hij ons zal beschermen op alle mogelijke transportwegen: ter land, ter zee en in de lucht.


Als men het stadsgebied verlaat of men op de snelweg komt, zal men het reisgebed zeggen:
‘’Moge het U wil zijn, Eeuwige, onze God en God van onze voorouders, dat U ons in vrede zult laten reizen, ons in vrede zult leiden, ons tot steun zult zijn in vrede, dat U ons ons reisdoel zult laten bereiken; ons leven behoedend, in blijdschap en in vrede.
Moge U ons redden uit handen van iedere vijand die het op ons gemunt heeft, van verkeersongeluk en van allerlei noodlottige gebeurtenissen, die plotseling over de wereld kunnen komen.
Laat er zegen rusten op hetgeen we ondernemen en laat ons sympathie en liefderijk medeleven bij U vinden en bij allen die ons ontmoeten. Moge U ons gebed verhoren, want U bent een God die een gebed verhoort.
Geprezen, U, Eeuwige die een gebed verhoort’’.
(Dasberg Siddur pag. 365-366)

Het is van grote nut om het gebed uit het hoofd te kennen. Als dit niet het geval is, zal men het in de stad nog zeggen voor dat men wegrijdt met de auto.
Het reisgebed wordt éèn keer per dag gezegd en als men meerdere dagen onderweg is dan hoeft men het niet meer te zeggen totdat men aangekomen is op plek van bestemming.
Als men in de stad reist, hoeft men niet het reisgebed te zeggen, ofschoon het reizen in de stad ook gevaarlijk kan zijn. Het best is dann om Psalmen te zeggen, in het bijzonder Psalm 91:11 ‘’Hij vertrouwt je toe aan Zijn engelen, die over je waken waar je ook bent’’ en Psalm 121:7-8 ‘’ De Eeuwige behoedt je voor alle kwaad. Hij waakt over je leven, de Eeuwige houdt de wacht over je gaan en komen van nu tot in eeuwigheid’’.

Volgens de grote Franse Rabbijnen, de Tosafisten (11de en 12de eeuw) uit de Middeleeuwen waren de Franse straten gevaarlijk en daarom wordt geëist dit gebed te zeggen. We moeten toegeven dat nu in de 21ste eeuw alle wegen niet minder gevaarlijk zijn als in de middeleeuwen, ja misschien zelfs wel gevaarlijker. De meeste Halachische autoriteiten claimen dat het ook vandaag nodig is dit gebed te zeggen, niet alleen met de auto, maar ook met het vliegtuig. In Israël bestaat een gadget die dit gebed reciteert als je erop drukt.

Minyan’

Letterlijk het minimaal vereiste quorum om een openbare dienst mogelijk te maken.
Vele ‘Mitzvot’ en gebeden kunnen we alleen in gemeenschap volbrengen. Het Jodendom is een geloofsgemeenschap dat zich niet zo op het individu richt, maar met name op gemeente of gemeenchap.
Voor een ‘minyan’ tellen Halachisch alleen 10 volwassen Joodse mannen. De aan mij vaak gestelde provocatieve vraag ‘ waarom worden vrouwen, kinderen en aanstaande ‘Gerim’ (proselieten) niet meegerekend voor een ‘minyan’?,’ wil ik graag bij deze verklaren. Het antwoord is zeer eenvoudig. Deze groep van mensen zijn niet verplicht van de Halacha om op regelmatige basis de diensten bij te wonen. Zij doen dit alleen vrijwillig, maar waarschijnlijk zal men het best zeggen ‘ wie plichten heeft, heeft ook rechten’.
Vrouwen zijn van veel tijdsgebonden ‘Mitzvot’ bevrijd, vanwege hun verantwoordelijkheid voor kind en gezin. Aangezien dat de openbare dienst van de synagoge aan bepaalde tijdstippen gebonden is, zijn ze bevrijd.
Kinderen onder de ‘ Bar Mitzva’-leeftijd zijn wel verplicht om ‘Mitzvot’ te vervullen, vanwege de reden van ‘Chinuch’ (Joods religieuze opvoeding), maar dit is meer op facultatieve wijze en niet verplichtend (Zie ons essay over ‘Chinuch’:
www.bestjewishstudies.com onder de link ‘Essays en artikelen’). Zolang potentiële ‘Gerim’ hun Halachische ‘Giyur’-proces nog niet hebben afgerond, is het uitoefenen van alle ‘Mitzvot’ op vrijwillge basis en is niet een plicht.
De Mishna in traktaat ‘Avot’ leert ons dat men zich niet van de gemeenschap zal afzonderen (Tal.Bav; Avot 2:4;Ta’anit 11A) en we hebben de beroemde zin uit trakaat ‘
Sanhedrin’: ‘Kol Israel zijn solidair en collectief verantwoordelijk en met elkaar verbonden. Deze zin zeggen we in elke inzegening van een neiuwe maand, ‘Chaverim Kol Israel’ ‘Heel Israel is met elkaar verbonden’ (Tal.Bav. Sanhedrin 27b).



