Skip to main content

Tu Bishvat

 

 

Tu Bishvat
Nieuwjaar van de Vruchtbomen

 

 

 

 

 

 

‘De mens is zoals de boomvrucht op de     wei

                                                                        (Deut;20:19)

 

Betekenis

Dit is vooral een landbouwfeest, dat in de laatste twee eeuwen sinds Joden zich weer als landbouwers in Israël vestigden, sterk in betekenis is toegenomen. In de tijd, dat dit feest wordt gevierd is het in Europa vaak nog volop winter, maar is in Israël aan de winter juist een einde gekomen; de bomen beginnen weer te ontwaken en de natuur houdt de belofte van het voorjaar in. De bomen ontwaken uit de lange winterslaap, de amandel- bomen in Israel krijgen al mooie roze of witte bloesems. In oude tijden van de Tempel-periode werd omstreeks deze datum berekend, hoe hoog de jaarlijkse verschillende soorten van ‘Ma’aser’ (tienden) van de opbrengst van de landbouwproducten behoorden te zijn.

 

Granaatappelboom, een van de vijf vruchten die de Torah het ‘Beloofde Land Israel’ prijst dat zij in Israel groeien.

 

 

Tegenwoordig is het geheel en al een landbouwfeest, dat de nauwe band tussen de Joden in de diaspora met de bodem van het heilige land Israël tot uitdrukking brengt. ‘Tu Bishvat’ bepaalt welke soorten van ‘Ma’aser’, wat nu alleen een Rabbijnse plicht is, naast ‘Terumah’ (opheffen) afgezonderd moet worden. Vandaag beperken zich deze afzonderingen alleen symbolisch op 1 procent van alle groenten en fruiten die in Israel groeien (behalve het ‘Shemita’ – braakjaar). Omdat we geen Tempel hebben en de Kohanim en Levieten cultisch niet rein zijn, aangezien dat zij direct of indirect met een dode in contact zijn gekomen, laten we de afgezonderde ‘Ma’aser’ en ‘Terumah’ composteren. In Israel is deze ‘Mitzva’ een Rabbjnse plicht wat met een ‘bracha’ en juridische formule van de ‘Chazon Ish’ (1878-1953) verbonden is.
Een andere belangstelling voor ‘Tu Bishvat’ is in verband met het verbod van ‘Orlah’; de eerste drie jaar van een vruchtboom zijn de vruchten verboden en mogen niet van genoten worden)              . Op ‘Tu Bishvat’ wordt elke boom een jaar ouder, bijvoorbeeld als men een vruchtboom twee weken voor ‘Tu Bishvat’ geplant heeft, dan wordt de boom op ‘Tu Bishvat’ een jaar ouder en we hoeven alleen twee jaren te wachten tot we van de vructen genieten mogen. De beperking ‘Orlah’ geldt alleen voor het land Israel en is tegenwoordig geldig. Dit wordt nog heel strikt bewaakt door het Hoofdrabbinaat van Israel.

 

 

Datum

Dit feest valt op de 15de van de maand Shevat. Omdat de ‘yud en de hey de naam van G’d voorstelt, wordt de 15 aangeduid met een tet en een vav, vandaar de naam Tu Bishvat.

Tu Bishvat valt tussen Soekot en Pesach. Het is een donkere periode, met ‘Tu Bishvat’ beginnen we iets meer licht te zien, omdat de dagen langer worden. We moeten meer kracht in de landbouw zetten, maar het resultaat en oogst zal zeker volgen. Dit is wat Tu Bishvat ons moet meegeven in een donkere periode.

Dadelboom, een van de vijf vruchten die de Torah het ‘Beloofde Land Israel’ prijst dat zij in Israel groeien. Op de dadelboom groeit ook de ‘Lulav’.

 

Gebruiken

In de moderne staat Israël is dit de boomplantingsdag of modern gesproken milieudag, waarop basisschoolkinderen met hun onderwijzers in groepen naar buiten trekken, om er jonge boompjes te planten. Ook al duurt het lang eer er vruchten aan de boom zijn, toch moet de mens voor de toekomstige generaties de hele procedure van planten doen, opdat hij niet egoïstisch zou zijn. Zo wordt ook ‘shiur’ van mij gegeven aan slechst 2 mensen, want hopelijk dat een van die twee de ‘shiur’ verdergeeft aan geïnteresseerden.

Het planten van een boompje op ‘Tu Bishvat’ doen velen onder het zingen van liedjes. In de diaspora is het de gewoonte om op deze dag vruchten te eten met voorkeur uit Israël, bv vijgen en dadels. Wanneer men verschillende soorten fruit kan eten, kiest men eerst deze vijf vruchen die het land Israel geloofd wordt, dat zijn druiven, vijgen, dadels, granaatappels en olijven.

Het is verder een heel gewone dag waarop normaal gewerkt wordt. Men mag niet vasten, geen graven bezoeken, het is een beetje een kleine feestdag. Het is een grote zaak om Mishna traktaat ‘Rosh Hashana’ te leren die ook over ‘Tu Bishvat’ spreekt. Er zijn speciale gebeden, een zogenoemde ‘Tikkun’ voor ‘Tu Bishvat’ of ‘Seder’ voor ‘Tu Bishvat’
‘Tu Bishvat’ wordt door alle etnische groepen gevierd, op eigen traditionele manier.

 

Namen

      Het Neuwjaar van de Bomen: ‘Rosh HaShana La’Ianot

      Tu Bishvat of ‘Chamisha assar Bishvat

      Chag Hannetioth, het feest van jonge planten

 

Er zijn zo vier dagen per jaar waarop men in Israël nieuwjaar viert. Dit is omdat mensen telkens opnieuw zouden kunnen beginnen, met een schone lei als het ware. Men kent het gewone nieuwjaar (‘Rosh Hashanah’, 1 en 2 Tishrei), het Nieuwjaar van de Bomen (Tu Bishvat, 15 Shevat), het Neuwjaar van de Joodse Koningen en de cyclus van de maanden (1 Nissan) en Nieuwjaar van het tiende van het vee (1 Ellul).

 

Druiven, een van de vijf vruchten die de Torah het ‘Beloofde Land Israel’ prijst dat zij in Israel groeien. Uit druiven winnen we wijn, druivesap, de enige sacrementale drank in het Jodendom

 

 

De betekenis van de dag

Vroeger had iedereen zijn stukje land en daarop stonden veel vruchtbomen. Tegenwoordig wonen weinig boeren in Israël, alleen of in groepen. Vroeger waren vooral wijnstokken, olijfbomen, dadelpalmen, granaatappelbomen en vijgenbomen. Tegenwoordig zijn vooral de pardesim’ (plantage van citrusbomen) bestaand uit sinaasappels, citroenen, mandarijnen, grapefruit en vooral ook ‘etrogim’ bekend.

Wanneer iemand een boom plant of een stekje in de grond zet en er komen later vruchten aan, dan mogen de vruchten die er de eerste drie jaar aan komen niet gegeten worden (‘Orlah’). Daarom moeten we dus weten hoe oud de boom is. Nu is er eens bepaald dat de 15de Shevat voor eens en altijd conventioneel de verjaardag van de vruchtbomen zou zijn. Omstreeks die tijd beginnen de bomen uit te lopen. Was de boom nu nog geen drie jaar oud, dan mochten de vruchten tot aan die datum niet gegeten worden. De vruchten van het vierde jaar mochten tijdens de Tempel-periode alleen in Jeruzalem gegeten worden. Het volgende jaar (vijde jaar) op ‘Tu Bishvat was de boom vier jaar gepasseerd en mocht de eigenaar met de vruchten doen wat hij wilde als hij de voorgeschreven bepaalde opheffingen (Teruma’) en afzonderingen (‘Ma’aser’) van de oogst afgenomen heeft.

In de tijd van de Tempel voor men van de vruchten mocht genieten, moest men van de twee beroemde boomvruchten (druiven en olijven, resp. wijn of olijfolie) en de twee graansoorten (tarwe en gerst) van Israel eerst nog een vijftigste aan de priesters (Teruma) en een tiende deel aan de Levieten schenken (‘Ma’aser Rishon). De Kohanim en Levieten hadden geen eigen land. Zij moesten in de Tempel dienst doen of daarbij helpen. Verder deden zij vaak dienst als onderwijzers of leraren. De rest van Israel moesten daarom voor hen zorgen, dat zij konden leven.

In sommige jaren moest men ook nog een tiende deel aan de armen schenken, ‘Ma’asèr Ani’, (derde en zesde jaar van de cyclus). Men moest zorgen, dat men ieder jaar van de oogst van dat jaar zijn gaven aan de Kohanim, Levieten en de armen gaf, uitgezonders het ‘zevende jaar’ (‘Shemitta’).

 

Olijfboom, een van de vijf vruchten die de Torah het ‘Beloofde Land Israel’ prijst dat zij in Israel groeien. Wordt zowel in de Torah als in de Profeten veel genoemd en is symbool voor wijsheid en de olijfolie dient voor licht en voeding.

 

Vajikra/Leviticus 19,23-25:

‘’Als u in het land Israel komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u van de vruchtbomen afblijven; drie jaar moet u ervan afblijven; ze mogen niet worden gegeten. In het vierde jaar zijn alle vruchten bestemd voor een dankfeest ter ere van de Heer. Pas in het vijfde jaar mag u de vruchten eten. Dan zullen de bomen steeds meer vruchten opbrengen. Ik ben de Heer, uw God’’.

 

Wat is nu de betekenis van deze Torahwetten?

Het doel van al deze bijbelse wetten is ons goed te laten begrijpen dat wij alles wat wij bezitten alleen aan G’d te danken hebben. G’d is het die ons alles geeft, het land, het zaad, de kracht om het land te bewerken, de regen op de goede en juiste tijd, … Wij mogen daarom alles alleen maar gebruiken, zoals G’d het wenst. G’d heeft verordend om de boomvruchten de eerste drie jaar niet te gebruiken. Als wij deze wet respecteren, erkennen we dat wij alles aan Hem te danken hebben. Wij moeten een deel weggeven aan de Kohanim en Levieten en ook steeds een tiende van onze verdiensten aan de armen. Hieruit leren wij dat we altijd aan de dienaren van G-d en de armen moeten denken.

 

Het kabbalistische grondwerk ‘Zohar schrijft dat er in Gan Eden’ (Paradijs) maar een boom in het midden was. De boom van leven was een tak van deboom van kennis. Na het eten van de verbodene vrucht is de tak weggegaan en tot een tweede boom geworden. De Zohar duidt hiermee op het feit dat het de bedoeling is om een boom van kennis en leven’ te worden. Dan zal de Messias komen. Het is dus de taak van de mens de boom van leven en de boom van de kennis tot één boom te laten worden, bij elkaar te brengen. Het Nieuwjaar van de bomen is dus eigenlijk zo bekeken ook een Nieuwjaar voor de mens.
De mens is gevorderd om ‘tikkun ha’olam’ (de wereld verbeteren) en zo de komst van de Messias te verspoedigen.

 

Vijgboom, een van de vijf vruchten die de Torah het ‘Beloofde Land Israel’ prijst dat zij in Israel groeien. Volgens de traditie was de vijf het ‘verboden vrucht’ met welke Chava zondidgde en later hebben ze hun naaktheid met een gordel van vijgenbladeren bedekt.

 

Als het volk Israel in de Sinaï woestijn niets te eten had, vinden ze het spijtig dat ze niet in Egypte gebleven waren. G’d zei daarop dat Hij ‘brood van de hemel’ (‘manna’) zal geven. Moshe zegt tot het volk: ‘G’d heeft u honger laten lijden en G’d zal u te eten geven’’ (Deut.,8:2-3).

Voor Adam en Chava had G’d geen fruit en groenten gecreëerd, dit schiep Hij opdat Adam en Chava dichter bij Hashem zouden komen. Opdat de mens zou realiseren dat G’d hem alles geeft, moet hij eerst honger lijden. Net zoals een vader slechts een stukje zakgeld geeft aan zijn zoon om aan zijn vader afhankelijk te zijn.

Zo werd een rode streep op een boom van de zeven geloofde vruchten van het land Israel geplaatst die de eerste vruchten droeg. Dit opdat de mensen deze vruchten als eerstelingen (‘bikkurim’) op Shavuot in de Tempel zouden brengen.

 

 

De zeven geprzen vruchten van het land Israël

 

 

Vruchten:

 

Nederlands          

Ivrit

 

 

Granaatappel

Rimon

Olijven

Za’et

Dadels

Tèmariem

Druiven

Anaviem

Vijgen

Tè’eena

 

Graan:

 

Nederlands

Ivrit

 

 

Tarwe

Chita

Gerst

Sè’orah

 

 

 

Etrog-boom (de Etrog is een deel van de Lulav-feestboeket tijdens Sukkot)

 

Deut.,8:7-8:

‘’Voorwaar, de Heer uw G-d brengt u in een heerlijk land, een land met beken vol water, met bronnen en stromen die op de bergen en in de dalen ontspringen, een land met tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen en granaatappels, een land met olierijke olijfbomen en honing’’.Met honing bedoelt men dadelhoning.

Het is en was de gewoonte onder Chassidim om bij een kennismaking van een potentiele huwelijkspartner (‘Shidduch’) een grote fruitschaal voor te zetten met allerlei vruchten, ook met de vruchten waar het Israel geprezen wordt. Normaal kiest de geleerde bruidegom eerst de geloofde vriuchten uit Israël. Dit is een goede ‘omen’ dat de potentiele bruidegom-kanidaat een geleerde is en niet een ignorant. Bij verschillende soorten van de geloofde vruchten uit Israël wordt eerst de olijf gekozen en als laatste de granaatappel (volgens de volgorde van schriftvers).