Vele van onze gebeden zijn in het meervoud geformuleerd. Zo is de zondebekentenis (korte en lange versie) in het meervoud geformuleerd, bijvoorbeeld ‘ wij hebben gezondigd, op de zonden die we hebben...onze ouders en leraren geen respect gegeven’’.
Het hele ‘Stille Gebed’ (‘Shmoneh Esreh’) is in het meervoud geformuleerd. En zeker speelt de hoofdgedachte van collectieve verantwoordelijkheid een grote rol.
Ja zelfs als de oorspronkelijke tekst in het enkelvoud staat, zoals ‘Genees mij, Eeuwige dan zal ik gezond zijn, red mij, dan zal ik veilig zijn (Jeremia 17:14) is in het ‘Shmoneh Esreh’ in het meervoud geformuleerd.
Van de vers ‘’Ik zal heilig worden in Israel’’ (Leviticus 20:26) leren de Rabbijnen ons dat elke ‘Mitzva’ wat met heiligheid verbonden is, vereist een ‘Minyan’.


Dat een gemeenschap bestaat uit 10 volwassen Joodse mannen, leren de Rabbijnen van de verkenners: ‘hoelang blijft dit ‘verdorven volk’ (‘edah’) nog tegenover Mij klagen. Ik heb hun voortdurende geklaag lang genoeg aangehoord’’ (Numeri,14:27). We zien uit deze Bijbelvers dat de 10 verdorven verkenners als een gemeente aangesproken wordt.
Bij de straf van Sodom en Gemorra pleideert Avraham met Hashem om de steden Sodom en Gomorrah te redden. Hashem antwoordt op zijn verzoek: ‘’als 10 rechtvaardigen in zich in Sodom en Gomorrah, zal ik die steden niet vernietigen’’.
Bij het schrijven van dit essay staan we vlak voor Pesach en het is een gewoonte in Israel bij het onderzoek van ‘Chametz’ (‘Bedikatz Chametz’) om 10 stukjes van ‘Chametz’ in zilverpapier te verpakken en overal in de woning te leggen, zodat de ‘bracha’ geen nietige lofzegging wordt.
Tenslotte vinden we over de tiende ook in Levitcus 27:32: ‘’de tiende zal helig zijn voor Hashem’’.
De volgende gebeden hebben een ‘minyan’ nodig: Alle ‘Kaddish’ variaties, het zeggen van ‘Barchu’,’Kedusha’ bij herhaling van het ‘Stille Gebed door de ‘chazan’ en de openbare lezing van de Torah met de lofzegeningen voor en na het lezen van de Torah.
We sluiten ons essay over ‘Tefillah’ met de Psalmvers waar me elke ‘Kabbalat Shabbat’ (ontvangst van Shabbat) mee beginnen: ‘‘Kom, laten wij jubelen voor de Eeuwige, juichen voor onze rots, onze redding. Laten wij hem naderen met een loflied, hem toejuichen met gezang’’ (Psalm 95:1-2).