 

 

Deut.,8:9-10:

‘’Een land waar u niet zuinig hoeft te zijn met brood en waar het u aan niets ontbreekt, een land waar ijzer zit in het gesteente en waar men koper delft uit de bergen. Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de Heer, uw G-d, voor het goede land dat Hij u gegeven heeft’’.

 

 

Johannesbrood-boom (‘charuv’), de legendarische boom van de Mishna en Talmud-periode

 

De relatie tussen de zeven geloofde vruchten van Israel (‘bikkurim’) en de Tempel (Beth Hamikdash):

      ‘’Van bloem moet men twaalf broden bakken elke week op vrijdag, elk van twee issaron’(oude maateenheid). Die moet u in twee rijen van zes voor de Heer op de tafel van zuiver goud in de Tempel leggen’’. (Leviticus,24,5-6)

In hun plaats hebben ‘Kohanim’ de op vrijdag gebakken broden op de gouden tafel in de Tempel gelegd, wat de hele tijd warm bleef tot de volgende Shabbat.
De twaalf broden staan symbolisch voor de twaalf stammen van Israel. De diensthebbende ploeg van ‘Kohanim’ hebben op Shabbat-dag de twaalf ovenverse broden als loon gegeten. Dit wordt in de ‘Zohar’ en Kabbalah als een geluksbrenger en voorbode voor rijkdom gezien.

      De efodmantel van de ‘Kohanim’ werd geheel gemaakt van paarse wol. In het midden was een opening met een geweven rand, als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen (Rashi). Aan de zoom van de mantel van de Hogepriester werden granaatappels bevestigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Van zuiver goud maakte men klokjes en hing die tussen de granaatappels aan de zoom van de mantel; dus om en om gouden klokjes en granaatappels, rondom, aan de zoom van de mantel voor de eredienst, zoals de Heer aan Mozes had bevolen. (Exodus,39:22-26)

 

      Hashem geeft de Israëlieten opdracht om zuivere olie uit gestoten olijven (eerste persing) te brengen voor de verlichting, zodat er altijd de Menorah kan branden. (Exodus, 27:20)

      ‘’Dan moet u de eerstelingen (‘bikkurim’) van de geloofde vruchten van het land Israel die u oogst in het land dat de Heer uw G-d u schenkt, in een korf doen en daarmee naar de plaats gaan, die de Heer uw G-d zal uitkiezen om er Zjn naam te vestigen’’. (Deut;26:2)

      ‘’Haal op de eerste dag van Sukkot citrusvruchten (‘etrogim’), palmtakken, twijgen van mirten en wilgentakken bijeen en wees vol vreugde voor de Heer uw G-d, zeven dagen lang’’. (Leviticus 23:40)

       

 

      ‘’Dan moet men bij het rund een meeloffer van drie issaron aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie en een plengoffer van een halve hin wijn. Dan is het een geurige gave die de Heer behaagt. (Numeri,15:9-10)

      ‘Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer u in het land komt dat Ik u schenk, en er de oogst binnenhaalt, moet u de eerste schoof naar de priester brengen. Tot de dag dat u dit offer aan uw G-d hebt opgedragen, mag u geen brood eten en geen graankorrels, gepoft of niet gepoft. Dat is een blijvende wet, door al uw generaties heen, waar u ook woont’’. (Leveticus, 23:10 en 14)

 

Uit de laatste schriftvers komt naar voren dat gerst en tarwe in aanmerking komen voor de Omer. Uit Exodus 9:31 en 32 wordt duidelijk dat gerst als eerste rijp wordt en daarna tarwe en spelt.

 

Samenvatting:

Olijven worden gebruikt als brandstof voor de ‘Menora, gerst voor de ‘Omer’-meeloffer, druiven als plengoffer, tarwe voor de twee toonbroden op Shavuot, de etrog hoort samen met de ‘lulav’-feestboeket, de granaatappel wordt gebruikt in de versiering van het kleed van de Hogepriester.

Een andere uitleg waarom juist deze 7 geloofde vruchten van het land Israel in de Torah genoemd worden, is dat ze het belangrijkste voedsel vertegenwoordigen van de mens. Hiervan worden nog eens graan, druiven en olie als belangrijker gezien (de drie laatsgenoemden zijn tijdens de tijd van de Tempel van ‘Trumah’ en ‘Ma’aser’ plichtig.

Nu de Tempel er niet meer is, wordt de tafel waarvan we eten vergeleken met het altaar uit de Tempel. De oliekaarsen, de wijn en de challes’ van tarwebloem komen elk overeen met deze drie belangrijkste essentiele voedingsproducten voor de mens.

 

Diepere betekenis

 


Ceder boom                                        Acacia boom

 

Niet vruchtdragende bomen die in de Heilige Schrift voorkomen

 

Etz = boom / etzah = raad/advies

Op verschillende plaatsen in de ‘Tenach’ wordt de mens vergeleken met een boom en omgekeerd. Advies en boom zijn in het Hebreeuws verwant met elkaar. Sommigen vermoeden dat in een advies-vergadering de stemmen werden geteld door het tellen van houtsblokken. In het verhaal van Adam en Chava geeft het eten van de vrucht van de boom ‘etz’ dan ook raad/kennis/intelligentie ‘etzah’. Volgens onze wijzen hebben ook sommigen vruchten invloed op onze intelligentie zoals olijven (Rechters 9:8-9).

 

Mensvolk–boom

‘’Als u een stad langdurig moet belegeren, mag u haar boomgaarden niet vernietigen. Laat de bijl rusten en laat de bomen staan, want u moet er zelf van eten, en bovendien: is een boom soms een mens, dat u tegen hem moet strijden? Alleen de bomen waarvan u weet dat ze geen vruchten geven, mag u vernietigen of omhakken om ze te gebruiken voor de belegering van de stad waarmee u in oorlog bent’’ (Deut;20:19-20)
 

De mens wordt hier met een boom vergeleken, want beide hebben hun basis op aarde, maar streven naar boven (Midrash) Ze kunnen heel groot zijn zoals de “sequoia” (oudste een breedste boom van de aarde in Californië) maar ook heel klein als de “bonzai”.                                                           

 

Sequoia                                              Bonzai

 

Tot een bepaalde leeftijd dienen ze gekweekt te worden. Later kweken ze zichzelf. Ook het Joodse volk is te vergelijken met een boom. Jes;65,22: ‘Want de dagen van de boom zijn de dagen van mijn volk’.
De vier planten van Sukkot feestboeket vertegenwoordigen zowel de vier typen mensen in de schoot van het Joodse volk, als ook levensbelangrijke organen van de mens. De levende boom verandert het minst. Zo gedraagt zich ook de Joodse mens onder de anderen. In psalm 1:3 wordt de rechtvaardige vergeleken met ‘een boom geplant op waterstromen die op tijd vruchten geeft en waarvan de bladeren vers blijven’. In psalm 92:13 wordt de rechtvaardige met een palmboom en een ceder in Libanon vergeleken. Van de palmboom en ceder gaat niets verloren. Ieder gedeelte heeft nut. Zo is het ook bij het Joodse volk: ieder van de Joodse gemeenschap draagt bij aan de gemeente.

 

 

 

Planten – beplanten – voortplanten

Het planten van bomen is nauw verbonden met het feest van de bomen. Dit is het allereerste gebod dat de Kinderen van Israël te horen kregen als ze het land Kanaän betreden: ‘wanneer u het land betreedt, dient u (fruit)bomen te planten (Leviticus 19:23).

Zo was ook een van de eerste G’ddelijke activiteiten na het scheppen, het planten ‘En de Eeuwige plantte een tuin in Eden’ (Genesis,2:8). Met het planten, beplanten en het voortplanten volgen wij een G’ddelijk schema van positieve toegang, van opbouw, van ontwikkeling. Het doel van de mens en de schepping is dus niet zich onttrekken van het leven of alles passief beleven, maar actief onze mogelijkheden benutten volgens de wil van G’d. Wij doen voor de volgende generaties wat de vorige generaties voor ons deden.

 


De amandel-boom in volle bloei. Het is de eerste boom in Israel dat na de winter begint te bloeien en knospen.

 

Vernieuwing

Het feest is een symbool van voortdurende vernieuwing in het leven, van het leven zelf geworden. Zo telt het Joodse volk de maanden op basis van de schijnbare ‘vernieuwing’ van de maan die op de 15de van de Hebreeuwse maand op zijn grootst schijnt. Vijftien is ook de datum van het feest van de bomen. Deze vernieuwing schenkt hoop, het slechte zal verdwijnen. Nieuwe hoop voor iedereen. Alles wordt nog beter! Daarom wordt volgens bepaalde gebruiken op ‘Tu Bishvat een Seder’-maaltijd ingericht, zoals met Pesach. De ‘Seder van Pesach is bestemd voor de mensen, de ‘Seder van Tu Bishvat’ voor de natuur. De ‘Seder’ van ‘Tu Bishvat’ verenigt natuur en geschiedenis tot een merkwaardige harmonie van de schepping, die in de schoot van het Jodendom het duidelijkst tot uitdrukking komt. Ook in onze moderne tijd loopt de bevrijding van het volk samen met de bevrijding van het land. Mogen we hopen dat elke ‘Tu Bishvat een verdere stap in de richting van de aanvankelijke harmonie van de schepping is, een harmonie van vrede en rechtvaardigheid volgens de visie van de grote profeten van Israël.

 

 

 

Gevaar

De vooruitgang van de wetenschap en techniek zorgt langs de ene kant voor veel meer mogelijkheden om de wereld van de natuurrijkdom uit te putten en ze op verscheidene manieren positief aan te wenden. Langs de ene kant zijn we dus slaven van ons eigen succes. Het gejaagd levenstempo, de vervuiling en de bezoedeling van ons milieu, de atomische bedreiging van de vernieling van de natuur (Fukushima, Japan) en van ons allen door een vals manoeuvre van een gek (Tsjernobyl, Oekraïne). Verschillende groeperingen en organisaties zijn ontstaan met als doel de vervuiling van ons milieu te bestrijden. De wetenschap dat zich ermee bezighoudt kreeg de naam ecologie.

 

Sommigen menen dat ecologie ver ligt van de Joodse belangen door volgende redenen:

      Door historische omstandigheden leefden Joden dikwijls ver van de natuur, in gesloten steden, en ghetto’s.

      De Joden werden door omstandigheden en de wetgeving niet toegelaten om landbouwactiviteiten buiten het land Israel uit te oefenen.

      Volgens een onjuiste interpretatie van de scheppingsverhaal schijnt het of de mens alles moet beheersen: het land, de vissen, de vogels en de dieren. Maar het Hebreeuwse werkwoord ‘redoe’ betekent niet alleen beheersen maar ook beheren. De mens moet dus voor de medemens en flora en fauna als beheerder/verzorger verantwoordelijkheid nemen.

 


Ciitrusboomvruchten van sinasappelen en pompelmoessen.

Symbool voor de eerste pioniers voor 120 jaar die het land Israel vruchtbaar hebben gemaakt.

 

Deze joodse zichtpunten zijn modern, relevant en doeltreffend. De ballingsschapssituatie en het verlies van direct contact tussen het Joodse volk en zijn oorspronkelijke land, veroorzaakten dat deze ecologische vragen niet in een bijzonder trackaat te vinden zijn.

Maar wij kunnen zo het zichtpunt van de Joodse bronnen tegenover de ecologie ruimschoots bestuderen.
Vergelijk mijn essay in mijn werk Halacha Aktuell band II ‚‘Unsure Pflicht die Natur zu erhalten: Umweltschutz als integraler Bestandteil der jüdischen Ethik‘‘ pag. 680-686.
Dit essay verscheen voor meerdere jaren in Nederlandstalige kranten en tijdschriften en vond veel gehoor.

Dit essay verscheen in zijn geheel in:
Acta Comparanda is een publicatie van de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen.
Bist 164
2610 Wilrijk – Antwerpen
telefoonnr. 03 830 5158 fax 03 825 2673
 

In deze academische instelling heeft prof. Rabbijn Ahron Daum, B.A., M.S., Emeritus Opperrabbijn van Frankfurt am Main, als docent gefungeerd van 1997-2000 en heeft van deze instelling een honoris causa professor in Jewish Law ontvangen.

 

 

Onze plicht de natuur te beschermen: Milieubescherming als een integraal deel van de Joodse ethiek

 

De eisen van de milieuethiek zijn verbonden met de diepste waarden van het menselijke leven: een verantwoordelijke relatie met de natuur, onze plicht te zorgen voor haar voortbestaan alsook een besef, dat ipso facto met handelen verbonden is, dat het uitbuiten van de rijkdommen van onze planeet zijn grenzen heeft. Deze principes zijn ten diepste religieus van aard en worden in de Thora reeds in het allereerste hoofdstuk geformuleerd.[i]

De oude, maar niet verouderde, richtlijnen van het Jodendom zijn vandaag nog meer relevant en aangewezen.