Het ‘Chassidisme’

De stichter van het ‘Chassidisme’, de ‘Baal Shem Tov’ (1698-1760), heeft het gebed als één van de belangrijkste pilaren van het Jodendom gezien en zo bidden ‘Chassidim’ met veel extase en ‘sjokkelen’ (heen en weer bewegen) om de concentratie te verhogen en zich van vreemde gedachten te bevrijden. Vele ‘Chassidiem’ gaan ook in het rituele bad( ‘mikve) voor het bidden zelfs op Shabbat en Feestdagen, behalve Yom Kippur, wassen de handen ritueel elke keer voor het gebed en blijven rustig mediteren voor het eigenlijke gebed. Bij de Chassidiem kijkt men niet op het horloge bij het gebed. Urenlang bidden ze en bij bezoek van hun rebbe ontvangt men algemeen veel sterkte en inspiratie voor de komende weken. Van de vele verhalen van het Chassidisme over de belangstelling en eminente plaats van het gebed wil ik twee afsluitende verhalen vertellen:

Het mooiste gebed met de letters van het ‘Alef Bet’
Een jongen leefde ten tijde van de ‘Baal Shem Tov’, hij had geen Joodse opleiding en kon alleen de letters herkennen. Hij kon dus ook niet bidden. Na het blazen van de ‘sjofar’, begon hij de letters te zeggen. De ‘Baal Shem Tov’ vertelde dat dit meer macht had in de hemel dan alle gebeden. De jongen voldeed aan de dienst van het hart. De intentie is vooral van belang bij het bidden. ‘Tefila’ is een zeer innige band tussen G-d en de Joodse mensen.

De Gebedsladder (‘soelam’)

Ver van huis, lag onze aartsvader Ja’akov te slapen op een steen. Hij droomde toen over een ladder( ‘soelam’), waarop engelen heen en weer gingen. Rabbi Elimelech Weisblum uit Lizhensk (1717-1787), een van de bekendste meesters van het Poolse Chassidisme, geeft hierop het volgende antwoord in zijn beroemde werk ‘Noam Elimelech’:

De ladder is het symbool van gebed. Door Ja’akov in de droom een ‘soelam’ te laten zien ‘die op de aarde stond en tot in de hemel reikte’, toonde G’d aan Ja’akov dat gebed, ‘tefilah’, als een ladder is die de hemel met de aarde verbindt. Die de mens met G’d verbindt.

De woorden van het gebed zijn als engelen die opgaan naar G’d en die G’d weer naar beneden stuurt met zegening als antwoord. Daarom staat er ook ‘de engelen stijgen op en dalen af’. Zij nemen onze woorden mee van de aarde en geven die aan G’d. G’d buigt zich over de ’soelam’ om de woorden in ontvangst te nemen en Zijn reactie nemen de engelen weer terug mee naar de aarde. G’d kijkt pas naar de aarde als de mens eerst naar Hem heeft opgekeken.

De manier waarop wij ‘davvenen is het stijgen op de ladder. Wij vragen eerst om de gewone dingen zoals voedsel en een goed leven. Je kan ook om hogere dingen vragen zoals dingen op geestelijk gebied bv. een goed verstand om beter ‘Torah’ te kunnen leren en dan stijg je iets op de ‘soelam’.

Op een nog hoger niveau wordt ‘davvenen’ ‘avoda’, het wordt dienen. De dienst van het hart. De ‘Torah’ gebiedt ons Hasjem te dienen met ons hart. Dit betekent je hart rein maken.


Colofon


Tamoez / juli 5768 / 2008

Prof. Rabbijn Ahron Daum B.A. M.S.

Nederlandse bewerking: Petra (Bathia Chava) Vanhamme


Nissan 5774 / april 2014
Prof. Rabbijn Ahron Daum B.A. M.S.


Nederlandse bewerking, gestalte en vormgeving:
Matthijs (Mattityahu Akiva) Strijker, Antwerpen

Photoshop en special effects:
Matthijs (Mattityahu Akiva) Strijker, Antwerpen

Correcties:
Margreet Westbroek (Margalit), Nederland

Webmaster en designer:
Yitzchak Berger, Melbourne, Australië
Schoonzoon van Rav Ahron Daum, Shlita


Share this

Counter