 

 

Er zijn maar weinig fragmenten uit de Thora die zo een grote invloed hebben gehad op de menselijke beschaving als het eerste hoofdstuk van Genesis. Door het daar op prachtige en magistrale wijze gepresenteerde verhaal van de schepping, begrijpen we het universum als de Schepping van G-d. De mens, tegelijkertijd het laatste en het voornaamste deel van deze schepping, is het enige wezen dat in de gelijkenis van de Eeuwige geschapen is. Het feit dat de mens met redelijkheid en verstand is begiftigd, laat hem toe de heerschappij over de natuur en haar schepselen op zich te nemen. Hem wordt opgedragen “de aarde te vullen en te onderwerpen.”[ii] Echter, direct aansluitend bij deze omschrijving van de menselijke macht, wordt in de Thora meteen ook de menselijke verantwoordelijkheid vastgelegd. Adam wordt in de Tuin van Eden geplaatst om haar- zo wordt ons verteld- “te bewerken en te beschermen”.[iii]

De mens mag dus bijgevolg de natuur wel gebruiken, maar haar niet moedwillig vernietigen. Hij heerst weliswaar over de natuur, maar hij is er niet de eigenaar van.

 

 

De mens is slechts een zaakwaarnemer van G-d, die als taak heeft datgene wat G-d hem heeft toevertrouwd te beschermen en te bewaren. Dit is misschien wel de beste, beknopte, definitie van de ecologische plicht zoals het Jodendom die begrijpt. Net zoals een beheerder die de aan hem toevertrouwde eigendom op verstandige en redelijke wijze moet beheren om het eigendom uiteindelijk terug te kunnen geven aan haar eigenlijke bezitter, zo bepaalt de erkenning van de schepping onze houding tot de natuur. De wereld behoort ons niet toe. “De aarde en alles wat zij omvat behoort de Eeuwige toe”, een feit dat we ons telkens weer voor het bewustzijn halen wanneer we een zegenspreuk zeggen.[iv] Onze planeet is ons maar toevertrouwd onder de voorwaarde dat we haar niet ten gronde richten.

 

Het Jodendom was echter maar zelden tevreden zich te beperken tot een zulke algemene omschrijving van haar principes. Om ook effectief gerealiseerd te kunnen worden is het nodig dat de hier hoger genoemde principes concreet en praktisch vertaald worden in het maatschappelijke leven. De rabbijnen van elke periode hebben telkens weer hun eigen commentaren toegevoegd met als doel steeds grotere precisie en praktische toepasbaarheid.

 

Wanneer we met een onbevangen blik de drie grote geboden van periodieke rust bekijken- de Sabbat, het rustjaar of “Schmitta” en het Jubeljaar- is het niet moeilijk hierin een krachtige vorm van ecologische opvoeding te zien in de vorm van G-ddelijke wetgeving. Door ons productief werk te onderbreken op Sabbat gedenken we de schepping van de wereld door G-d. De Sabbatdag staat in het teken van g-ddelijke rust en houdt daardoor een erkenning in van de Eeuwige als oerbron van al het scheppende handelen. Het machtspotentieel dat ons als mensen zes dagen van de week gegeven is, geven we op Sabbat symbolisch terug. We maken daarmee duidelijk dat wij niet als eigenaars willekeurig over de aarde kunnen beschikken en dat onze inmenging in de natuur begrensd is.

 

 

 

Geen enkel seculier equivalent komt nog maar in de buurt van de Sabbat als dag van ecologisch bewustzijn. Wat de Sabbat voor mens en dier betekent, vindt voor de aarde haar equivalent in het rustjaar en het Jubeljaar. Ook de bodem heeft recht op rustpauzes, aangezien velden die constant bewerkt worden hun vruchtbaarheid verliezen. In het rustjaar verliest de eigenaar zijn exclusieve rechten op de grond. De verwijzing naar de Eeuwige in onze gebeden als de schenker van alle oogsten wijst ons telkens opnieuw op onze verantwoordelijkheid voor de ons toevertrouwde aarde. Zo komen de ecologische eisen in het Jodendom maar tot volle ontplooiing wanneer ze op G-d geijkt worden.

 

Zoals Maimonides (1135-1204) reeds stelde, is de bescherming van de natuur vanuit joods oogpunt geen apart en bijkomstig domein, maar veeleer – zoals het voorbeeld van de drie rustperioden duidelijk maakt- een integraal en vast verankert  bestanddeel van onze religie.

“Jischuv Ha’aretz”, het bevolken van het land, impliceerde altijd ook al het veilig stellen van de natuurlijke hulpbronnen en houdt daardoor ook een verbod in op roofbouw. Deze leidt immers op lange termijn tot vernietiging en verwoesting.

 

Een reeks van verdere geboden reguleert en beperkt ons ingrijpen in de werking van de natuur. Onder het algemene begrip “Chukkim” plaatst de Thora drie verboden samen: Het kruisen van twee verschillende diersoorten, het kruisen van verschillende plantensoorten en het gebruiken van wol en linnen in een en hetzelfde kledingstuk.[v]

 

 

Deze “Chukkim” of voorschriften worden in het werk van Rabbi Moshe ben Nachman uit Gerona (1194-1270), bekend als Nachmanides, en later bij Rabbijn Samson Raphael Hirsch (1808-1888) uit Frankfurt an Main op een heel nieuwe wijze geïnterpreteerd.

 

Beide rabbijnse autoriteiten begrijpen de wetten in kwestie namelijk als een bewijs van respect voor de natuurlijke orde van de schepping, die bewaard moet worden. Het vermengen van verschillende soorten, zo argumenteert Nachmanides, is een belediging zowel voor de schepper als voor zijn schepping.[vi] Rabbijn Samson Raphael Hirsch formuleert het nog duidelijker. De “Chukkim” zijn voor hem wetten die op het volgende principe gebaseerd zijn: “Hezelfde respect dat men de mens betoont, moet men ook elk lager schepsel betonen; Betoon het aan de aarde, die ons in leven houdt en bewaart, als ook aan de planten en de dieren.”[vii]

 

 

Rabbijn Samson Raphael Hirsch was in zijn tijd reeds iemand die wij vandaag als een diepovertuigde ecologist zouden beschouwen. Hij geloofde in het principe van “Gerechtigheid tegenover de natuur” en dat “de wereld niet aan de egoïstische belangen van de mens ondergeschikt mag worden gemaakt.”

 

Deze houding werd reeds gedeeld door de grote mysticus en kabbalist Rabbi Yitzchak Luria uit Safed (1534-1572), bekend als de “Ari Ha’Kadosh”. Hij was eveneens van mening dat dieren rechten hadden en hij verzette zich zelfs tegen het onnodig plukken van bloemen. Hij stelde: “De ganse schepping zingt een looflied tot de Schepper.”[viii] Dit is zonder twijfel een extreem standpunt. Maar net zoals de Thora in deze richting opvoedt, legde zij ook de basis voor directe en concrete milieuwetgeving.

 

De bron hiervoor is het verbod in Deuteronomium op het vernietigen van vruchtendragende bomen in oorlogstijd.[ix] Deze inhumane en zinloze vernietiging wordt categoriaal verboden en daarmee dus ook de verwoesting die in het moderne taalgebruik aangeduid wordt als “de politiek van de verbrande aarde”.

 

 

Onze Rabbijnen begrepen dit verbod als een voorbeeld van een meer algemeen geldige regel. Zo stelde Rabbi Jakob Zwi Meklenburg (1785-1865) uit Königsberg in zijn Thoracommentaar “Ha’Ktaw ve’Ha’Kabbala”: “Iets geschapen mag men niet gebruiken in tegenspraak met zijn door G-d bepaalde doel.” Net zoals in het Bijbelse voorbeeld waar een levengevende vruchtenboom geen instrument van de dood mag worden, zo verbiedt het joodse recht in het algemeen de vernietiging van goederen die nuttig zijn voor het levensonderhoud van mens en dier.

 

 

Het conserveren aan elke prijs is echter in het Jodendom geen absolute waarde. De Halacha laat wel degelijk ingrepen in de natuur toe, maar dan enkel met als doel de duurzame verbetering van de menselijke levenskwaliteit. Diegene die deze ingrepen doorvoert moet echter kunnen bewijzen dat de ingrepen wel degelijk de menselijke vooruitgang dienen.

 

Respect voor bomen is in de joodse traditie bijzonder diep verwortelt. Een hedendaagse uiting daarvan zijn de bebossingprojecten in Israel en het feest “Tu Bi’Schwat”- het Nieuwjaar van de bomen. Aangezien de verstoringen van het ecologisch evenwicht geen landsgrenzen kennen en zich ook in verschillende continenten laten voelen, mag geen enkele jood onverschillig staan tegenover de vernietiging van de regenwouden.

 

Naast het vermijden van onverstandige en vernietigende ingrepen in het natuurlijke evenwicht, hebben de rabbijnen het Torahgebod ook uitgebreid naar de kwestie van afvalverwerking. Afval, zo bepaalden zij, mag enkel op grote afstand van menselijke bewoning verzameld worden. Deze maatregelen mogen de akkerbouw en het verdere gebruik van de natuur niet schaden.[x] Ze verbieden ook zonder reserves Lucht- en watervervuiling alsook alle activiteiten die ondragelijk veel lawaai veroorzaken in bewoonde gebieden.[xi]

 

De Bijbelse opdracht om rond de Levietensteden –zoals we vandaag zouden zeggen- “een groene gordel” te laten, kan dan weer beschouwd worden als het vroegste voorbeeld van ecologisch bewuste ruimtelijk ordening.[xii]

 

Het Jodendom kent dus niet alleen een gedetailleerd uitgewerkte milieuwetgeving maar ook geboden die ons opvoeden tot een respectvolle houding tegenover G-ds schepping en duurzaam gebruik van de natuur.

 

 

 

“Tikkun Ha’Olam”, het herstellen van de wereld is een van de hoofdopgaven van de Halacha.

Maimonides wijst er meerdere malen op dat we niet naar geestelijke idealen kunnen streven zonder dat eerst ons fysiek overleven veilig gesteld is.[xiii] Daarvoor is altijd al een verstandige planning nodig geweest die de levensmogelijkheden van toekomstige generaties niet in het gedrang brengt. Zo wordt de vervulling van G-ds opdracht om deze aarde te beschermen en te bewaren tot een daadwerkelijke humaniteit tegenover onze kinderen en onze kindskinderen.

 

G-d, zo zegt de profeet Jesaja, heeft de wereld niet geschapen opdat die woest en leeg zou zijn. Hij vormde ze zodat ze bewoond zou kunnen worden.[xiv] De Eeuwige gaf de mens de nodige intelligentie om de wereld te kunnen beheersen. Daarin ligt de waarde van de mens. Maar G-d eist van de mens ook dat hij de natuur bewaart. Daarin ligt zijn verantwoordelijkheid.

 

Wat van ons verwacht wordt hebben de rabbijnen in enkele eenvoudige zinnen uitgedrukt. Zij stelden: “Toen G-d de eerste mens schiep leidde Hij hem rond zodat hij alle bomen van de Tuin van Eden te zien kreeg. Toen sprak Hij tot hem: Zie hoe mooi Mijn werk is. Alles wat Ik heb geschapen, heb Ik voor jou geschapen. Wees voorzichtig, dat je mijn wereld niet venietigt. Want als je dat zou doen, dan zal er niemand zijn die terug zal opbouwen wat jij vernietigd hebt.”[xv]

 

Waarlijk een boodschap voor onze tijd!

 

Vertaling door mijn vereerde leerling en vriend, Mordechai Ahron Baert.

 

 

Verwijzingen en citaties:

 

[i] 

Gen. Hfdstk 1

[ii]   Gen. 1:28

[iii] Gen., 2:15

[iv]  Tal. Bav., Berachot, 35 a

[v]  Lev. 19:19

[vi] Nachmanides over Lev., 19:19

[vii] Samson Raphael Hirsch over Lev., 19:19

[viii] Responsa “She’ilat Ja’avetz”, Vol I, Siman 17, Siman 110 en Siman 111

[ix] Deut., 20:19

[x]  Tal.Bav., Baba Batra, 25 a

[xi]  Tal.Bav., Baba Batra, ibid.

[xii]  Num., 35:3

[xiii]  Mishneh Torah; Hilchot Talmud Torah, 3:10

[xiv]  Jes., 45:18

[xv]  Midrasch Rabba Bereschit, 14:6

 

 

 

Kennis van de natuur en de natuurwetten.

Onze grote geleerden leefden in en met de natuur en bestudeerden de natuurwetten. Zo leefden Rabbijnen samen met een herder om de lichamelijke ontwikkeling van vee en kudde te bestuderen. In Talmud traktaat ‘Chulin’ dat over ‘Shechita’ en ‘treifa’ (gebreken, ziektes en anomaliteiten bij klein- en grootvee en kosher gevogelte) die ongeschikt zijn voor Joodse consumptie, die onder de algemene naam ‘treifa’ benoemd worden.

 


Pistachioboom en en zonnebloem-plant die heel mooi in Israel groeien en de noten en pitten worden zeer graag door de Israeliers verteerd en de schillen vervuilen de straten.

 

We zijn verbluft en verbaasd hoe diep de kennis van de Rabbijnen van de algemene anatomie van dieren en gevogelte was, in het bijzonder hun kennis van koshere diersoorten. Dit was al 1800 jaar geleden waar men waarschijnlijk met beren en wolven vochten in stijl van Asterix en kompanen. Zelfs tegenwoordig met onze zeer ontwikkelde wetenschap van zoölogie en ornithologie (vogelkunde) en met alle exacte meetinstrumenten is de exacte kennis van de Rabbijnen van Talmud en Middeleeuwen, zoals Maimonides (1135-1204) en Rashi (1040-1105) te bewonderen. Ook over de ontwikkeling van de granen werden onderzoeken gedaan. Meteorologische waarnemingen betreffende de wolken vinden we ook in de Talmud in detail. Onze Wijzen hadden geen horloges of klokken, men leefde volgende de tijd aan de hand van de natuur, bijvoorbeeld bij het begin van de dag als het helder wordt, ‘Zenith’ de zon (middag), zonsondergang en de nachtinval bij het zichtbaar worden van drie middelgrote sterren.

 

De ecologische ladder en de voedselketting

De orde der schepping is hiërarchisch. Ieder schepsel vormt een basis voor het schepsel dat hem volgt. De voeding van de plant is levensloze materie: water, mineralen en andere elementen. De voeding van de dieren zijn de planten of andere dieren. De voeding des mensen is primair vegetarisch en carnivorisch, bestaand uit vissen, gevogelte en dieren (kosher).

 

Groeiplaatsen van planten en dieren

Flora in het Heilige Land:

      De wilgen of de Arava (vallei ten zuiden van de Dode Zee, of in de buurt van rivieren of beekjes). (Leviticus,23:27)

      De ceders van de Libanon. (I Kon.,5:13) ,werd gebruikt voor de bouw van de Tempel, het hout werd niet beschadigd door water)

      De cipressen van de ‘Sjefelah (kust tussen Jaffa en Haïfa, Sharon-dal). (I Kon.,10:27)

 

Nieuwe boomvruchten (avocado’s en bananen) die vanuit Zuid-Amerika in Israel zijn geïntroduceerd zijn en die zeer goed in Israel groeien.

 

 

      De acacia’s van de woestijn. (Exodus,25) Was noodzakelijk voor de bouw van de Tabernakel.

      De parfumplanten van Gilead. (Genesis,37:25 – Jeremia,8:22)

      De olijven en olijfolie uit Galilea. (Genesis,49:20)

      Judea, in ’t bijzonder Hebron, voor de wijnteelt. (Genesis,49:11)

      De palmbomen en dadels van Jericho. (Rechters,3:14)

Fauna in het Heilige Land:

      De leeuw van de woestijn, van de rimboe en van de Jordaan.

      De tijger van het noordelijk gebergte.

      De steenbok uit de rotsen rond de Dode Zee.

      Het nijlpaard uit de Nijl.

      De vissoorten van Bethse’An (Zee van Genassareth = Kineret).

      De weekdieren ’Chilazon’-slak voor de blauwe draadjes van de Tzitzit) van Zebulon (Haïfa)

 

Het land Israël bevat enorm veel soorten flora en fauna op een relatief kleine oppervlakte.

Ieder van de bovengenoemden is aan zijn omgeving aangepast.

 

Interrelatie tussen de mens, dier, plant en omgeving.

De omgeving verandert de huidskleur, de manier van leven, de voedinggewoonten, het gedrag, de lichaamsbouw, enz.

Ook de dauw beïnvloedt de teelt op een positieve manier. De rijping van de vruchten gebeurde vroeger in een lage zone. Hoe hoger en kouder, hoe later de vruchten rijpen. Ook de druiven op de relatief hoge Hebron-gebergte rijpen later dan op andere plaatsen. De beste vruchten, die ook spoedig rijpten, kwamen uit de vallei van Genassareth rond de Zee van Kineret (200 m onder de zeespiegel). Zonbestraling is essentieel voor de kwaliteit van de vruchten. De windrichting verandert de natuur van de wind. De warme en droge oostenwind Chamsin’ (betekent in het Arabisch een hete gold) is slecht voor mens en teelt.

 


Appelbomen en notenbomen. Twee boomvruchten die in het ‘Lied der Liederen’ voorkomen.

 

Cyclus van braakgelaten land.
Met het doel de groeicapaciteit van het land te bewaren worden de teeltsoorten van jaar tot jaar veranderd en worden verschillende gedeelten land om beurt vaak braak gelaten. Soms wordt het land alleen geakkerd, maar niet gezaaid.

Dit is ook zo met de ideeëngang van evenwicht in de natuur en evenwicht tussen mens en dier, tussen wilde natuur en bewerkt land.

 

‘Shemitta’, het zevende jaar
Het braakjaar ‘Shemitta’ en zevende jaar neemt een grote plaats in de Torah, Mishna en Talmud en geldt alleen voor het Heilige Land Israel.

Het wordt in de Torah ‘Shabbat van het land’ genoemd. De diepere betekenis van deze ‘Mitzva’ is om de mens te beseffen dat hij alleen een beheerder en verzorger van het land is en dat het land aan Hashem toebehoort.
De tweede achterliggende gedachte is zeker om de egocentrische levenswijze en het egoïsme van mensen te bestrijden, zodat hij leert te delen met anderen. Dit is ook het idee van ‘Tzedekkah’ (weldadigheid), maar bij landbezit kan de mens zich inbeelden dat hij machtig en groot is en dat hij geen rekening hoeft te houden met arme mensen en mensen die aan de periferie van de samenleving staan. Exact om deze redenen vraagt de Torah ons om elk jaar onze weiden en landerijen braak en onbewerkt te laten en de oogst aan de mensen ter beschikking te stellen. Dit is een vorm van socialisme, maar in de praktijk moeten we ook vechten tegen hamsteraars en profiteurs en andere criminele speculanten. Tegen deze misstanden hebben zowel de ‘Chazon Ish’ (1878-1953) als Rav Avraham Isaac Kook (1865-1935) met succes gevochten.
Bekijk onze essays over ‘Chazon Ish’: http://www.bestjewishstudies.com/sites/all/P1/de%20Chazon%20Ish.pdf en Rav Kook,s.z.l: http://www.bestjewishstudies.com/sites/all/P1/Rabbi%20Avraham%20Jitschak%20Hakohen%20Kook.pdf

 

Primair vraagt de Torah dat we de aarde respecten als ons levensader en dat we de aarde de nodige rust geven. Dus de Shabbat is zowel voor de mens, huisdieren als ook voor de aarde.

De Rabbijnen vertellen ons dat de 70 jaren van exil naar Babylon een straf was voor 70 Shemitot’ braakjaren die de Israelieten niet respecteerden, zoals aandachtig in de Torah staat (Leviticus,26:31-35). Bekijk ook Tal.Bav,Shabbat 33A.

 

Kersenboom en mangoboom, twee exotische boomvruchten die in Israel goed geacclimatiseerd hebben en prachtig groeien.

 

Het belang van de voortzetting en behoeding van de natuur en mensheid

Al in het bijbelse bericht over de zondvloed zien we dat Noach al verschillende soorten dieren beschermde. Schadelijk of onschadelijk voor de mens, nuttig of niet, speelt geen rol. Het leven op zich is al heilig behalve in het geval van zelfverdediging of van de bijzondere manieren waarop wij volgens de Torah een leven mogen afnemen.

Volgens het zondvloedverhaal en volgens Jesaja hoofdstuk 11 is de toestand van volledige vrede onder alle levensvormen wel mogelijk. Het bestond zelfs aan het begin van de schepping en wodt verwacht voor het Messiaanse tijdperk. Ieder levenssoort dient dus apart bewaard te blijven. De paring tussen vreemde dieren brengt ook geen positieve resultaten mee, bjvoorbeeld de muilezel die zich niet kan vermeerderen. Men hoeft zich ook niet te mengen in deze aangelegenheden want soms wordt zoiets onherroepelijk, met onherstelbaar verlies en schade, bijvoorbeeld de koraalriffen. Kohelet,3:14: ‘Ik weet dat wat G’ds schepping betreft dit blijft; daarover dient niets toegevoegd of verminderd te worden’. Ook Genesis,.2/15: ‘De mens moet de tuin van Eden bewerken en ook behouden’.

In het ecosysteem is ieder detail belangrijk. Soms stellen wij de vraag naar deze ongrijpbare en op het eerste zicht onnuttige levensvorm. We begrijpen het niet maar alles is nuttig en nodig: alles vormt samen een perfect ecosysteem. Indien u een rots breekt, kan alles neerstorten. Het verhaal over Koning David en de spin leert ons daarover veel, zie http://www.torah.org/learning/pirkei-avos/chapter4-3.html.

 


Perzikboom en pluimboom die vanuit Europa naar Israel zijn ingevoerd en die prachtig in Israel groeien en vruchten geven.

 

Genade tegenover dieren

Wie genadeloos is tegenover dieren wordt ook genadeloos tegenover mensen. De Joodse manier van slachten (‘Shechita’) verzekert dat het dier bijna geen pijn lijdt en dat het meeste bloed, wat als eerste Noachidische wet de mensheid opgedragen is, op een natuurlijke manier uitvloeit. Exodus,23:19: het is verboden de vogel meteen te verjagen en de eieren te nemen. Het is ook verboden, op drie plaatsen in de Torah, het bokje in de melk van zijn moeder te koken en als offer aan te bieden, (heidens gebruik) want dat is wreedheid. Om dit te benadrukken eten en koken Joden nooit vlees en melk samen en mogen zelfs geen nut van zo’n mengsel hebben. Kosher vlees (’Shechita’ en kasheren etc) en scheiding van melk en vlees in de keuken is basis-Kashrut. Het is ook verboden dieren te castreren. Ook de jacht op dieren als sport is verboden. Een dier onnodig pijn doen is ook verboden. ‘G’ds genade is voor al zijn schepselen’. (Psalm,145:9)

Voor nieuwe schoenen uit leder wordt niet gefeliciteerd, omdat het met de dood van een dier verbonden is.

 

1

 


Epiloog

 

We willen ons essay over ‘Tu Bishvat’ met het volgende Talmudische verhaal beéindigen.

Het gaat over een grote Mishna-geleerde, Choni Ha’me’agel.

De Talmud bericht ons (Tal.Bav.,Ta’anit,23A):
Choni wandelde eens in de omgeving van een stad en zag een oude man die een ‘Charuv’ (Johannesbroodboom) plantte. Choni vroeg hem: ‘’Hoeveel jaar zal het duren tot deze Johannesbroodboom vruchten zal geven?’’ De oude man antwoordde: ‘’Toen ik geboren werd, waren er al Johannesbroodbomen. Zoals mijn voorouders voor de nawereld Johannesbroodbomen geplant hebben, zo doe ik het ook voor mijn kinderen’’. Chon,i zo vertelt ons de Talmud, begaf zich in een grot om te eten. Na de maaltijd viel hij in slaap en sliep 70 jaar lang. Er had zich een natuurlijke bescherming om de opening van de grot gevormd. Nadat hij weer wakker werd, zag hij een man die Johannesbroodbomen-vruchten oogstte. Hij vroeg deze man: ‘’Heb je deze boom geplant?’’ De man antwoordde: ‘’Mijn grootvader heeft dat gedaan’’. Choni begreep hoe belangrijk het is om voor de komende generaties bomen te planten.
 

Dit verhaal is een van mijn favoriete verhalen en in mijn ambtsperiode als Opperrabbijn in Frankfurt am Main heb ik dit verhaal bij elke ‘Tu Bishvat’-viering verteld aan jong en oud. De les van dit verhaal, zal ons bemoedigen en meer versterken om voor ons milieu meer te doen dan wat we daadwerkelijk doen!

 

 

De Talmud bericht ons dat men in Jeruzalem geen bomen mocht kweken, behalve rozen, om slechte geur te vermijden door het mesten.
Het volk Israel wordt vergeleken met een roos. Zo begint het beroemde lied van Purim met ‘Shoshanat Ya’akov’, de Roos van Ya’akov.
Wat is zo bijzonder aan de bloem roos, wat kenmerkt de bloem roos? Roos geeft een goede geur, maar ook heet ook distels die de bloem beschermen tegen mensen of dieren die het willen vernietigen. Ook het volk Israel heeft een goede geur door ‘Torah en Mizvot en goede daden en diegenen die het willen vernietgen, worden altijd door de distels bestraft (Haman de booswicht en anderen). Zo staat in Hooglied (‘Shir Hashirilm’): ‘’Als een roos tussen de distels, zo is Mijn volk tussen de volkeren’’ (Hooglied,2:2).

Tweehonderd jaar geleden heeft keizer Jozef II van Hapsburg (1741-1790) een edict uitgegeven dat Joden een achternaam moeten hebben. Vele van de Joden hebben met voorkeur, lenuend op de Joodse traditie, een achternaam met Rozen erin gekozen.
Bijvoorbeeld de volgende Joodse familienamen: Rosengarten, Rosenberg, Rosenfeld, Rosenstein, Rosen, Rosenthal, Rosenzweig, Rosenbloom, Rosenkrantz, Rosenbach enz.

 

 

 

 

Colofon:

 

Prof. Rabbijn Ahron Daum
Emeritus Opperrabbijn van Frankfurt am Main
September 2011

 

Eerste bewerking

Bathia Chava Vanhamme
September 2011

 

Tweede en definitieve bewerking
Mattityahu Akiva Strijker

1 mei 2014 – Rosh Chodesh Iyar 5774

 

Photoshop, special effects, gestale en vormgeving
Mattityahu Akiva Strijker

 

Webmaster en designer

Yitzchak Berger
(Schoonzoon van Rav Ahron Daum, Shlita)

Antwerpen/Melbourne, Australië

 

 

 

 

 

Original text


Share this

Counter